Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BL0991

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
64775 / HA ZA 08-478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen de door hem geleden schade begroot op € 19.174,91 te vermeerden met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening,

- subsidiair dat de rechtbank een voorziening treft als in de lijn en strekking van het gevorderde zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt in de kosten van deze procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

64775 / HA ZA 08-4783 juni 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 64775 / HA ZA 08-478

Vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser sub 1],

gevestigd te Sluis,

2. [eiser sub 2],

wonende te Sluis,

3. [eiser sub 3],

wonende te Sluis,

eisers,

advocaat mr. I. de Dobbelaere - Woets te Terneuzen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Rotterdam,

2. de vereniging

[gedaagde sub 2],

gevestigd te Rijswijk,

gedaagden,

advocaat mr. E.H.A. Schute te Serooskerke Walcheren.

Partijen zullen hierna in enkelvoud [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 17 december 2008,

het proces-verbaal van de op 9 maart 2009 gehouden comparitie van partijen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 29 november 2006 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen twee motorrijtuigen. Daarbij waren de volgende personen betrokken:

- De heer [betrokkene 1], bestuurder van de tractor met aanhangwagen,

verzekerde bij [gedaagde];

- De heer [betrokkene 2], bestuurder van de in eigendom aan [eiser] toebehorende Nissan Patrol.

De schade aan het voertuig van [eiser] als gevolg van de aanrijding is vastgesteld op een bedrag van € 14.268,91 exclusief BTW, de kosten van de expertise bedragen € 100,00 inclusief BTW en de kosten van de autohuur bedragen € 4.806,00 exclusief BTW.

Bij brief d.d. 30 november 2006 heeft [eiser], via zijn tussenpersoon, [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de uit de aanrijding voortvloeiende schade.

[eiser] heeft een rechtstreeks vorderingsrecht op [gedaagde], zijnde de verzekeraar van het voertuig van [betrokkene 1].

Het geschil

[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen de door hem geleden schade begroot op € 19.174,91 te vermeerden met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006 tot aan de dag der algehele voldoening,

- subsidiair dat de rechtbank een voorziening treft als in de lijn en strekking van het gevorderde zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Voorts vordert [eiser] dat [gedaagde] veroordeeld wordt in de kosten van deze procedure.

Ter onderbouwing van zijn primaire vordering heeft [eiser] aangevoerd dat [betrokkene 1] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. [betrokkene 1] is de weg opgereden vanuit een uitrit zonder aan de bestuurder van het voertuig van [eiser] voorrang te verlenen. Als gevolg hiervan heeft [eiser] schade geleden ten bedrage van € 19.174,91.

Volgens [eiser] waren beide verkeersdeelnemers op de hoogte van de plaatselijke situatie. Ze wisten dat de dertig meter lange verharde uitrit een uitgang is voor een particulier gebied. Daarnaast is het objectief waarneembaar dat het een uitrit is, omdat de weg uitmondt in een weiland. Voorts is er geen zijwegaanduiding aanwezig.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] heeft betwist dat [betrokkene 1] voorrang diende te verlenen aan de bestuurder van het voertuig van [eiser]. [betrokkene 1] kwam niet uit een uitrit, maar van een normale verharde weg, gelijkwaardig aan de parallelweg. Hij kwam van rechts en had derhalve voorrang.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het niet relevant is of iemand op de hoogte is van de plaatselijke situatie. Het gaat er om wat objectief waarneembaar is en of op grond van de uiterlijke kenmerken van het kruispunt verondersteld mocht worden of er sprake was van een uitrit. Ter hoogte van het kruispunt zijn geen uiterlijke kenmerken aanwezig die erop wijzen dat er sprake is van een uitrit.

Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde expertisekosten (inclusief BTW) heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] de BTW kan verrekenen. De kosten van de expertise bedragen € 84,03 exclusief BTW. De schadepost is volgens [gedaagde] derhalve niet hoger dan dit bedrag. Ter comparitie heeft [eiser] erkend dat uitgegaan dient te worden van de expertisekosten exclusief BTW.

