Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BL9561

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-12-2009
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
194271
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voor de bevoegdheidsvraag is uitsluitend van belang de geobjectiveerde waarde van de vordering en niet, zoals in dit geval, de achterliggende waarde van een strategisch belang van een partij.

Toewijzing van de vordering tot ontruiming van een strook grond zou de reële mogelijkheid dat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt dat X de eigendom van die strook geleverd moet krijgen min of meer onherroepelijk frustreren. Toewijzing van de vordering bij wijze van een voorlopige voorziening moet daarom achterwege te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

zaak/rolnr.: 194271 / VV 09-80 blad 2

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 194271 / VV 09-80

vonnis van de kantonrechter d.d. 7 december 2009

in de zaak van

de openbare rechtspersoon

gemeente Schouwen-Duiveland,

gevestigd te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: de gemeente,

gemachtigde: mr. P. van den Berg,

t e g e n :

[gedaagde sub 1],

[gedaagde sub 2],

wonende te [adres],

gedaagde partij,

verder in mannelijk enkelvoud te noemen: [partij X ],

gemachtigde: mr. R.A.A. Maat.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 30 oktober 2009,

- mondelinge behandeling van 26 november 2009.

de beoordeling van de zaak

1.1. De gemeente is eigenares van een perceel grond gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Middenschouwen, sectie [nummer]. Het perceel is gedeeltelijk bebouwd met garageboxen. Het resterende gedeelte, ter grootte van 50m2, bestaat uit een groenstrook.

1.2. Bij brief van 1 oktober 1995 heeft [partij X ] het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Middenschouwen verzocht de betreffende groenstrook, die grenst aan het huisperceel van [partij X ], aan hem te verkopen.

1.3. Het college van burgemeester en wethouders heeft de gemeenteraad op 12 februari 1996 voorgesteld met de verkoop in te stemmen. In zijn vergadering van 21 maart 1996 heeft de gemeenteraad besloten overeenkomstig het voorstel van het college. Er is een verkoopovereenkomst opgesteld, die door [partij X ] is ondertekend. De strook is niet aan [partij X ] geleverd en de koopsom is niet voldaan. De gemeente is in het kadaster als eigenaar geregistreerd gebleven.

1.4. [Partij X] heeft de strook feitelijk bij zijn tuin getrokken.

1.5. Woningbouwstichting [Z] wenst thans perceel, sectie [nummer], inclusief groenstrook van de gemeente te kopen teneinde vier starterswoningen te realiseren. De gemeente is bereid het perceel aan [Z] te verkopen. [Z] heeft reeds een bouwaanvraag ingediend.

1.6. Bij brieven van 20 december 2008 en 15 januari 2009 heeft [partij X ] de gemeente verzocht alsnog uitvoering te geven aan het raadsbesluit van 21 maart 1996.

1.7. De gemeente heeft [partij X ] bij brief van 3 februari 2009, verzonden 5 februari 2009, meegedeeld dat niet alsnog uitvoering zal worden gegeven aan het raadsbesluit van 21 maart 1996.

1.8. Bij e-mailbericht van 6 maart 2009 is namens [partij X ] bezwaar gemaakt bij de gemeente tegen het feit dat het college de overeenkomst niet ondertekent.

1.9. Bij brief van 23 maart 2009, verzonden 25 maart 2009, heeft de gemeente [partij X ] verzocht het gebruik van de groenstrook met ingang van 1 mei 2009 te beëindigen en beëindigd te houden. De termijn voor ontruiming is bij brief van 15 juli 2009, verzonden 21 juli 2009, gesteld op 1 oktober 2009. Op 9 oktober 2009 is hem daartoe een laatste maal de gelegenheid gegeven.

1.10. In een bodemprocedure, aanhangig gemaakt op 10 november 2009 bij de sector voor civiel van recht van deze rechtbank heeft [partij X ] veroordeling van de gemeente gevorderd tot levering van de strook grond aan hem.

