Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK9793

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
62454
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De feiten

In de nacht van 2 op 3 mei 2006 waren [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] aan boord van de viskotter [schip] (verder: [het schip] of het schip), op dat moment eigendom van de v.o.f. Nadat ze waren uit geweest, gingen ze aan boord een afhaalmaaltijd nuttigen. [gedaagde sub. 1] is vervolgens met het schip gaan varen in de haven van Breskens en heeft daarbij verschillende objecten geraakt. Daardoor is schade ontstaan. [gedaagde sub. 1] verkeerde op het moment van varen onder invloed van alcohol. Tijdens het voorval was [gedaagde sub. 2] nog aan boord. [gedaagde sub. 3] is onmiddellijk voorafgaand aan het varen van boord gegaan.

Het geschil

Eisers vorderen na wijziging van eis dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zullen worden veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van [totaal bedrag] en aan [eiser sub. 4] te betalen een bedrag van [bedrag], alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening. Verder vorderen zij de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het rapport Voorwerk II, de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover op de wijze als in de dagvaarding omschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

2

62454 / HA ZA 08-183

28 oktober 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

62454 / HA ZA 08-18328 oktober 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 62454 / HA ZA 08-183

Vonnis van 28 oktober 2009

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma [eiser sub. 1],

gevestigd te Hoofdplaat,

2. [eiser sub. 2],

wonende te Hoofdplaat,

3. [eiser sub. 3],

wonende te Hoofdplaat,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiser sub. 4],

gevestigd te Sunderland, Verenigd Koninkrijk,

eisers,

advocaat mr. C.J. IJdema,

tegen

1. [gedaagde sub. 1],

wonende te Oostburg,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. den Hollander,

2. [gedaagde sub. 2],

wonende te Breskens,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Hage,

3. [gedaagde sub. 3],

wonende te Breskens,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna als volgt worden genoemd:

eisers voor eisers sub 1 tot en met 4 gezamenlijk,

de v.o.f. voor eiser sub 1,

[eiser sub. 2] voor eiser sub 2,

[eiser sub. 3] voor eiser sub 3,

[eisers] voor de v.o.f. en/of [eiser sub. 2] en/of [gedaagde sub. 3].

[eiser sub. 4] voor eiser sub 4,

gedaagden voor gedaagden sub 1 tot en met 3 gezamenlijk,

[gedaagde sub. 1] voor gedaagde sub 1,

[gedaagde sub. 2] voor gedaagde sub 2 en

[gedaagde sub. 3] voor gedaagde sub 3.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 23 juli 2008

het proces-verbaal van comparitie van 26 september 2008

de akte tot overlegging van een aanvullende productie van de zijde van [gedaagde sub. 2]

de antwoordakte van de zijde van eisers.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

In de nacht van 2 op 3 mei 2006 waren [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] aan boord van de viskotter [schip] (verder: [het schip] of het schip), op dat moment eigendom van de v.o.f. Nadat ze waren uit geweest, gingen ze aan boord een afhaalmaaltijd nuttigen. [gedaagde sub. 1] is vervolgens met het schip gaan varen in de haven van Breskens en heeft daarbij verschillende objecten geraakt. Daardoor is schade ontstaan. [gedaagde sub. 1] verkeerde op het moment van varen onder invloed van alcohol. Tijdens het voorval was [gedaagde sub. 2] nog aan boord. [gedaagde sub. 3] is onmiddellijk voorafgaand aan het varen van boord gegaan.

[gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] zijn voor dit voorval strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van de politierechter te Middelburg, d.d. 5 december 2006 is [gedaagde sub. 1] veroordeeld voor vernieling en joyvaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. De zaak tegen [gedaagde sub. 2] is door het Openbaar Ministerie geseponeerd wegens een gering aandeel in het gebeurde. [gedaagde sub. 3] is niet vervolgd.

[gedaagde sub. 1] was als maatschapsvisser werkzaam op [het schip]. De maatschapsovereenkomst is direct na het voorval ontbonden. In de week van het voorval was de schipper van [het schip], [eiser sub. 3], met zijn gezin op vakantie. De sleutels van [het schip] lagen op een voor [gedaagde sub. 1] bekende plaats op het schip. [gedaagde sub. 1] zou in de vakantieweek van [eiser sub. 3] in diens opdracht diverse werkzaamheden aan boord verrichten.

[eiser sub. 2] en [gedaagde sub. 3]. zijn vennoten van de v.o.f. De verzekeraar van [het schip], de

Verzekeringsmaatschappij Tegen Zeegevaar N.V., heeft haar vordering jegens gedaagden overgedragen aan [eiser sub. 4].

