Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BO3754

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
56166/ HA ZA 07-53
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming rechtsgeldige overeenkomst; aanbod en aanvaarding uitleg van gewisselde faxen en brieven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 56166 / HA ZA 07-53

Vonnis van 14 oktober 2009

in de zaak van

MR. P.J.F.M. DE KERF, handelend in zijn hoedanigheid als curator van

[A.] Onroerend Goed B.V.,

Gevestigd en kantoorhoudende te Nijmegen,

eiser,

advocaat mr. C.J. IJdema,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEHEERMAATSCHAPPIJ [gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te Kruiningen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Kapellen,

gedaagden,

advocaat mr. J.P. Quist.

Partijen zullen hierna De Kerf, Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- tussenvonnis d.d. 9 mei 2007

- proces-verbaal

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[A.] Onroerend Goed B.V. – verder [A.] Onroerend Goed - was eigenaresse van de volgende onroerende zaken te Beneden-Leeuwen:

- Percelen gelegen in de gemeente Wamel en in de gemeente West Maas en Waal alsmede een bedrijvencomplex bestaande uit kantoor- en bedrijfshallen met ingebouwde vries- en koelcellen, technische ruimte en kantine met ondergrond en erven aan de [adres], gemeente West Maas en Waal, nader aan te duiden als “de oudbouw”. Op deze percelen heeft Artesia Banque een hypothecaire inschrijving;

- Een aantal percelen grond met daarop gebouwen die dateren van 1993, respectievelijk 2003/2004 in de gemeente Wamel, verder aan te duiden als “de nieuwbouw”. Deze percelen waren tot 1 juni 2006 belast met een hypothecaire inschrijving ten gunste van Partner Logistics Exploitatie B.V.;

- Een aantal percelen in de gemeente Wamel niet belast met een hypothecaire inschrijving, verder aan te duiden als “de onbelaste” percelen.

Het onroerend goed als geheel zal worden aangeduid als het “totale complex”.

Het totale complex was door [A.] Onroerend Goed sinds, in ieder geval, 1990 verhuurd aan [A2] Coldstores B.V. tegen een huurprijs, per 31 december 2004, van € 988.570,-- per jaar.

In 2003 is er op het perceel van “de nieuwbouw” een tweede gebouw gerealiseerd; een koel- vriesveem met blenderinstallatie. De huurprijs van het totale complex is in verband met ingebruikname van dat gebouw door [A2] Coldstores B.V. per 1 januari 2005 verhoogd tot een bedrag van € 1.369.340,--.

Nadat [A2] Coldstores B.V. op 1 juli 2005 in staat van faillissement is verklaard is het complex per die datum verhuurd aan [A2] Coldstores Beneden Leeuwen B.V. tegen een huurprijs van € 800.000,-- per jaar.

Op 18 oktober 2005 heeft Partner Logistics Exploitatie B.V. als hypotheekhoudster overeenkomstig artikel 544 Rv de executie doen inleiden van de nieuwbouw.

Bij advertentie d.d. 1 november 2005 heeft mr. A.T.I. Liem, notaris met standplaats Arnhem, door Partner Logistics Exploitatie B.V. aangesteld als veilingnotaris, de openbare executoriale verkoop aangekondigd die plaats zou vinden op 29 november 2005.

[A.] Onroerend Goed is op 9 november 2005 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. De Kerf tot curator.

Op 11 november 2005 heeft H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V. een bod van € 5.125.000,-- op de nieuwbouw uitgebracht en Partner Logistics Exploitatie B.V. heeft met H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V. een koopovereenkomst met betrekking tot de nieuwbouw gesloten. Krachtens deze koopovereenkomst verkocht zij de nieuwbouw aan H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V. voor een bedrag van € 5.125.000,-- onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter te Arnhem daaraan zijn goedkeuring zou hechten. H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V. heeft haar bod in april 2006 verhoogd tot € 6.150.000,--.

Partner Logistics Exploitatie B.V. heeft op 21 november 2005 een verzoekschrift ex art. 3:268 BW ingediend bij de voorzieningenrechter te Arnhem welk verzoekschrift ertoe strekt dat de voorzieningenrechter toestemming verleent tot onderhandse verkoop aan H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift is aanvankelijk bepaald op 16 januari 2006.

[gedaagde sub 2] heeft op 17 november 2005 aan De Kerf een bod uitgebracht van € 7.000.000,-- voor het totale complex.

De Kerf heeft op 16 december 2005 aan potentiële belangstellenden de (veiling)voorwaarden meegedeeld voor het uitbrengen van een bod.

