Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BL1001

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
66453 / HA ZA 09-68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[eiser] vordert – samengevat - hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot herstel van hetgeen zij vreest in de toekomst mis te lopen aan lijfrente, hetzij in de vorm van schadevergoeding (nader op te maken bij staat), hetzij in de vorm van nakoming, eventueel gecombineerd met een veroordeling tot het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn om een zodanige nakoming mogelijk te maken. Voorts vordert zij dat gedaagden – met het oog op de vaststelling van de omvang en de oorzaak van bedoelde (dreigende) lijfrenteschade – zullen worden veroordeeld mee te werken aan het verkrijgen – en het door een door de rechtbank te benoemen deskundige laten beoordelen – van de volledige jaarstukken van de vennootschap over de jaren 1997 tot en met 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

66453 / HA ZA 09-6826 augustus 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66453 / HA ZA 09-68

Vonnis van 26 augustus 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Uden,

eiseres,

advocaat: mr. C.C.J. Aarts te Uden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Rilland,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Rilland,

gedaagden,

advocaat: mr. H. van Es te Goes.

De eisende partij zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen ook als de vennootschap en [gedaagde] worden aangeduid.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 8 april 2009

het proces-verbaal van comparitie van 13 juli 2009.

De feiten

[eiser] en [gedaagde] zijn gehuwd geweest. Aan dat huwelijk is per 23 december 1998 door echtscheiding een einde gekomen.

2.2. Ten tijde van het huwelijk tussen [eiser] en [gedaagde] was laatstgenoemde werkzaam voor Thyssen Nederland BV. Die arbeidsovereenkomst is in maart 2007 door de kantonrechter ontbonden, onder toekenning aan [gedaagde] van een ontbindingsvergoeding van fl. 195.000,-- (€ 88.487,14). Die vergoeding is door [gedaagde] als lijfrentevoorziening ondergebracht bij de door [gedaagde] opgerichte vennootschap (gedaagde sub.1). [gedaagde] is enig aandeelhouder/bestuurder van de vennootschap .

[eiser] en [gedaagde] hebben bij de rechtbank te ’s-Hertogenbosch

geprocedeerd over de verdeling van de gemeenschap van goederen die tussen hen heeft bestaan. Dat heeft geresulteerd in het vonnis van die rechtbank van 18 oktober 2006. Bij dat vonnis heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat voormelde ontbindingsvergoeding deel uitmaakte van de gemeenschap en dat de lijfrentestorting daarom geacht werd te zijn gefinancierd uit gemeenschapsgelden. Aanvankelijk heeft [eiser] in deze procedure aanspraak gemaakt op 50% van de aandelen in de vennootschap. Uiteindelijk heeft zij die eis ingetrokken en ermee ingestemd dat die aandelen volledig – en zonder enige vorm van verrekening – aan [gedaagde] zouden worden toebedeeld. [eiser] heeft op dat moment wel aanspraak gemaakt op 50% van de te zijner tijd door [gedaagde] te ontvangen lijfrenteuitkeringen. De rechtbank heeft daarop bepaald dat, in weerwil van het verweer van [gedaagde] tegen dat onderdeel van de vordering van [eiser], de toekomstige uitkeringen uit die lijfrenteovereenkomst, die vanaf 1 december 2011 kunnen worden verwacht, gelijkelijk tussen [eiser] en [gedaagde] moeten worden verdeeld. De vordering van [eiser] tot het opleggen van een dwangsom ingeval van niet-naleving van deze verdeling, werd afgewezen.

Het Gerechtshof in Den Bosch heeft bij haar arrest van 13 mei 2008 het vonnis van

de rechtbank bekrachtigd.

Uit de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde ‘vennootschappelijke

jaarrekening over 2006’ blijkt dat de vennootschap per 31 december 2006 een negatief eigen vermogen had van € 96.721,--. Uitgaande van die financiële positie van de vennootschap zal zij in december 2011 niet aan haar uit de lijfrenteovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kunnen voldoen.

Het geschil

[eiser] vordert – samengevat - hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot herstel van hetgeen zij vreest in de toekomst mis te lopen aan lijfrente, hetzij in de vorm van schadevergoeding (nader op te maken bij staat), hetzij in de vorm van nakoming, eventueel gecombineerd met een veroordeling tot het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn om een zodanige nakoming mogelijk te maken. Voorts vordert zij dat gedaagden – met het oog op de vaststelling van de omvang en de oorzaak van bedoelde (dreigende) lijfrenteschade – zullen worden veroordeeld mee te werken aan het verkrijgen – en het door een door de rechtbank te benoemen deskundige laten beoordelen – van de volledige jaarstukken van de vennootschap over de jaren 1997 tot en met 2008.