Eelsing Expertises & Taxaties heeft de schade aan [het schip] op 3 mei 2006 opgenomen en aan drie werven offertes gevraagd voor herstel van de schade. De laagste aanbieding was van Scheepswerf De Schroef B.V. te Sas van Gent. Zij heeft herstel van de schade geoffreerd op € 33.900,-- excl. BTW met een reparatieduur van 18 werkdagen in normale werktijd. In haar rapport van 27 september 2006 heeft Eelsing Expertises & Taxaties de herstelkosten als volgt vastgesteld:

- reparatie volgens reparatielijst en aanbieding De Schroef B.V. € 33.900,--

- controle nautische apparatuur 200,--

- controle/reparatie hoofdmotor 709,48

- aanvullende reparaties/inspectie van voortstuwingsinstallatie,

hulpmotor en roer 6.557,50

- reparatie achterspiegel 5.350,--

Totaal, excl. BTW € 46.716,98

[het schip] is gerepareerd. Het schip is op 6 mei 2006 naar de werf gegaan. Op 8 mei 2006 is de werf met de reparatie begonnen. Op 6 juni 2006 is het schip teruggegaan naar Breskens, waar het van 7 tot en met 9 juni 2006 visklaar is gemaakt. Op 12 juni 2006 is het schip naar de visgronden vertrokken.

Het bouwjaar van [het schip] en de daarin aanwezige hoofdmotor is 2003.

Het geschil

Eisers vorderen na wijziging van eis dat gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zullen worden veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 56.751,87 en aan [eiser sub. 4] te betalen een bedrag van € 45.908,18, alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening. Verder vorderen zij de buitengerechtelijke incassokosten op basis van het rapport Voorwerk II, de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover op de wijze als in de dagvaarding omschreven.

Eisers stellen dat [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] met [het schip] zijn gaan varen zonder toestemming van [eisers] Dit is onrechtmatig jegens hen.

[gedaagde sub. 1] heeft de motor gestart en het schip bestuurd. Hij had niet eerder in een haven met [het schip] gemanoeuvreerd of gevaren en beschikte niet over een vaarbewijs.

[gedaagde sub. 2] is meegevaren. Als hij al niet actief iets heeft gedaan, dan is voor groepsaansprakelijkheid toch in ieder geval voldoende dat hij passief heeft bijgedragen. Hij had moeten waarschuwen.

[gedaagde sub. 3] is van boord gegaan en heeft de voor- en achtertrossen op de wal losgegooid. Hij heeft nagelaten iemand te waarschuwen dat er gevaar voor [het schip] dreigde. Ook deze gedragingen zijn onrechtmatig.

[gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade. Zij zijn tevens aansprakelijk voor door de ander toegebrachte schade, omdat zij in groepsverband hebben gehandeld.

Het is bij veel schepen gebruikelijk dat de sleutels aan boord worden verstopt. [gedaagde sub. 1] moest over de sleutels, waaronder de contactsleutel, kunnen beschikken, omdat hij onderhoud aan het schip en de motor moest plegen. [eisers] hebben door het aan [gedaagde sub. 1] beschikbaar stellen van de sleutels geen eigen schuld aan het voorval.

Aan [het schip] is schade ontstaan voor een bedrag van € 46.716,98. De verzekeraar Tegen Zeegevaar heeft daarvan € 41.716,98 aan de v.o.f. uitgekeerd, rekening houdend met haar eigen risico van € 5.000,--. De kosten van de expertise bedragen in totaal € 4.191,20. De aan [eiser sub. 4] overgedragen vordering op gedaagden is € 45.908,18.

De v.o.f. en haar vennoten [eiser sub. 2] en [gedaagde sub. 3]. hebben verder bedrijfsschade geleden. Zij hebben gedurende de periode dat [het schip] werd gerepareerd, van 6 mei 2006 tot 12 juni 2006, niet kunnen vissen. Zij ramen de daardoor misgelopen inkomsten op € 33.468,07. Daarnaast hebben [eiser sub. 2] en [gedaagde sub. 3]. zelf werkzaamheden aan het schip verricht en aldus de schade beperkt. Zij hebben verder reiskosten, slijtagekosten, kinderoppaskosten en kosten wegens annulering van de vakantie van [eiser sub. 3] gemaakt en materialen aangeschaft die beschadigd waren geraakt door de joyvaart en/of nodig waren voor de reparatie. In totaal bedragen de vergoeding voor de werkzaamheden en de kosten € 18.283,80. Eisers hebben schaderapporten overgelegd. In reactie op het verweer hebben eisers de schadeposten ter comparitie nader toegelicht. Verder hebben [eisers] ter comparitie verklaard dat zij [het schip] begin 2008 hebben verkocht en dat de verkoop minder heeft opgebracht door het schadevoorval.