Op 10 januari 2006 heeft [gedaagde sub 2] twee (nieuwe) biedingen aan De Kerf uitgebracht, een bod van € 7.000.000,-- voor het totale complex en een bod van € 6.200.000,-- voor de onbelaste percelen en de nieuwbouw. Op 16 januari 2006 heeft de voorzieningenrechter de behandeling van het door Partner Logistics Exploitatie B.V. ingediende verzoekschrift aangehouden tot 30 januari 2006. Het bod van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] is door de rechter-commissaris in het faillissement van [A.] Onroerend Goed niet geaccepteerd.

Bij e-mailbericht van 26 januari 2006 heeft De Kerf aan belangstellenden opnieuw voorwaarden verzonden onder welke voorwaarden onder andere Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] in staat gesteld werd een nieuw bod uit te brengen.

Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] heeft op 27 januari 2006 te 11.45 uur een bod van € 8.632.500,30 uitgebracht op de onbelaste percelen en de nieuwbouw, ondertekend door [gedaagde sub 2].

De rechter-commissaris in het faillissement van [A.] Onroerend Goed heeft op 27 januari 2006 aan De Kerf mondeling toestemming verleend tot het sluiten van een koopovereenkomst met Beheermaatschappij [gedaagde sub 1]. De Kerf heeft dat op 27 januari 2006 mondeling aan Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] meegedeeld onder verwijzing naar de voorwaarden gesteld in de e-mail van 26 januari.

Ter gelegenheid van de op 30 januari 2006 voortgezette behandeling van het verzoekschrift ex art. 3:268 lid 2 BW, ingediend door Partner Logistics Exploitatie B.V., heeft de voorzieningenrechter naar aanleiding van de mededeling van De Kerf dat de levering van de nieuwbouw en de onbelaste percelen aan Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] binnen twee weken zou plaatsvinden de behandeling aangehouden tot 20 februari 2006. Op 30 januari 2006 hebben partijen nadere afspraken gemaakt.

Bij brief van 6 februari 2006 heeft de raadsvrouwe van [gedaagden] bevestigd dat De Kerf op grond van de pauliana de nietigheid van de huurovereenkomst in zou roepen en een verbruiksvergoeding zou vorderen vanaf juni 2005. Daarnaast is door de raadsvrouwe van [gedaagden] verzocht om ook de ontruiming van het pand te vorderen.

Bij brief van 8 februari 2006 aan notariskantoor Meijling & Sarneel te Kapelle – verder het notariskantoor - heeft De Kerf meegedeeld dat het transport uiterlijk vrijdag 17 februari 2006 plaats moest vinden. Deze brief is in kopie verzonden aan Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] en haar raadsvrouwe.

Het transport is op 17 februari 2006 niet doorgegaan.

De behandeling van het verzoekschrift is door de voorzieningenrechter vervolgens aangehouden tot de terechtzitting van 3 april 2006.

Bij brief van 20 februari 2006 deelt De Kerf [gedaagde sub 2] mee dat hij in verzuim is door het niet plaatsvinden van het transport voor 18 februari 2006, zoals afgesproken op 30 januari 2006, en hem aansprakelijk te houden.

Bij brief van 16 maart 2006 sommeert De Kerf Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] het transport uiterlijk in de week van 27 tot en met 31 maart te doen plaatsvinden.

Bij faxbrief aan De Kerf verzonden op 3 april 2006 deelt Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] mee dat de financiering langer duurt dan voorzien was. Bij brief van 3 april 2006 deelt De Kerf aan Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] mee haar nog eenmaal in de gelegenheid te stellen, tot uiterlijk vrijdag 7 april 2006 om 12.00 uur, zorg te dragen voor hetzij nakoming, hetzij voldoende garanties waaruit blijkt dat de financiering rond is en bij in gebreke blijven daarmee de overeenkomst reeds nu voor alsdan te ontbinden en Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] aansprakelijk te stellen.

De raadsman van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat de financiering nog niet rond was. De voorzieningenrechter heeft de zaak aangehouden tot 10 april 2006. Omdat het transport niet plaatsgevonden had voor vrijdag 7 april 2006 om 12.00 uur, en door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] onvoldoende garanties gegeven waren, heeft Partner Logistics Exploitatie B.V. de voorzieningenrechter gevraagd te beschikking op het door haar ingediende verzoekschrift.

Bij beschikking van 10 april 2006 heeft de voorzieningenrechter te Arnhem bepaald dat Partner Logistics Exploitatie B.V. de nieuwbouw voor een bedrag van € 6.150.000,-- mocht verkopen aan H&S Partner Logistics Onroerend Goed B.V.