2. De gemeente vordert nu bij wege van voorlopige voorziening [partij X ] te veroordelen om binnen drie dagen na het te wijzen vonnis de groenstrook gelegen aan de [adres] te ontruimen en ontruimd ter beschikking te stellen aan de gemeente.

De gemeente stelt dat zo lang [partij X ] de groenstrook in gebruik heeft, het plan van [Z] om vier starterswoningen op het perceel te bouwen, niet uitvoerbaar is en hierop door de gemeente niet positief kan worden beslist. [Z] en de gemeente zouden schade lijden door de vertraging in de uitvoering van het bouwplan.

De gemeente stelt dat weliswaar in 1996 tussen partijen een overeenkomst is opgesteld die door [partij X ] is ondertekend, maar dat de overeenkomst niet is ondertekend door het bevoegde orgaan, de burgemeester.

Voor zover er tussen partijen wel een overeenkomst tot stand is gekomen, stelt de gemeente zich subsidiair op het standpunt dat deze overeenkomst nimmer is geëffectueerd. [partij X ] heeft de koopsom niet betaald en de gemeente heeft de groenstrook niet geleverd. De vordering tot nakoming van de overeenkomst is volgens de gemeente verjaard op grond van het bepaalde in artikel 3:307, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De gemeente gaat er daarbij vanuit dat [partij X ] de overeenkomst kort vóór of na de datum van het raadsbesluit, maart 1996, heeft ondertekend. De vordering tot nakoming is volgens de gemeente vijf jaar later, in 2001, verjaard. [Partij X] heeft de lopende verjaring niet gestuit. Het enkele mondeling informeren door [partij X ] – hetgeen door de gemeente bij gebrek aan wetenschap wordt betwist – heeft de lopende verjaring niet gestuit.

Volgens gemeente gebruikt [partij X ] de groenstrook zonder recht of titel, hetgeen onrechtmatig is. Dat een ambtenaar bij de gemeente, [medewerker A], [partij X ] destijds – onbevoegd - toestemming zou hebben verleend om de grond in gebruik te nemen, is volgens de gemeente niet aannemelijk omdat geen tegenprestatie – betaling van de koopprijs – is verstrekt. Voor zover [partij X ] er in zou slagen aan te tonen dat hij toestemming van de gemeente heeft gekregen om de grond in gebruik te nemen, heeft de gemeente dat gebruik tijdelijk gedoogd in afwachting van de uitvoering van de overeenkomst. Aangezien de overeenkomst niet zal worden uitgevoerd, gedoogt de gemeente het gebruik niet langer en dient [partij X ] de grond te ontruimen en aan de gemeente ter beschikking te stellen.

3. [Partij X] stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is van de onderhavige vordering kennis te nemen omdat de vordering een hogere waarde vertegenwoordigt dan de competentiegrens van de kantonrechter. Het belang van [partij X ] is groter dan de waarde van de strook, omdat [partij X ] door de eigendom te krijgen van de strook kan voorkomen dat de starterswoningen worden gebouwd en daarmee zijn vrije uitzicht zal belemmerd.

Voorts stelt [partij X ] dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding. Een eventueel toewijzend vonnis zal een declaratoir karakter hebben. Bovendien is de zaak zodanig complex, dat beoordeling in kort geding feitelijk niet mogelijk is. Er zijn een aantal rechtsvragen die beantwoord dienen te worden en daartoe zal nader onderzoek, mogelijk door het horen van getuigen nodig zijn. Ook ontbreekt volgens [partij X ] het spoedeisend belang, omdat al zeker tien jaar is onderhandeld over de situatie. Er is geen indicatie dat de verdere ontwikkeling op korte termijn van start gaat.

Inhoudelijk verschillen partijen ook van mening. [Partij X] is indertijd door de heer [A] van de gemeente uitgenodigd voor de ondertekening van de overeenkomst. Vermoedelijk heeft [partij X ] een exemplaar van de overeenkomst getekend en geparafeerd, terwijl hij geen exemplaar heeft kunnen meenemen of toegezonden gekregen. Volgens afspraak met [A] heeft [partij X ] de groenstrook in gebruik genomen met ingang van het voorjaar van 1996.

