Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BL8494

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
22-03-2010
Zaaknummer
12/708545-08 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is als bestuurder van een motorrijtuig verwijtbaar schuldig aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij lichamelijk letsel aan zijn passagier werd toegebracht.

Overtreding artikel 6, Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/708545-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 december 2009

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte],

geboren op [1968],

wonende te [adres],

raadsman mr. Van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 november 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

hij op of omstreeks 14 mei 2008 te Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Delingsdijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij erg vermoeid was te blijven rijden en/of in slaap te vallen en/of op de

weghelft voor het tegemoetkomend verkeer te geraken en aldaar in aanrijding, althans in botsing, te komen met een hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel,

te weten wondjes in het gelaat (met blijvend littekenweefsel) en/of gebitsschade (renovatie nodig waaronder stifttanden en dragen gebitsbeugel), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 14 mei 2008 te Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Delingsdijk, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

art 3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vaststaande feiten

Op 14 mei 2008 omstreeks 16.58 uur heeft op de buiten de bebouwde kom gelegen Delingsdijk te Brouwershaven een frontale botsing plaatsgevonden tussen een personenauto en een vrachtauto . De Delingsdijk is een verharde verbindingsweg tussen Serooskerke en Brouwershaven en bestaat uit twee rijbanen, te weten één voor het verkeer in de richting Serooskerke en één voor het verkeer in de richting van Brouwershaven. De rijbanen zijn van elkaar gescheiden door middel van een dubbele onderbroken middenaslijn. Verdachte reed in zijn personenauto over deze weg in de richting van Brouwershaven. Hij is in een flauwe bocht op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen en aldaar in botsing gekomen met een vrachtauto die in de richting van Serooskerke reed . Als gevolg van deze botsing hebben verdachte en zijn passagier [slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen .

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van getuige [slachtoffer] dat verdachte zat te knikkebollen achter het stuur, de verklaring van getuige [getuige 1] dat de auto voor hem niet de bocht nam, maar rechtdoor reed en nog iets naar links stuurde, de verklaring van verdachte dat hij weinig had geslapen, en de informatie van de ggd en het aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt dat het herstel van [slachtoffer] meer dan zes maanden heeft geduurd.

Naar aanleiding van het pleidooi van de raadsman heeft de officier van justitie bij repliek nog opgemerkt dat de Salduz-problematiek zich hier niet voordoet, nu onderhavige zaak reeds een jaar geleden heeft gespeeld. Het Salduz-arrest ziet volgens hem alleen op recente zaken. De verklaring van verdachte bij de politie kan dan ook worden meegenomen voor het bewijs.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het feit dat niet bewezen kan worden dat verdachte is blijven rijden terwijl hij erg vermoeid was en/of in slaap is gevallen. Verdachte kan ook een flauwte hebben gehad. Dat hij met zijn auto op de linkerweghelft terecht is gekomen kan ook een andere - technische of van buitenaf komende - oorzaak hebben. De verdediging wijst er verder op dat verdachte zes weken na het ongeval is gehoord, terwijl hij volkomen gedesoriënteerd was. Hij was toen juist uit het ziekenhuis ontslagen en stond aan het begin van een langdurige revalidatie. Daar kwam nog bij dat hij zijn baan kwijt was en in een nieuwe omgeving/woning verkeerde. Verdachte is toen niet meegedeeld dat hij voorafgaand aan of tijdens het verhoor recht had op bijstand van een advocaat.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat - indien slaap en vermoeidheid wel een rol spelen - verdachte in opdracht van zijn werkgever diens stiefzoon, [slachtoffer], onder werktijd heeft opgehaald. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad is in dat geval de werkgever civielrechtelijk aansprakelijk op het moment dat de werknemer iets overkomt. De vraag die bij de verdediging rijst is of de werkgever ook niet op ander juridisch gebied aansprakelijk dan wel verantwoordelijk is.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De passagier van verdachte, [slachtoffer], heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat verdachte met zijn auto in de naast de weg gelegen berm geraakte. [slachtoffer] kreeg daarbij de indruk dat verdachte slaap had en ook daadwerkelijk in slaap zou vallen. Enige tijd later, zij reden toen op de Delingsdijk, zag [slachtoffer] dat verdachte zat te knikkebollen. Zijn hoofd zakte telkens naar beneden. Hij heeft hem toen een por gegeven. Net na de rotonde op de Delingsdijk reed verdachte naar de linkerkant van de weg, terwijl hen een vrachtauto tegemoet kwam. [slachtoffer] heeft getracht een frontale botsing te voorkomen door het stuur naar rechts te trekken, maar zij kwamen toch in botsing met de vrachtauto.

Getuige [getuige 1] reed in zijn personenauto over de Delingsdijk achter de auto van verdachte op een afstand van ongeveer 10 tot 20 meter. Hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte in een flauwe bocht naar rechts niet instuurde, maar gewoon rechtdoor reed en mogelijk zelfs nog iets naar links stuurde, waardoor hij op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terecht kwam. Op dat moment naderde vanuit de tegenovergestelde richting een vrachtwagen. Hoewel de bestuurder daarvan heeft geprobeerd de auto van verdachte te ontwijken door in de berm te gaan rijden, heeft er toch een frontale botsing plaatsgevonden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 mei 2008 vermoeid was, omdat hij het weekend daarvoor lange dagen had gemaakt op zijn werk. Daarnaast scheen die dag de zon en was het warm in de auto.