Het geschil

Mr. P.J.F.M. de Kerf vordert - samengevat - veroordeling van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] B.V. c.s., hoofdelijk, tot betaling van € 2.182.500,30 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2006, althans vanaf 18 augustus 2006 tot aan de dag van algehele voldoening, tot betaling van een bedrag van € 3.500,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten en in de proceskosten.

De Kerf stelt daartoe het navolgende.

Volgens De Kerf is Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] tekortgekomen in de nakoming van de tussen hem en Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de nieuwbouw en de onbelaste percelen die in eigendom toebehoorden aan [A.] Onroerend Goed en dient Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] de daardoor voor de boedel ontstane schade te vergoeden.

De Kerf stelt dat het transport uiterlijk 17 februari 2006 plaats had moeten vinden, althans uiterlijk in de week van 27 tot en met 31 maart 2006, althans uiterlijk 7 april 2006, althans uiterlijk 20 april 2006. Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] heeft niet heeft voldaan aan de sommaties bij brief van 16 maart en 3 april 2006. Bij brief van 3 april is Beheersmaatschappij Baas ook meegedeeld dat, indien zij in gebreke bleef aan de in dat schrijven genoemde voorwaarden te voldoen, de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen zou worden en dat zij aansprakelijk gesteld zou worden. Omdat sprake was van een fatale termijn was Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] op 7 april 2006 in gebreke en is de koopovereenkomst ontbonden. Bij brief van 10 april 2006 heeft De Kerf Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld.

Volgens De Kerf is [gedaagde sub 2] naast Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] in privé aansprakelijk voor het niet nakomen van de overeenkomst. [gedaagde sub 2] wist althans behoorde, als bestuurder/enig aandeelhouder die volledige zeggenschap had ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, te weten dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] de overeenkomst niet zou kunnen nakomen.

De Kerf stelt voorts gemotiveerd dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is wegens het ontbreken van voldoende volmacht en voorts dat hij aansprakelijk is voor de door de boedel geleden schade omdat hij toegezegd heeft borg te staan voor de nakoming van de overeenkomst door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1].

De Kerf bestrijdt gemotiveerd dat tussen partijen nog geen volledige overeenstemming bestond en er dus geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen.

[gedaagden] voeren verweer.

[gedaagden] betwisten dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] tekort gekomen is en dat zij schadeplichtig is.

Volgens [gedaagden] is nooit een koopovereenkomst in de zin van artikel 6:217 BW tot stand gekomen omdat aanbod en aanvaarding niet overeen stemden. Alleen over de koopprijs is door partijen overeenstemming bereikt. Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] stelt dat het voor haar een essentiële voorwaarde voor het tot stand komen van de koopovereenkomst was dat de onroerende zaken vrij van huur zouden worden opgeleverd en dat dat voor De Kerf ook duidelijk was. [gedaagde sub 2] stelt al bij een eerste contact met De Kerf op 15 november 2005 aangegeven te hebben dat hij geïnteresseerd was in de overname van de exploitatie. Ook voor het opteren voor een met BTW belaste verkoop is voorwaarde dat de kopende vennootschap zélf met BTW belaste prestaties in het bedrijfspand gaat verrichten. Ook daaruit bleek dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] het onroerend goed zelf zou gaan exploiteren. Dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] slechts geïnteresseerd was in afname van panden die direct in gebruik konden worden genomen blijkt eveneens uit de hoge prijs die Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] bereid was te betalen.

De voormalig raadsvrouwe van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] heeft in haar faxbrief van 6 februari 2006 bevestigd dat tussen partijen is afgesproken dat door De Kerf de pauliana ingeroepen zou worden wat betreft de huurovereenkomst en heeft daarnaast verzocht een ontruimingsvordering in te stellen. De tussen partijen op 30 januari 2006 gemaakte afspraken zijn door De Kerf niet nagekomen.

Ook bij het opstellen van de concept-leveringsakte door de notaris in maart 2006 bleek dat de koopovereenkomst nog niet in alle opzichten voltooid was. Tussen partijen bestond nog geen overeenstemming over de verkoopvoorwaarden. Dat volgt ook uit de brief van De Kerf van 28 maart 2006.

[gedaagden] betwisten voorts gemotiveerd dat overeengekomen zou zijn dat zij voor een bepaalde datum zouden afnemen. De data 17 februari en 3 april 2006 zijn niet als een fatale termijn aan te merken. [gedaagden] verwijzen daartoe onder andere naar de veilingvoorwaarden waarbij De Kerf aangeeft geen inschatting te kunnen maken wat betreft de termijn waarop geleverd kan worden.