[Partij X] stelt dat in 1996 een raadsbesluit is genomen, dat nog altijd uitgevoerd dient te worden. De verplichting tot uitvoering kan volgens [partij X ] niet verjaren. Er is een (mondelinge) overeenkomst tot stand gekomen die is verwoord in de door de gemeente aangeboden overeenkomst die door de aanvaarding daarvan door [partij X ] tot stand is gekomen. De verbintenis tot nakoming van de leveringsplicht van de grond is pas opeisbaar geworden toen [partij X ] daadwerkelijk een exemplaar van de overeenkomst heeft ontvangen. De tekst van de overeenkomst hield immers in dat binnen drie maanden nadat de verkoper de overeenkomst aan de koper had toegestuurd moest worden geleverd. Pas nadat [partij X ] schriftelijk om nakoming ging vragen in 2008 heeft hij de overeenkomst pas toegestuurd gekregen. Hieruit vloeit voort dat er op zijn vroegst in 2008 een verjaringstermijn van vijf jaren kan zijn aangevangen.

Voor zover er eerder sprake was van een opeisbare verbintenis tot levering, is er sinds die verbintenis opeisbaar werd, nooit sprake geweest van verjaring omdat de nog resterende leveringsverplichting regelmatig, in ieder geval vaker dan eens in elke vijf jaren, werd erkend. De gemeente en [partij X ] hebben onderhandeld over een alternatief waarbij de opzet was dat bij herontwikkeling van het [bestemmingsplan] de woning van [partij X ] met tuin en de strook grond aan [Z] zouden worden verkocht en dat dit aanleiding vormde niet tussentijds uitvoering te geven aan de leveringsplicht. De strook is volgens afspraak met de gemeente in gebruik geweest en gebleven van [partij X ], hetgeen voortdurende erkenning oplevert van de nog bestaande verbintenissen uit de gesloten overeenkomst.

In ieder geval is het beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De afspraak met betrekking tot het feitelijk gebruik van de strook grond zou – zelfs al zou er geen leveringsplicht meer afdwingbaar zijn – nopen tot het in acht nemen van een behoorlijke opzegtermijn alvorens het jarenlange gebruik beëindigd kan worden.

4. De kantonrechter overweegt het volgende.

Als meest verstrekkende verweer heeft [partij X ] aangevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen, omdat de vordering een hogere waarde vertegenwoordigt die uitgaat boven de competentiegrens van de kantonrechter.

De kantonrechter volgt dit standpunt van [partij X ] niet. Tussen partijen is onbetwist dat de waarde van de betreffende strook grond de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter van € 5.000,00 niet te boven gaat.

Deze geobjectiveerde waarde is bepalend voor de vraag of het belang van de vordering van de gemeente binnen de bevoegdheidsgrenzen van de kantonrechter is gelegen.

De waarde van een achterliggend belang, zoals dat van [partij X ] gelegen in de strategie die hem voor ogen staat om door het hebben van de eigendom van de strook te kunnen tegenhouden dat de starterswoningen kunnen worden gebouwd en zijn uitzicht daardoor wordt belemmerd, is een voor [partij X ] geldende subjectieve waarde, die niet bepalend kan zijn voor het antwoord op de bevoegdheidsvraag.

Nu de objectieve waarde van de vordering valt binnen de grenzen van de bevoegdheid van de kantonrechter, acht de kantonrechter zich bevoegd daarover te oordelen.

5.1. Vervolgens heeft [partij X ] gesteld dat het onderhavige geschil zich niet leent voor behandeling in een voorlopige voorziening omdat een toewijzend vonnis tot onomkeerbare gevolgen leidt en de zaak zodanig complex is, dat beoordeling in kort geding feitelijk niet mogelijk is.

5.2. De gemeente heeft gesteld niet gebaat te zijn bij een langlopende procedure vanwege het oplopen van de schade voor de gemeente en [Z].