[gedaagde sub. 1] betwist aansprakelijk te zijn voor de gehele schade. [eisers] hebben zelf bijgedragen aan ontstaan van de schade door de sleutels, waaronder de contactsleutel die in het contactslot zat, aan boord te laten liggen, terwijl [eiser sub. 3] op vakantie was. Vanwege deze nonchalante wijze van omgaan met hun eigendommen door [eisers] is het billijk als een deel van de schade aan het schip voor hun rekening blijft. [gedaagde sub. 1] betwist verder de hoogte van de schade. Voor wat betreft de schade aan het schip stelt hij dat een correctie van nieuw voor oud moet plaatsvinden en dat een deel van de schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat zij regulier onderhoud betreffen. De gestelde bedrijfsschade vindt hij onvoldoende onderbouwd. Uit de wekelijkse afrekeningen van zijn aandeel in de bemanning blijkt dat de besomming van het schip zeer matig was. De gestelde omzet is niet juist. Het zou bovendien billijk zijn een correctie toe te passen op de hoogte van de omzetschade, omdat [gedaagde sub. 1] in de periode die hij voor [eisers] werkte, werd onderbetaald. [gedaagde sub. 1] betwist ook de bijkomende schadeposten gemotiveerd.

[gedaagde sub. 2] betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. Hij heeft niet met [het schip] gevaren, het varen was niet op zijn initiatief en hij heeft geen handelingen verricht. Hij was op uitnodiging van [gedaagde sub. 1] op het schip aanwezig en verbleef slechts in de stuurhut. Hij heeft jegens [gedaagde sub. 1] wel zijn bedenkingen geuit over het varen, maar miste het overwicht om [gedaagde sub. 1] van zijn actie te weerhouden. [gedaagde sub. 1] was op het moment van het voorval 23 jaar en hij 17. Hij heeft actief noch passief onrechtmatig gehandeld. Hij betwist tevens aansprakelijkheid vanwege handelen in groepsverband.

Overigens stelt hij zich op dezelfde grond als [gedaagde sub. 1] op het standpunt, dat [eisers] eigen schuld aan het ontstaan van de schade hebben en betwist hij gemotiveerd diverse schadeposten.

De rechtbank zal de stellingen van partijen met betrekking tot de schadeposten voor zover voor de beoordeling relevant daar nader aanhalen.

De beoordeling

[gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] zijn als groep hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het varen met [het schip]. [gedaagde sub. 1] is zonder toestemming van [eisers] met het schip gaan varen. Hij heeft de motor van het schip gestart en heeft gestuurd. Daarbij is hij tegen diverse objecten aangevaren, waardoor hij onrechtmatig schade heeft toegebracht. Hij verkeerde de nacht van het voorval in het gezelschap van [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3]. De drie mannen zijn op stap geweest, waarbij alcohol is genuttigd. Vervolgens zijn zij gezamenlijk aan boord van [het schip] gegaan om een afhaalmaaltijd op te eten. Toen is kennelijk de gedachte opgekomen om met het schip te gaan varen. [gedaagde sub. 3] en [gedaagde sub. 2] hadden zich beiden moeten realiseren dat [gedaagde sub. 1] dit niet mocht van de eigenaar. Zij hebben moeten en kunnen weten dat [gedaagde sub. 1] niet ’s nachts en onder invloed van alcohol met het schip mocht gaan varen en moeten en kunnen voorzien dat hierdoor schade zou kunnen ontstaan. [gedaagde sub. 3] heeft in onderhavige procedure verstek laten gaan. Hij heeft niet weersproken dat hij aan land de trossen van het schip heeft losgegooid. Het moet er dus voor worden gehouden dat hij ook een actief aandeel in het voltrekken van het voorval heeft gehad. Hij is vervolgens weggegaan en heeft nagelaten derden te waarschuwen voor dreigend onheil. [gedaagde sub. 2] is aan boord gebleven tijdens het varen door [gedaagde sub. 1]. Eisers opperen dat [gedaagde sub. 2] de walspanning van het schip zou hebben gehaald, maar onderbouwen deze stelling ondanks de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub. 2] niet. Er moet vooralsnog dan ook vanuit worden gegaan dat [gedaagde sub. 2] geen actieve handelingen heeft verricht. Wel heeft hij nagelaten [gedaagde sub. 1] van het varen te weerhouden. Als [gedaagde sub. 2] het niet eens is met het plan te gaan varen, is het zijn plicht [gedaagde sub. 1] hiervan af te brengen. Als dat niet lukt, moet hij van boord gaan en/of derden waarschuwen dat gevaar voor [het schip] dreigt. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [gedaagde sub. 2] ter comparitie, dat hij beneden zat en pas merkte dat er gevaren werd toen de motor startte en dat het toen te laat was om in actie te komen. Het vaarklaar maken van een schip gaat in het algemeen niet zo snel dat er geen tijd is om zich aan de gebeurtenis te onttrekken. Uit het feit dat [gedaagde sub. 3] wel van boord is gegaan, blijkt ook dat hiervoor voldoende gelegenheid was. Ten slotte geldt nog – temeer gegeven de leeftijd - dat juist het als groep bij elkaar zijn een zogenaamde groepsdynamiek teweegbrengt, waarin een lid of leden van de groep tot gedrag komt/komen, waartoe hij/zij als de groepsdynamiek er niet was geweest niet gekomen zou(den) zijn. Aannemelijk is dat [gedaagde sub. 1] die nacht niet met [het schip] was gaan varen, als hij alleen was geweest. [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] zijn als groep derhalve jegens eisers hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade. Gesteld noch gebleken is dat hen deze schade niet kan worden toegerekend.