Wat betreft de kosten voor het huren van een auto voor de duur van 89 dagen, heeft [gedaagde] aangevoerd dat het gebruikelijk is dat bij een total loss-situatie twee weken autohuur wordt vergoed. Die periode is lang genoeg om daarin de expertise te realiseren en ook om een nieuw voertuig aan te schaffen. [gedaagde] is ter zake deze schadepost bereid een bedrag van € (4.806,00:89 x 14 =) 756,00 te erkennen, voor het geval vast zou komen te staan dat [betrokkene 1] een verkeersfout heeft begaan.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de subsidiaire vordering, omdat deze zo vaag en onbepaald is dat ze zich daar niet tegen kan verweren.

[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren danwel hem deze te ontzeggen met veroordeling van [eiser] in de kosten van de onderhavige procedure, met inbegrip van de nakosten, zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv voor zover [eiser] niet in der minne aan de eventuele proceskostenveroordeling zou voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het in deze te wijzen eindvonnis.

De beoordeling

Een weggedeelte wordt als uitrit aangemerkt, als zowel degene die uit de uitrit komt als degene die op de weg rijdt waarop de uitrit uitkomt, moet kunnen zien dat het een uitrit betreft. Beiden moeten dat ter plaatse kunnen zien aan borden, breedte, bestrating, doorlopende trottoirs en dergelijke. Een uitrit moet als zodanig duidelijk kenbaar zijn.

Bij het ontbreken van fysieke kenmerken van een uitrit en het ontbreken van een duidelijk kenbare beperkte bestemming is er geen sprake van een uitrit. Het doet er niet toe of partijen op de hoogte waren van de situatie; het gaat er om wat objectief waarneembaar is.

Uit de in het geding gebrachte foto’s valt af te leiden dat de weg waarover [betrokkene 1] reed vanaf de weg waarop [betrokkene 2] reed, vanaf enige meters voor het naderen van het kruispunt van deze twee wegen zichtbaar is. Uit de foto’s valt echter niet af te leiden of het voor bestuurders op de weg waarop [betrokkene 2] reed, direct zichtbaar is waar de weg waarover [betrokkene 1] reed verder heen leidt. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat de beperkte bestemming duidelijk kenbaar was voor alle deelnemers ter plaatse.

Voorts ontbreken naar het oordeel van de rechtbank bij de onderhavige wegconstructie de fysieke kenmerken van een uitrit. Beide wegen zijn geasfalteerd en wijken derhalve wat betreft samenstelling van het wegdek niet duidelijk van elkaar af. Voorts is er geen hoogteverschil tussen de wegen en de uitmonding van de zijweg wijkt in breedte niet veel af van de parallelweg. Ook zijn er geen verkeersborden aanwezig die er op duiden dat de algemene voorrangsregel van artikel 15 Rvv 1990 dat op kruispunten bestuurders voorrang verlenen aan voor hen van rechts komende bestuurders, niet van toepassing is.

De gegeven situatie is derhalve niet zodanig dat voor een ieder duidelijk kenbaar is dat het een uitrit betreft. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een uitrit en was [betrokkene 1] ingevolge artikel 15 Rvv 1990 niet gehouden om [betrokkene 2], bestuurder van de auto van [eiser], voorrang te verlenen. [betrokkene 1] heeft dan ook geen onrechtmatige daad gepleegd door na te laten [betrokkene 2] voorrang te verlenen. De vordering van [eiser] dient derhalve te worden afgewezen.

Subsidiair heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank een voorziening treft als in de lijn en strekking van het gevorderde zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren. De rechtbank is van oordeel dat, nu noch gesteld noch gebleken is welke voorziening [eiser] wenst, het subsidiair gevorderde dient te worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 420,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.324,00

De door [gedaagde] gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op na te melden wijze.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.324,00, met inbegrip van de nakosten volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131,00 zonder betekening en indien en voor zover betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden vermeerderd met een bedrag van € 68,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het wijzen van het vonnis;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op

17 juni 2009.