Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2010:BL0196

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
65590 / HA ZA 08-585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank Finata Bank opgedragen te bewijzen dat de verjaring van de vordering op [gedaagde] steeds tijdig is gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW.

Finata Bank heeft hiertoe voornoemde akte in het geding gebracht. Bij deze akte heeft zij één produktie overgelegd. Zij verwijst voorts naar de volgende stukken waaruit volgens haar blijkt dat de verjaring steeds tijdig is gestuit:

De brief van 20 januari 1992 van gerechtsdeurwaarderskantoor Jeukens (hierna: “Jeukens”). Deze brief is niet in het geding gebracht.

De dagvaarding van 29 maart 1993. Finata Bank heeft een deel van haar vordering in rechte gevorderd, maar tevens uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij haar volledige vordering op [gedaagde] handhaaft. Deze dagvaarding is in het geding gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

65590 / HA ZA 08-585

13 januari 2010

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

65590 / HA ZA 08-5859 december 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65590 / HA ZA 08-585

Vonnis van 13 januari 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

FINATA BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. H. Post te Helmond,

tegen

[gedaagde],

wonende te 's-Heer Arendskerke, gemeente Goes,

gedaagde,

advocaat mr. C. Bosland te Goes.

Partijen zullen hierna Finata Bank en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 26 augustus 2009,

de akte, zijdens Finata Bank,

de antwoordakte, zijdens [gedaagde].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank Finata Bank opgedragen te bewijzen dat de verjaring van de vordering op [gedaagde] steeds tijdig is gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW.

Finata Bank heeft hiertoe voornoemde akte in het geding gebracht. Bij deze akte heeft zij één produktie overgelegd. Zij verwijst voorts naar de volgende stukken waaruit volgens haar blijkt dat de verjaring steeds tijdig is gestuit:

De brief van 20 januari 1992 van gerechtsdeurwaarderskantoor Jeukens (hierna: “Jeukens”). Deze brief is niet in het geding gebracht.

De dagvaarding van 29 maart 1993. Finata Bank heeft een deel van haar vordering in rechte gevorderd, maar tevens uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij haar volledige vordering op [gedaagde] handhaaft. Deze dagvaarding is in het geding gebracht.

De brief van 18 februari 1998. Een kopie van deze brief is niet in het bezit van Finata Bank. Uit het historisch overzicht van Jeukens blijkt dat op 11 februari 1998 een sommatie voor de restantschuld naar [gedaagde] is gestuurd. Deze brief is teruggekomen. Jeukens heeft vervolgens het juiste adres getraceerd en op 18 februari 1998 de brief opnieuw verzonden. Deze brief is niet teruggekomen. Gezien de goede reputatie van de toenmalige Nederlandse Posterijen heeft [gedaagde] de brief ongetwijfeld ontvangen.

De brief van 3 juli 2001. Deze brief is niet in het geding gebracht. Uit het historisch overzicht van Jeukens blijkt dat op 3 juli 2001 door hem een sommatie voor de restantvordering naar [gedaagde] is verzonden. Gezien de goede reputatie van de toenmalige Nederlandse Posterijen lijdt het geen twijfel dat [gedaagde] de brief heeft ontvangen.

De brief van 15 maart 2004. Een kopie van deze brief is bij de comparitie in het geding gebracht. Uit de notitie in het historisch overzicht van Jeukens blijkt dat [gedaagde] telefonisch heeft gereageerd naar aanleiding van deze brief.

De brief van 27 augustus 2008 van gerechtsdeurwaarderskantoor De Kluijver. Deze brief is bij de comparitie in het geding gebracht. De brief is naar het juiste adres verzonden en niet teruggekomen. Gelet op de goede reputatie van het postbedrijf TNT heeft [gedaagde] de brief ongetwijfeld ontvangen.

De dagvaarding van 21 november 2008.

[gedaagde] stelt dat Finata Bank niet in de bewijsopdracht is geslaagd. De brief van 20 januari 1992 voldoet volgens haar niet aan het wettelijke vereiste van het ondubbelzinnig voorbehouden van het recht op nakoming.

Finata Bank heeft in de dagvaarding van 29 maart 1993 in het geheel niet uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij haar vordering handhaafde. Zij heeft gesteld dat zij in totaal te vorderen had een bedrag van FL. 33.359,22 en dat dit bedrag geheel opeisbaar is geworden. Finata Bank heeft slechts vijf termijnen gevorderd en heeft niets over het resterende bedrag gezegd. Verder heeft Finata Bank niet een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt tot handhaving van het restantbedrag.

Finata Bank heeft de brieven van 11 februari 1998, 18 februari 1998 en 3 juli 2001 niet meer kunnen traceren en verwijst daarom naar het overzicht van Jeukens. Dit zijn interne aantekeningen, die gemakkelijk aangepast kunnen worden en niet voor derden zijn bedoeld. De gemaakte aantekeningen zijn niet te controleren, omdat de achterliggende stukken kennelijk deels ontbreken. Deze aantekeningen mogen niet worden aangemerkt als voldoende bewijs waaruit zou blijken dat de verjaring tijdig is gestuit. Finata Bank kan geen van de verzonden brieven overleggen. Er kan dus niet vast komen te staan dat de brieven daadwerkelijk zijn verzonden, laat staan dat deze brieven [gedaagde] tijdig hebben bereikt.

De rechtbank is van oordeel dat Finata Bank niet heeft bewezen dat de verjaring van de vordering op Minke steeds tijdig is gestuit. De verjaringstermijn is gaan lopen op 26 oktober 1989. De brief van 20 januari 1992 is niet overgelegd. Of deze brief de verjaring heeft gestuit, is dan ook niet bewezen. Finata Bank beroept zich voorts op de dagvaarding van 29 maart 1993. In die dagvaardig heeft Finata Bank gesteld dat zij een opeisbare vordering heeft van FL. 33.59,22. Echter, zij vordert slechts vijf termijnen (FL. 7.500,00) van [gedaagde]. Finata Bank vermeldt verder niets expliciet of impliciet over het restantbedrag. De rechtbank leidt hieruit af dat zij niet ondubbelzinnig haar recht op nakoming van het restantbedrag heeft voorbehouden. De inhoud van de dagvaarding was daarom niet een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagde] dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moest houden dat hij de beschikking hield over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kon verweren. De dagvaarding had dus geen stuitende werking. Binnen vijf jaar na 26 oktober 1989 heeft geen andere handeling plaatsgevonden waardoor de verjaring zou zijn kunnen gestuit. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het gevorderde afwijzen.

Finata Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punt × tarief EUR 452,00)

- griffierecht 400,00

EUR 1.530,00

De beslissing

De rechtbank

wijst het gevorderde af,

veroordeelt Finata Bank in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.530,00,

bepaalt, nu [gedaagde] met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening

aan de griffier van deze rechtbank:

-wegens het in debet gestelde deel griffierecht EUR 300,00

-wegens salaris advocaat EUR 1.130,00

aan [gedaagde]:

- het voor rekening van [gedaagde] gekomen deel van het griffierecht EUR 100,00

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2010.?