6. De kantonrechter is met [partij X ] van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geschil, deze zaak zich niet leent voor afdoening binnen de procedure van een voorlopige voorziening. Daartoe wordt het navolgende overwogen:

6.1. Uit de stellingen van partijen is duidelijk dat de gemeente bij toewijzing van de onderhavige vordering voort zal gaan op de weg die zal leiden tot verkoop van de strook grond aan [Z] opdat op de strook vier woningen gebouwd zullen gaan worden. Het gevolg daarvan zal dan zijn dat [partij X ] feitelijk niet meer in de mogelijkheid zal zijn om te bereiken dat de grond aan hem in eigendom wordt geleverd, zoals in de aanhangig gemaakte bodemprocedure wordt gevorderd.

6.2. De kantonrechter kan niet uitsluiten en acht het ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat in de bodemprocedure zal worden uitgemaakt dat de gemeente de strook grond aan [partij X ] in eigendom moet leveren.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen doordat zijdens de gemeente op basis van een voorstel van Burgemeester en Wethouders door de gemeenteraad is besloten om de verkoopovereenkomst aan [partij X ] aan te bieden, welk aanbod door [partij X ] is aanvaard, welke aanvaarding is belichaamd in de ondertekening door [partij X ] van de overeenkomst. Dat het er daarna niet van gekomen is dat de overeenkomst ook nog door de Burgemeester werd ondertekend maakt dat niet anders.

6.3. De vraag of de vordering van [partij X ] tot nakoming van de overeenkomst al dan niet is verjaard kan voorshands door de kantonrechter niet worden beantwoord. Als de verjaring al is gaan lopen (ook hierover verschillen partijen van standpunt), dan zou de vraag of deze wellicht is gestuit door daden van erkenning van de gemeente als bedoeld in artikel 3: 318 van het Burgerlijk Wetboek bevestigend beantwoord kunnen worden nu zijdens de gemeente bij de mondelinge behandeling is verklaard dat het feitelijk in gebruik nemen van de strook grond door [partij X ] door de gemeente steeds is gedoogd met het oog op de uitvoering van de overeenkomst, hetgeen niet anders kan worden verstaan dan dat de strook grond nog aan [partij X ] geleverd moest gaan worden.

6.3 Samengevat zou toewijzing van de vordering van de gemeente dus een naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter reële mogelijkheid dat in een bodemprocedure wordt uitgemaakt dat [partij X ] de eigendom van de betreffende strook grond geleverd moet krijgen min of meer onherroepelijk frustreren. Onder zo'n omstandigheid dient toewijzing van een vordering als de onderhavige bij wijze van een voorlopige voorziening achterwege te blijven, tenzij er sprake zou zijn van zodanige dringende belangen van de gemeente dat het belang van [partij X ] om geleverd te krijgen wat in zijn standpunt ingevolge een gesloten overeenkomst aan hem geleverd moet worden daarvoor zou moeten wijken.

Van feiten en/of omstandigheden waaruit een zo dringend belang aan de zijde van de gemeente volgt is niet gebleken. De gemeente heeft slechts gewezen op het maatschappelijk belang van het creëren van starterswoningen en het voorkomen van schade die geleden zou worden als dit niet kan plaats vinden, maar verdere onderbouwing van de stelling is niet gegeven. De situatie is blijkens de stellingen van de gemeente zo dat [Z] een bouwvergunning aanvraag heeft ingediend, dat deze aanvraag strijdig is met het geldend bestemmingsplan, dat de gemeente vrijstelling zou willen verlenen.

Het lijkt er dus op dat afwijzing van de onderhavige vordering niet meer te weeg brengt dan dat voorlopig de gevraagde bouwvergunning nog niet kan worden verleend, hetgeen strookt met het geldende bestemmingsplan. Niet valt in te zien dat de gemeente of de maatschappij daardoor ernstige schade zou lijden.

7. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde voorziening van de gemeente dient te worden geweigerd.

8. De gemeente dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorziening;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [partij X ] tot op heden worden begroot op € 200,00, wegens salaris van de gemachtigde van [partij X ].

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 december 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.