3.2. [eiser] grondt haar vordering op de stelling dat [gedaagde] als enig aandeel-houder en als enig bestuurder van de vennootschap wanbeheer heeft gepleegd door de in 1997 gestorte ontbindingsvergoeding niet op een zodanige manier in zijn vennootschap onder te brengen dat die vennootschap op de einddatum van de lijfrenteovereenkomst aan haar verplichtingen – ook jegens [eiser] – zal kunnen voldoen. Met name had [gedaagde] voor een behoorlijke herverzekering kunnen en behoren zorg te dragen. Door dat niet te doen maar door (kennelijk) onverantwoorde opnames uit de vennootschap te doen, terwijl die vennootschap ook jegens [eiser] verplichtingen heeft, is [gedaagde] ook persoonlijk als bestuurder aansprakelijk voor de (pensioen)schade die [eiser] als gevolg daarvan lijdt.

3.3. Gedaagden betwisten de vorderingen. Zij stellen in de eerste plaats dat [eiser] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat de lijfrentetermijnen nog niet opeisbaar zijn. Er is in hun visie op dit moment ook geen enkele noodzaak tot het ter hand stellen van de gevraagde jaarstukken of voor benoeming van een deskundige. In dat verband wijzen zij erop dat de vennootschap op correcte wijze heeft voldaan aan haar publicatieverplichtingen. Veroordeling voor een toekomstige vordering en/of veroordeling voor een schade, die nog niet bekend is en die zich misschien in de toekomst zou kunnen voordoen, is niet mogelijk. Of de vennootschap te zijner tijd aan haar verplichtingen kan voldoen, zal dan blijken. De huidige, slechte financiële positie van de vennootschap is niet veroorzaakt door wanbeheer of wanbeleid, maar door economische omstandigheden. [eiser] is daarvan ook op de hoogte. Bestuurdersaansprakelijkheid is niet aan de orde. Tot slot stellen gedaagden dat er – zo er al een veroordeling zou kunnen volgen – geen juridische basis is voor een hoofdelijke veroordeling.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] weliswaar een vordering heeft op [gedaagde] ter zake van lijfrenteuitkeringen, maar dat die vordering een voorwaardelijk karakter heeft. Uit het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2006 blijkt dat die vordering, conform de inhoud van de tussen [gedaagde] en de vennootschap gesloten lijfrenteovereenkomst, eerst opeisbaar wordt op 1 december 2011. Die vordering wordt alleen op een eerder tijdstip opeisbaar indien [gedaagde] en de vennootschap dat overeenkomen of indien [gedaagde] vóór 1 december 2011 mocht komen te overlijden. In dat laatste geval heeft [eiser] op grond van artikel 2 lid 2 van de lijfrenteovereenkomst een eigen, directe aanspraak op de vennootschap.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat pas op 1 december 2011, of eventueel op een eerder moment als hiervoor bedoeld, duidelijk zal zijn of de vordering van [eiser] bestaat en zo ja, of die vordering dan inbaar is. Indien te zijner tijd onverhoopt mocht blijken dat de vordering niet inbaar is, komt aan de orde de vraag of [gedaagde] daar dan in zijn hoedanigheid van bestuurder (hoofdelijk) aansprakelijk voor kan worden gehouden. Dat zou het geval kunnen zijn indien binnen de vennootschap sprake is geweest van wanbeheer en [gedaagde] daarvan als bestuurder een voldoende ernstig verwijt valt te maken.

Gezien de strekking van haar vorderingen, en de motivering daarvan, wil [eiser]

kennelijk vooruitlopen op het onder 4.2. bedoelde (toets)moment en reeds thans door een externe deskundige laten vaststellen dat zij als gevolg van aan gedaagden te verwijten wanbeheer schade zal gaan lijden. Voorts wenst zij dat gedaagden reeds thans worden veroordeeld tot vergoeding van die toekomstige schade, op te maken bij staat.