Volgens [gedaagden] is De Kerf in verzuim omdat hij niet heeft voldaan aan hetgeen overeengekomen is en is Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] dus niet in verzuim. De Kerf heeft gehandeld in strijd met art. 6:266 BW.

[gedaagde sub 2] betwist gemotiveerd in privé aangesproken te kunnen worden voor de schade die de boedel zou hebben geleden

[gedaagden] betwisten, alhoewel zij zich primair op het standpunt stellen niet schadeplichtig te zijn, ook de schadeberekening van De Kerf.

[gedaagden] betwisten voorts de vordering ter zake van proces- en buitengerechtelijke kosten en de hoogte van het aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag.

In verband met het restitutierisico verzoeken [gedaagden] voorts een eventueel veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De beoordeling

Partijen strijden over de vraag of tussen hen een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

De Kerf heeft aan potentiële kopers op 16 december 2005 veilingvoorwaarden toegestuurd en vervolgens weer op 26 januari 2006, waarin de eerder toegestuurde veilingvoorwaarden van toepassing zijn verklaard.

In de veilingvoorwaarden van 16 december 2005 is vermeld onder welke voorwaarden het uitbrengen van een bod geschiedt.

Voorwaarde 1 geeft de met betrekking tot de daarin als perceel 1 aangeduide onroerende zaken, de onroerende zaken waarop Partner Logistics Exploitatie B.V. een hypothecaire inschrijving had, slechts de situatie met betrekking tot de omzet- en overdrachtsbelasting aan zoals opgenomen in de veilingvoorwaarden gehanteerd door notaris Liem. Voor wat betreft de overige percelen vermelden de voorwaarden dat De Kerf met betrekking tot het verschuldigd zijn van omzet- dan wel overdrachtsbelasting geen informatie kan verstrekken.

Onder punt 5 vermelden de voorwaarden dat de totale onroerende zaak verhuurd is en dat De Kerf desgevraagd zijn medewerking zal verlenen aan het aantasten van de huurovereenkomst. Voorts vermeldt De Kerf geen garantie te kunnen geven dat de huurovereenkomst daadwerkelijk kan worden aangetast.

Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] heeft op 27 januari 2006 te 11.45 uur een bod van € 8.632.500,30 uitgebracht op de onbelaste percelen en de nieuwbouw, de onroerende zaken waarop Partner Logistics Exploitatie B.V. een hypothecaire inschrijving had.

Met het uitbrengen van het bod door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] en de acceptatie daarvan door De Kerf, met instemming van de rechter-commissaris, is de koopovereenkomst op 27 januari 2006 tot stand gekomen. Deze koopovereenkomst houdt, gelet op de daarop van toepassing zijnde veilingvoorwaarden, in koop van de onroerende zaken in verhuurde staat met de enkele toezegging van De Kerf bereid te zijn te trachten de huurovereenkomst aan te tasten. Of Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] voorafgaand daaraan, in november 2005, hetgeen door De Kerf overigens wordt bestreden, meegedeeld zou hebben dat voorwaarde voor aankoop was dat de onroerende zaken onverhuurd waren doet daaraan dan niets meer af.

Nog afgezien van het vorenstaande blijkt het door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] ingenomen standpunt niet uit de als producties overgelegde stukken. Ook blijkt daar niet uit dat De Kerf daarvan ten tijde van het uitbrengen van het bod door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] op de hoogte was, in tegendeel. De faxbrief van 6 februari 2006 van mr. Seuntiëns, raadsvrouwe van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1], aan De Kerf bevestigt dat de onroerende zaken door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] in verhuurde staat zijn gekocht en dat door De Kerf is toegezegd de pauliana van de huurovereenkomst in te roepen. Dit komt ook overeen met hetgeen in de veilingvoorwaarden is vermeld.

Met betrekking tot hetgeen door partijen over en weer is gesteld ten aanzien van de vraag of het uitgebrachte bod een bod inclusief of exclusief BTW betrof overweegt de rechtbank het navolgende.

Artikel 11 lid 1 onder a. van de Wet op de omzetbelasting 1968 ziet op de levering van onroerende zaken. Ingevolge dit artikel is de levering van onroerende zaken vrijgesteld van omzetbelasting. Hiervan uitgezonderd is levering van een onroerende zaak uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming en indien de verkoper en de koper blijkens de notariële akte van levering ervoor hebben gekozen om van deze vrijstelling te worden uitgezonderd of daartoe een verzoek aan de inspecteur hebben gedaan.

