Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK9828

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
56705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verdere beoordeling

Achmea heeft in haar conclusie na enquête verzocht de beslissing om het door [gedaagde] eerst ter gelegenheid van de comparitie naar voren gebrachte verweer toe te staan te heroverwegen gelet op het bepaalde in artikel 128 lid 3 Rv. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Ingevolge artikel 128 lid 3 Rv dient bij antwoord ten minste enig principaal verweer te worden aangevoerd, bij gebreke waarvan voor gedaagde het recht vervalt om nadien nog principale verweren op te werpen. Nu in casu niet is verzuimd bij antwoord principale verweren aan te voeren, was het gedaagde toegestaan nadien nog een principaal verweer op te werpen, zoals hij heeft gedaan. De rechtbank zal haar beslissing om dat verweer toe te staan dan ook niet heroverwegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

56705 / HA ZA 07-111

9 december 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

56705 / HA ZA 07-1119 december 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 56705 / HA ZA 07-111

Vonnis van 9 december 2009

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN NV,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. J. Schep te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde],

wonende te Axel,

gedaagde,

advocaat mr. M. Harte te Terneuzen.

Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 21 november 2007

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 februari 2008

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 mei 2008

de conclusie na enquête zijdens [gedaagde]

de conclusie na enquête zijdens Achmea.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Achmea heeft in haar conclusie na enquête verzocht de beslissing om het door [gedaagde] eerst ter gelegenheid van de comparitie naar voren gebrachte verweer toe te staan te heroverwegen gelet op het bepaalde in artikel 128 lid 3 Rv. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende. Ingevolge artikel 128 lid 3 Rv dient bij antwoord ten minste enig principaal verweer te worden aangevoerd, bij gebreke waarvan voor gedaagde het recht vervalt om nadien nog principale verweren op te werpen. Nu in casu niet is verzuimd bij antwoord principale verweren aan te voeren, was het gedaagde toegestaan nadien nog een principaal verweer op te werpen, zoals hij heeft gedaan. De rechtbank zal haar beslissing om dat verweer toe te staan dan ook niet heroverwegen.

[gedaagde] is bij voornoemd tussenvonnis toegelaten te bewijzen dat er een overeenkomst tussen hem en Achmea bestaat, die inhoudt dat hij zelf de schade aan zijn eigen auto zou dragen en dat Achmea de schade-uitkeringen aan derden zou verhalen op [belanghebbende]. Hij heeft daartoe [betrokkene 1], zijn vader, en [betrokkene 1], schadebehandelaar bij Achmea, als getuigen doen horen.

Getuige [gedaagde] verklaart dat tijdens twee telefoongesprekken die hij met Achmea heeft gevoerd tegen hem is gezegd dat Achmea de schade aan derden zou vergoeden, dat [gedaagde] de schade van zijn voertuig voor zijn rekening zou nemen en dat Achmea in een later stadium de schade van derden op de bestuurder zou verhalen. Voorts verklaart hij dat hij nooit aanwezig is geweest op het moment dat zijn zoon een telefoongesprek heeft gevoerd met Achmea en dat zijn zoon hem heeft verteld over de afspraak dat Achmea de schade die zij zou vergoeden aan de derden zou verhalen op de bestuurder.

Getuige [betrokkene 1] verklaart dat uit aantekeningen in het dossier blijkt dat op de telefonische vraag van de vader van [gedaagde], door de medewerkster van Achmea, mevrouw Jansen, is geantwoord dat de schade in eerste instantie op de bestuurder zal worden verhaald. Verder verwijst hij naar de inhoud van zijn brieven aan [gedaagde] waarin hij telkens aangeeft [gedaagde] aansprakelijk te houden voor de schade aan derden. Tenslotte stelt getuige [betrokkene 1] dat het hem onlogisch voorkomt dat de afspraak waar [gedaagde] zich op beroept zou zijn gemaakt en, indien dat zo was, deze waarschijnlijk schriftelijk zou zijn bevestigd, aangezien zulks bij Achmea geadviseerd wordt.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen in voornoemd tussenvonnis is overwogen ten aanzien van de aansprakelijkheid van [gedaagde] volgt dat de essentie van de onderhavige bewijsopdracht is dat komt vast te staan of tussen partijen is overeengekomen dat Achmea de schade-uitkeringen aan derden uitsluitend zal verhalen op [belanghebbende] en niet (deels) ook op [gedaagde]. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs.

De enkele verklaring van de vader van [gedaagde] is daartoe onvoldoende. Uit de mededeling dat Achmea de schade aan derden zal vergoeden kan immers niet zonder meer geconcludeerd worden dat geen verhaal op [gedaagde] zal plaatsvinden. Ook de mededeling dat Achmea in een later stadium de schade van derden op de bestuurder zal verhalen impliceert niet dat geen verhaal op [gedaagde] zal volgen. Daarbij komt dat de aantekeningen uit het dossier van Achmea, waaruit blijkt dat aan de vader van [gedaagde] is medegedeeld dat “de schade in eerste instantie op de bestuurder zal worden verhaald”, verhaal van schade (ten dele) op [gedaagde] niet uitsluiten. De verklaring van de vader van [gedaagde] dat zijn zoon hem heeft verteld over de afspraak dat Achmea de schade die zij zou vergoeden aan de derden zou verhalen op de bestuurder leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee is niet uitgesloten dat hem is medegedeeld dat Achmea “in eerste instantie” de schade op de bestuurder zou verhalen.

Het subsidiair door [gedaagde] opgeworpen argument dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van Achmea omdat hij op grond van de feiten en omstandigheden het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat Achmea de schade die [belanghebbende] aan derden had veroorzaakt niet op hem zou verhalen, kan de rechtbank niet volgen. Uit de door Achmea overgelegde correspondentie blijkt immers duidelijk dat zij reeds in een vroeg stadium aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat zij hem aansprakelijk blijft houden voor het volledige door haar aan derden uitbetaalde schadebedrag. Ook de meer subsidiaire stelling van [gedaagde] dat de redelijkheid en billijkheid zich tegen volledige toewijzing van de vordering van Achmea verzetten zal worden gepasseerd, nu zij op geen enkele wijze is onderbouwd.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] gelet op de aard van de aansprakelijkheid geen beroep op matiging van de schadevergoeding toekomt. Zij verwijst daarbij naar hetgeen hieromtrent is overwogen in voornoemd tussenvonnis. Het enkele feit dat [gedaagde] weinig draagkracht heeft is onvoldoende om een beroep op matiging te honoreren.

Uit het vorenstaande volgt dat geen van de door [gedaagde] opgeworpen verweren doel treft. De vordering van Achmea zal, rekening houdend met de tussen Achmea en [belanghebbende] getroffen regeling, op na te melden wijze worden toegewezen.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- salaris advocaat € 1.808,-- (4 punten x tarief € 452,--)

- griffierecht € 405,--

- dagvaardingskosten € 91,31

Totaal € 2.304,31

De onweersproken vordering betreffende de nakosten is eveneens toewijsbaar, nu zij op de wet is gegrond.

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van [bedrag 1] te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van [bedrag 2] vanaf 24 augustus 2005 en voor het meerdere vanaf de datum van de dagvaarding, waarop in mindering strekt hetgeen door [belanghebbende] ingevolge diens overeenkomst met Achmea aan Achmea is en wordt voldaan;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van Achmea gevallen en tot op heden begroot op € 2.304,31,

veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131-, en, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan dit vonnis heeft voldaan, vermeerderd met een bedrag van

€ 68-,

bepaalt dat de proceskosten en de nakosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.?