Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BL4507

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
187845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding ontruiming gehuurde door drugsoverlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

zaak/rolnr.: 187845 / 09-1330 blad 2

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Terneuzen

zaak/rolnr.: 187845 / 09-1330

vonnis van de kantonrechter d.d. 18 november 2009

inzake

de stichting

Stichting Woongoed Zeeuws-Vlaanderen,

gevestigd te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: Woongoed,

gemachtigde: mr. E. Baecke,

t e g e n :

[X],

wonende te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen: [partij X],

gemachtigde: mr. H. Klein Hesselink.

het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 16 september 2009 is de procedure als volgt verlopen:

- verschijning van partijen, gehouden op 7 oktober 2009.

de verdere beoordeling van de zaak

1. [Partij X] huurt sinds [eind] 1994 van Woongoed de woning aan de [adres]. Woongoed heeft de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning gevorderd met nevenvorderingen. De vorderingen zijn gegrond op artikel 7.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden ( het gehuurde niet gebruiken en onderhouden zoals een goed huurder betaamt en artikel 7.5 van de toepasselijke algemene voorwaarden ( ernstige drugsgerelateerde omwonendenoverlast.) Woongoed stelt dat [partij X] en [Y], haar inwonende partner, vanaf september 2008 t/m april 2009 vanuit het gehuurde in drugs hebben gehandeld waardoor grote overlast veroorzaakt is voor omwonenden. Woongoed heeft een proces-verbaal van politie van [maart] 2009 in het geding gebracht.

2.1 [Partij X] betwist bij antwoord dat zij vanuit haar woning gehandeld heeft in verdovende middelen en dat zij overlast aan andere huurders van Woongoed heeft veroorzaakt. Zij betwist verder dat [Y] haar partner is, maar erkent dat deze in haar woning heeft gewoond.

2.2 [Partij X] maakt bezwaar tegen het gebruik maken van het door de politie aan Woongoed verstrekte proces-verbaal als bewijsmiddel in deze procedure aangezien de afgifte van het politierapport door de politie onrechtmatig is, althans niet toelaatbaar moet worden geacht. Afgifte van het politierapport door de politie is volgens haar in strijd is met artikel 8 EVRM, met de Wet op de politiegegevens, met de Wet bescherming persoonsgegevens en met de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

2.3 Indien Woongoed haar stellingen kan onderbouwen met rechtmatig verkregen bewijs stelt [partij X] dat zij niets te maken heeft met eventueel handelen in verdovende middelen vanuit haar woning door haar huisgenoot [Y] en dat het haar niet bekend is dat er vanuit haar woning door hem is gehandeld in harddrugs.

2.4 Voor zover [Y] zich wel schuldig heeft gemaakt aan deze handel stelt [partij X] zich op het standpunt dat zij noch psychisch noch fysiek in staat was op te treden tegen [Y]. Van deze stelling biedt [partij X] bewijs aan.

3.1 Tijdens de gehouden verschijning van partijen heeft Woongoed haar vorderingen nader onderbouwd. Zij heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van grootschalige drugshandel door [partij X] en haar partner, die gepaard ging met veel overlast. Een klachtendossier is niet samengesteld omdat de omwonenden bang waren. Zij heeft hen daarom doorgestuurd naar de politie voor het afleggen van verklaringen. Ondanks dat er nu geen klachten meer zijn heeft Woongoed toewijzing van het gevorderde verzocht. Zij heeft aangevoerd dat [partij X] reeds eerder schriftelijk gewaarschuwd is dat er een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden gevoerd bij overlast door of handel in drugs, nadat er in haar tuin een hennepplant door de politie is aangetroffen.

3.2 [Partij X] is tijdens de verschijning van partijen bij haar ingenomen standpunt gebleven dat zij niet gezien heeft dat [Y] gedeald heeft, maar zij stelt dat zij [Y] hier niet van kon weerhouden omdat zij mishandeld werd en psychisch niet tegen hem opgewassen was. Na zijn veroordeling voor handel in drugs, die geleid heeft tot een gevangenisstraf tot begin 2010, heeft zij hem uit de woning gezet en hem bij de gemeente uitgeschreven. Zij heeft verder meegedeeld dat aan haar wegens het mede plegen van de handel in drugs een werkstraf van 100 uur is opgelegd en dat zij tegen dit vonnis nog geen hoger beroep heeft aangetekend. Zij heeft erkend dat de politie een hennepplant in haar tuin heeft aangetroffen en dat zij door Woongoed een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen voor de gevolgen hiervan bij een eventuele herhaling.

4.1 De kantonrechter is van oordeel dat de inhoud van het door Woongoed in de procedure ingebrachte proces-verbaal als bewijsmateriaal toelaatbaar is. Het is aan de politie om te bepalen of zij rechtmatig, dat wil zeggen volgens de Wet Politiegegevens, aan Woongoed gegevens kan verstrekken. Woongoed heeft de regels van deze wet niet geschonden en zich ook niet schuldig gemaakt aan enige ten opzichte van [partij X] onrechtmatige bewijsgaring. Het feitelijke relaas in het proces-verbaal is niet inhoudelijk bestreden. De kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan.

4.2 In de door [partij X] op 27 april 2009 tegenover de verbalisanten [A en B] afgelegde verklaring is door haar ondermeer verklaard:

“ Ik ben niet getrouwd met [Y] maar wij wonen al jaren samen.”