In hoeverre het bod van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] geacht moet worden inclusief of exclusief BTW te zijn moet derhalve worden bepaald aan de hand van de regeling zoals neergelegd in artikeel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

De Kerf en [gedaagde sub 2] waren kennelijk nog in overleg met betrekking tot het opteren voor een met omzetbelaste levering. Dit betreft echter de nadere uitwerking van de overeenkomst. Het feit dat dit nog niet geregeld was kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen was.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat met het uitbrengen van het bod op 27 januari 2006 door Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen inhoudend dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] de onroerende zaken in verhuurde staat heeft aangekocht voor een bedrag van € 8.632.500,30 op welk bod wat betreft de BTW de daarvoor in de Wet op de omzetbelasting neergelegde regeling van toepassing is.

Nu Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] nagelaten heeft de door haar gekochte onroerende zaken af te nemen, ondanks daartoe meerdere malen te zijn gesommeerd, is zij tekortgeschoten in de nakoming van de tussen haar en De Kerf gesloten koopovereenkomst en gehouden de daardoor voor de boedel ontstane schade te vergoeden.

Ter gelegenheid van de comparitie is besproken dat in het voorkomende geval de rechtbank in het kader van dit vonnis niet tot beoordeling van de geleden schade in zou gaan. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rolzitting van woensdag 28 oktober 2009 teneinde De Kerf in de gelegenheid te stellen zich uit te laten met betrekking tot hetgeen Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord heeft aangevoerd ten aanzien van de hoogte van het door De Kerf aan schadevergoeding gevorderde bedrag. Daarna zal Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] nog in de gelegenheid gesteld worden hierop te reageren.

Met betrekking tot de door De Kerf jegens [gedaagde sub 2] in persoon ingestelde vordering overweegt de rechtbank het navolgende.

Door De Kerf is niet aangevoerd dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] de overeenkomst niet is nagekomen omdat volgens Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet beschikte over een volmacht, dan wel zijn volmacht onvoldoende was om de overeenkomst namens Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] te sluiten. Niet valt dan ook in te zien waarom [gedaagde sub 2] op grond van ontbreken van voldoende volmacht, hetgeen [gedaagde sub 2] overigens bestrijdt, in persoon aansprakelijk zou zijn.

De Kerf grondt de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] voorts op het feit dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] onrechtmatig zou hebben gehandeld omdat hij ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. De Kerf voert hiertoe aan dan dat het eigen vermogen van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] was gedaald van € 4.193.564 per 31 december 2004 naar € 18.602,-- per 31 december 2005 en naar € 18.294,-- per 31 december 2006. Volgens De Kerf kan met een dergelijk gering eigen vermogen geen registergoed met een waarde van meer dan € 8.000.000,-- worden aangeschaft en kan daarvoor, behoudens het stellen van aanvullende zekerheden, ook geen financiering worden verkregen.

Hetgeen door De Kerf is aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 2] dat geen financiering kon worden verkregen, onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde sub 2] ten tijde van het uitbrengen van het bod wist althans redelijkerwijs had moeten weten dat Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Aankopen als de onderhavige worden in de regel gefinancierd en voor het verkrijgen van financiering is niet slechts de hoogte van het eigen vermogen bepalend.

Door De Kerf is nog aangevoerd dat [gedaagde sub 2] in persoon aansprakelijk is omdat hij toegezegd zou hebben in te staan voor de nakoming van de verplichtingen van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1]. Door De Kerf is hiertoe aangevoerd dat [gedaagde sub 2] in februari 2006 een overzicht van zijn bezittingen heeft toegezonden en dat [gedaagde sub 2] op 28 maart 2006 een brief aan De Kerf heeft verstuurd waarin hij meedeelde dat zijn vermogen gebruikt kon worden voor de zitting van de daaropvolgende maandag. Dit is, mede gelet op de betwisting door [gedaagde sub 2], onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde sub 2] zich verbonden heeft tot nakoming van de verplichtingen van Beheermaatschappij [gedaagde sub 1].

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, de vordering tegen [gedaagde sub 2] afwijzen.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 28 oktober 2009 teneinde De Kerf in de gelegenheid te stellen zich uit te laten met betrekking tot hetgeen Beheermaatschappij [gedaagde sub 1] in de conclusie van antwoord heeft aangevoerd met betrekking tot de hoogte van het door De Kerf aan schadevergoeding gevorderde bedrag;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2009.