Gelet op vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte vermoeid was, dat hij kort vóór de botsing in slaap is gevallen en dat hij daardoor op de verkeerde weghelft is geraakt. Nu de rechtbank de verklaring van verdachte bij de politie niet gebruikt als bewijsmiddel, zal zij het verweer van de raadsman inhoudende dat verdachte bij zijn eerste verhoor door de politie er niet op is gewezen dat hij recht heeft op bijstand van een raadsman, hier verder niet bespreken.

De rechtbank overweegt dat de verdediging de opmerking dat niet valt uit te sluiten dat verdachte ten tijde van het ongeval een flauwte heeft gehad, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Op de enkele theoretische mogelijkheid dat verdachte een flauwte heeft gehad zal de rechtbank dan ook niet verder ingaan. Voor de stelling van de raadsman dat er ook een andere oorzaak kan zijn dat verdachte op de linkerweghelft terecht is gekomen heeft de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen gevonden. Integendeel, de bij de botsing betrokken voertuigen zijn aan een grondig technisch onderzoek onderworpen en daaruit is gebleken dat beide voertuigen geen gebreken vertoonden die van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval . Daarnaast heeft ook geen van de getuigen verklaard over een van buitenaf komende oorzaak. Van enige andere omstandigheid die bijgedragen kan hebben aan het ongeval is evenmin gebleken.

Verdachte heeft, terwijl hij oververmoeid was, er voor gekozen om toch als bestuurder met zijn personenauto te gaan rijden. Door zo te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Genoemde gedragingen leiden tot schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verdachte handelde in opdracht van zijn werkgever en dat het ongeval heeft plaatsgevonden onder werktijd doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de schuld van verdachte. Zij merkt daarbij op dat verdachte ervoor had kunnen kiezen om niet te gaan rijden.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [slachtoffer] als gevolg van het ongeval glasverwondingen in zijn gezicht, schade aan zijn gebit en enkele kneuzingen heeft opgelopen, waarvan de genezing wordt geschat op ongeveer enkele weken . Daarnaast heeft [slachtoffer] op 25 juli 2009 verklaard dat hij nog steeds last heeft van zijn rug en nek. Uit diezelfde verklaring volgt dat hij daarvoor wekelijks de fysiotherapeut bezoekt. De littekens in zijn gezicht zijn over het algemeen netjes geheeld. Zijn gebit is gerenoveerd, hij heeft diverse stifttanden gekregen en hij draagt nog altijd een gebitsbeugel. Dit herstel zal in totaal twee jaar gaan duren . Gelet op de aard en duur van bovenomschreven letsel concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 14 mei 2008 te Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Delingsdijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, terwijl hij erg vermoeid was te blijven rijden en in slaap te vallen en op de weghelft voor het tegemoetkomend verkeer te geraken en aldaar in botsing, te komen met een hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft voorts bepleit aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen voor het subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft zelf de meest ernstige gevolgen ondervonden ten gevolge van de botsing. Daarnaast moet hij leven met een schuldgevoel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft, als verkeersdeelnemer, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte had in de periode voor het ongeluk lange dagen gemaakt op zijn werk en had daardoor een ernstig slaaptekort. Hij is echter, ondanks dat hij vermoeid was, toch op verzoek van zijn werkgever om diens stiefzoon gereden met zijn auto. Op de terugweg is hij ingeslapen en als gevolg daarvan op de verkeerde weghelft terechtgekomen. Daar is hij vervolgens frontaal in botsing gekomen met een tegenligger. Dat zijn passagier of hijzelf niet de dood hebben gevonden of ernstiger gewond zijn geraakt mag een wonder heten.

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt in het bijzonder het belang van de lichamelijke gezondheid en integriteit van verkeersdeelnemers. Dit beschermde belang weegt zwaar. Verder beschermt voormeld artikel - in algemenere zin - de verkeersveiligheid. Het maatschappelijk belang van de verkeersveiligheid is zeer groot. Een ieder neemt - zij het niet met dezelfde intensiteit - deel aan het verkeer. Een ieder heeft dus direct belang bij verkeersveilig gedrag van de medeweggebruikers. Alle verkeersdeelnemers moeten er op kunnen vertrouwen dat de overige weggebruikers zich aan de zorgvuldigheidsnormen houden. Verdachte heeft door zijn onverantwoordelijke gedrag dit belang geschonden.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het door de reclassering uitgebrachte rapport betreffende verdachte d.d. 15 september 2009. Hieruit blijkt dat verdachte heel erg geschrokken is van het ongeluk en de gevolgen daarvan. De reclassering schat de kans op recidive laag in. Zij acht een verplicht reclasseringstoezicht niet geïndiceerd. Voorts merkt zij nog op dat een rijontzegging nadelige gevolgen zal hebben voor het behoud van zijn werk als supermarktmedewerker bij de Roompot.

De rechtbank heeft wel, gelet op de houding van verdachte ter terechtzitting, de indruk dat verdachte niet ten volle beseft wat hij heeft aangericht. Hij ziet zichzelf als slachtoffer en niet [slachtoffer], omdat die in zijn ogen slechts gering letsel heeft opgelopen.

De rechtbank ziet voorts reden om in de bestraffing met de persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening te houden, aangezien verdachte ten gevolge van het ongeval zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen, dat hij daar nog elke dag mee wordt geconfronteerd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een geldboete van € 500,00 een passende sanctie is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid dient te volgen. Zij zal deze echter geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat verdachte het jaar na de aanrijding geen motorrijtuigen heeft bestuurd, omdat hij dit niet wilde en ook niet durfde. Daarna heeft hij eerst een aantal rijlessen genomen, alvorens hij zich weer als bestuurder van een motorrijtuig op de weg heeft begeven.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meeuwis, voorzitter, mr. Steenbeek en mr. Van Aardenne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 december 2009.

Mr. Van Aardenne is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.