“ Het geld van [Y] gaat naar Budget Support en daarvan krijgen wij € 50,-- euro in de week. Daarvan moeten wij leven.”

4.3 In de door [partij X] op 27 april 2009 tegenover de verbalisanten [A en B] afgelegde verklaring is door haar ondermeer verklaard:

“ Hun hebben wel eens voor 20 euro coke gekocht van [Y] als hij wat over had om te verkopen.”

“ [Y] had toen net nieuwe coke gehaald en ik moest van hem [Z] bellen.”

“ Ik heb inderdaad de opdracht gekregen om alleen coke mee te geven als er betaald werd.”

4.4 In de op 8 april 2009 door [Y] tegenover de verbalisanten [C en D] afgelegde verklaring is door hem ondermeer verklaard:

“De afspraak was 200 gram cocaïne dat hij zou bezorgen. Ik verdien er een ( 1 ) eur per gram mee wat er gekocht wordt”

“Hij heeft mij aangeboden om cocaïne te leveren. Ik ben iemand gaan zoeken die cocaïne kon afnemen. [Q] is ergens vorige week langs geweest en vertelde dat hij 200 gram kon kopen en [Q] wilde wel van hem afnemen. Ik heb tegen de man uit [woonplaats] verteld dat hij kon komen met de coke.

4.5 In de door [R] op 8 april 2009 tegenover de verbalisanten [A en E] afgelegde verklaring is door hem ondermeer verklaard:

“Ik heb wel eens cocaïne gekocht bij [Y] en [partij X]”.

4.6 In de door [P] op 16 april tegenover de verbalisant [F] afgelegde verklaring staat ondermeer:

“Ik denk dat ik sinds vorig jaar dus heel af en toe wel eens een klein beetje cocaïne voor eigen gebruik bij [Y] in [adres] haal. Ik betaalde bij [Y] € 50,-- voor een gram--”.

5.1. [Partij X] heeft tegenover de politie verklaard dat zij al geruime tijd met [Y] samenwoonde. Hij was niet slechts een huisgenoot, zoals in deze procedure gesteld. Het is geenszins uit te sluiten dat [partij X] [Y] weer in haar woning toelaat indien hij de gevangenisstraf heeft uitgezeten met de geenszins denkbeeldige kans dat de lucratieve handel in hard drugs weer wordt hervat vanuit de woning. Wat hiervan ook zij, [partij X] is ex artikel 7:219 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de gedragingen van [Y], en wel op gelijke wijze als voor haar eigen gedragingen. [Partij X] heeft gesteld dat zij noch psychisch, noch fysiek in staat was op te treden tegen [Y]. Dat is wellicht waar, maar dat moet wel voor rekening van [partij X] blijven, aangezien dat niet in de invloedsfeer ligt van Woongoed. Het door [partij X] gedane bewijsaanbod wordt dan ook gepasseerd.

5.2. Op grond van de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaringen en hetgeen [partij X] tijdens de verschijning van partijen heeft verklaard is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [Y] vanuit de door [partij X] gehuurde woning in harddrugs heeft gehandeld en dat [partij X] hieraan tenminste medeplichtig is geweest. [Partij X] heeft aldus gehandeld in strijd met de toepasselijke algemene voorwaarden van de tussen partijen geldende huurovereenkomst, hoewel zij op het punt van drugs door Woongoed schriftelijk was gewaarschuwd. Voorts is zij aansprakelijk voor het dealen van [Y] vanuit de woning, die daar met haar toestemming woonde. Zowel het eigen handelen van [partij X] als ook het handelen van [Y] leveren een zodanig handelen in strijd met de bepalingen van de huurovereenkomst op dat toewijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met nevenvorderingen gerechtvaardigd is. Handel in hard drugs is een ernstig misdrijf en behoeft Woongoed niet te gedogen in de door haar verhuurde woningen, noch afgezien daarvan of daardoor overlast wordt veroorzaakt. Van bijzondere omstandig-heden die het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat Woonstichting de huurovereenkomst doet eindigen, is niet gebleken. Het belang dat [partij X] heeft bij het behoud van de woonruimte weegt niet op tegen het belang van Woongoed.

6. [Partij X] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt heden de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de woning aan de [adres];

veroordeelt [partij X] om het gehuurde binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis die is voorgeschreven bij art. 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder te noemen Rv.), te verlaten en te ontruimen met al de haren en het hare en door overgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woongoed te stellen;

en voor het geval niet tijdig en volledig aan deze veroordeling tot ontruiming wordt voldaan:

machtigt de deurwaarder die in opdracht van Woongoed dit vonnis uitvoert om die ontruiming zonodig zelf te bewerkstelligen, mits die gedwongen ontruiming tijdig is aangezegd, zoals is voorgeschreven bij art. 555 Rv.;

en voor het geval tevens de deuren gesloten zijn of de opening wordt geweigerd:

machtigt de deurwaarder tevens om binnen te treden met behulp van de sterke arm van politie en justitie, doch uitsluitend op de wijze als geregeld in art. 444 Rv.;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [partij X] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van Woongoed tot op heden worden begroot op € 682,98, waaronder begrepen een bedrag van € 300,-- wegens salaris van de gemachtigde van Woongoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.