4.4. De rechtbank acht de vorderingen van [eiser] strikt genomen prematuur. De enkele vrees dat de vennootschap te zijner tijd de verplichtingen uit de lijfrente-overeenkomst niet zal kunnen nakomen, rechtvaardigt de toewijzing op de gestelde rechtsgrond – bestuurdersaansprakelijkheid – niet. In beginsel is het mogelijk dat het tij nog keert en dat de vennootschap haar verplichtingen toch zal kunnen nakomen. In dat verband wijst de rechtbank erop dat [gedaagde] ter zitting heeft medegedeeld dat hij overweegt om, na een aantal jaren van inactiviteit, weer werkzaamheden binnen de vennootschap te gaan verrichten.

4.5. De rechtbank is op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering gehouden de rechtsgronden aan te vullen. In het onderhavige geval is de rechtbank voornemens daartoe over te gaan. Daartoe overweegt zij het navolgende.

4.6. De rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde], in hun hoedanigheid van ex-

echtgenoten van elkaar, wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Die eisen kunnen ook een rol spelen ten opzichte van de vennootschap, in die zin dat zij mede bepalend kunnen zijn voor hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de verhouding tussen de ex-echtgenote van de directeur/grootaandeelhouder (in casu: [eiser]) en de vennootschap meebrengen (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 636).

4.7. Bij vonnis van 18 oktober 2006 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch bepaald dat

de uitkeringen uit de tussen de vennootschap en [gedaagde] gesloten lijfrenteovereenkomst, vanaf het moment dat die tot uitkering komen, in gelijke mate tussen [eiser] en [gedaagde] moeten worden verdeeld. In verband met de hierboven bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid, rust op [gedaagde] de verplichting om zich te goeder trouw in te spannen om te bewerkstelligen dat [eiser] te zijner tijd datgene zal ontvangen waarop zij krachtens voormeld vonnis aanspraak heeft. Temeer nu er kennelijk voor is gekozen de uit de lijfrenteovereenkomst voortvloeiende verplichtingen – ook na de echtscheiding – volledig in eigen beheer van de vennootschap te houden en niet zorg te dragen voor afstorting door de vennootschap (van het kapitaal dat nodig is voor het aan [eiser] toekomende deel van de lijfrenteaanspraak) bij een externe verzekeraar, weegt die verplichting van [gedaagde] extra zwaar. [eiser] is immers voor de realisatie van de lijfrente-uitkeringen afhankelijk van het door [gedaagde] gevoerde beleid ten aanzien van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Diezelfde inspanningsverplichting rust naar het oordeel van de rechtbank ook op de vennootschap, nu [gedaagde] binnen die rechtspersoon niet alleen de positie van bestuurder maar ook die van 100% aandeelhouder bekleedt. Materieel bezien is de vennootschap als het ware te vereenzelvigen met [gedaagde].

4.8. Uit hetgeen [eiser] ter toelichting op haar vorderingen naar voren heeft gebracht,

valt af te leiden dat zij gedaagden verwijt niet alles in het werk te hebben gesteld (c.q. te stellen) wat noodzakelijk is om haar aanspraken krachtens de lijfrenteovereenkomst veilig te stellen. Zij verwijt hen immers een zodanig wanbeheer dat gevreesd moet worden dat haar aanspraken uiteindelijk illusoir zullen blijken te zijn. [eiser] verwijt gedaagden dus, naar de rechtbank begrijpt, dat zij niet voldoen aan hun onder 4.7 bedoelde inspannings-verplichting en aldus onrechtmatig handelen jegens haar. Alvorens verder te beslissen zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het voornemen van de rechtbank om de rechtsgronden aan te vullen en om – desgewenst - haar stellingen daarop aan te passen c.q. aan te vullen. Het spreekt voor zich dat daarna gedaagden gelegenheid zullen krijgen om daar desgewenst op te reageren.

4.9. Artikel 22 Rv geeft de rechtbank de bevoegdheid een procespartij op te dragen

bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.

4.10. Ervan uitgaande dat zij inderdaad de rechtsgronden zal aanvullen, zal de rechtbank gedaagden reeds thans op de voet van voormeld artikel opdragen de jaarstukken van de vennootschap over de jaren 1997 tot en met 2008 over te leggen. Zij acht kennisneming van die stukken noodzakelijk om adequaat te kunnen beoordelen of gedaagden hebben voldaan aan de op hen rustende verplichtingen als bedoeld in overweging 4.7.

Tot heden hebben gedaagden tegenover de stelling van [eiser] dat zij vreest dat haar aanspraak op de helft van de lijfrente-uitkeringen straks illusoir zal blijken te zijn, slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat de vennootschap er op dit moment in financieel opzicht niet rooskleurig voorstaat en dat dit enkel is terug te voeren op de huidige economische omstandigheden. In de gegeven omstandigheden is dat een (nog) ontoereikend onderbouwd verweer. De door de vennootschap gepubliceerde cijfers roepen immers de nodige vragen op, bijvoorbeeld ten aanzien van de oorzaak van het feit dat het eigen vermogen van de vennootschap in relatief korte tijd fors is afgenomen terwijl de activiteiten binnen de vennootschap al enkele jaren stil liggen en niet duidelijk is welke kosten daarna nog zijn gemaakt.

4.11. De rechtbank overweegt in verband met het vorenstaande – ten overvloede – nog het volgende. De vorderingen van [eiser] kunnen ook aldus worden gelezen, dat daarin besloten ligt een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding ex artikel 223 Rv, inhoudende dat gedaagden door middel van het ter beschikking stellen van de volledige jaarstukken over de jaren 1997 tot en met 2008 en door het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een deskundige, haar in staat stellen te beoordelen of haar vrees, dat het voor de lijfrente bestemde vermogen als gevolg van wanbeheer verloren is gegaan, al dan niet gegrond is. Een zodanige vordering zou voldoende samenhang hebben met de hoofdvordering – de veroordeling van gedaagden tot reparatie van de voorzienbare lijfrenteschade – terwijl [eiser] daarbij naar voorshands moet worden aangenomen ook een voldoende spoedeisend belang heeft omdat zij die jaarstukken, die in het bezit zijn van gedaagden, nodig heeft om de (aangevulde) rechtsgrond van haar vordering – het (vermeend) onrechtmatige handelen van gedaagden – te onderbouwen. Een dergelijke voorlopige voorziening zou – behoudens indien gedaagden aannemelijk weten te maken dat [eiser] daarbij geen (spoedeisend) belang heeft – een goede kans van slagen hebben. Ook via die lijn zouden gedaagden dan gehouden zijn de jaarstukken in het geding te brengen.

4.12. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 23 september 2009 teneinde

gedaagden in de gelegenheid te stellen bedoelde jaarstukken van de vennootschap over te leggen. Daarna zal [eiser] gelegenheid hebben zich schriftelijk uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de rechtsgronden aan te vullen en om desgewenst haar stellingen daarop aan te passen c.q. aan te vullen. Zij kan daarbij dan tevens reageren op de inhoud van de jaarstukken. Tot slot zal aan gedaagden gelegenheid worden geboden om een schriftelijke slotreactie te geven.

Indien gedaagden zich op het standpunt stellen dat er gewichtige redenen zijn om de jaarstukken niet over te leggen, kunnen zij dat bij hun op 23 september 2009 te nemen akte toelichten. [eiser] kan dan bij de door haar te nemen schriftelijke reactie op die argumenten reageren.

Tot slot wijst de rechtbank gedaagden er nog op dat artikel 22 Rv bepaalt dat, ingeval zij weigeren de jaarstukken in het geding te brengen, de rechtbank zal moeten beoordelen of de argumenten voor die weigering een gewichtige reden opleveren. Indien dat niet het geval is, kan de rechtbank uit die weigering de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

De beslissing

De rechtbank

deelt partijen mede voornemens te zijn de rechtsgronden aan te vullen als hiervoor overwogen;

draagt gedaagden op de voet van artikel 22 Rv op om bij akte ter rolle van 23 september 2009 de jaarstukken van de vennootschap over de jaren 1997 tot en met 2008 over te leggen;

stelt [eiser] in de gelegenheid zich daarna – op een nader door de rolrechter te bepalen zittingsdatum - bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de rechtsgronden aan te vullen en om daarbij desgewenst haar stellingen aan te passen c.q. aan te vullen, en om tevens te reageren op de inhoud van de jaarstukken van de vennootschap (dan wel op de door gedaagden gegeven redenen voor weigering om die jaarstukken over te leggen);

stelt gedaagden in de gelegenheid – op een nader door de rolrechter te bepalen zittingsdatum – bij akte een slotreactie te geven;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2009.