Op grond van artikel 6:197 lid 2 BW kan de verzekeraar die in de rechten van [eisers] is gesubrogeerd, geen schade verhalen op de groepsdeelnemers die slechts op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk zijn. Dit geldt, na overdracht, voor de vordering van [eiser sub. 4]. Slechts voor zover [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] ook individueel (op grond van artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn, komt [eiser sub. 4] een vordering jegens hen toe. Vastgesteld moet daarom worden of ieder van hen ook individueel onrechtmatig handelen kan worden verweten, waardoor de schade aan [het schip] is ontstaan. Hoewel het artikel in de dagvaarding wordt aangehaald, hebben partijen zich over de werking van artikel 6:197 lid 2 BW niet nadrukkelijk uitgelaten. Het artikel bevat echter dwingend recht en is niet voor meerderlei uitleg vatbaar, zodat de rechtbank wel aan toetsing toekomt. Zij doet dit op grond van de gestelde feiten.

Voor [gedaagde sub. 1] is de individuele aansprakelijkheid, dus op grond van artikel 6:162 BW, duidelijk. Hij is degene die de motor heeft gestart, met het schip in de haven heeft gevaren en daarbij diverse objecten heeft geraakt, door welk handelen de schade is veroorzaakt.

Het aandeel van [gedaagde sub. 2] is, zoals uit de in r.o. 4.1 overwogen feiten volgt, niet zodanig dat volgehouden kan worden dat de schade door zijn handelen of nalaten ook zou zijn ontstaan. Actief handelen van zijn kant is niet komen vast te staan. Zijn nalaten staat in onvoldoende direct causaal verband tot het ontstaan van de schade om tot vaststelling van individuele aansprakelijkheid te komen.

Ook voor [gedaagde sub. 3] geldt dat zijn handelen en nalaten, zoals vastgesteld in r.o. 4.1, geen individuele aansprakelijkheid oplevert. Het enkel losgooien van de trossen en niet waarschuwen van derden heeft de gevorderde schade aan [het schip] niet kunnen doen ontstaan.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub. 1] zowel voor eventuele schade aan [het schip] als voor eventuele bedrijfsschade individueel en als groepslid aansprakelijk is. [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] zijn slechts als groepslid aansprakelijk en kunnen op grond van artikel 6:197 lid 2 BW niet door [eiser sub. 4] voor de schade aan [het schip] worden aangesproken. Zij zijn wel als groepslid aansprakelijk voor de eventuele bedrijfsschade van [eisers]

De ontstane schade (aan [het schip] en de bedrijfsschade) is ook niet mede een gevolg van het handelen van [eisers], zoals [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] betogen. [gedaagde sub. 1] had de beschikking over de sleutels om in opdracht van [eiser sub. 3] gedurende diens vakantie onderhoud aan het schip te kunnen plegen. De sleutels lagen daartoe op een voor [gedaagde sub. 1] bekende plek op [het schip]. Dit – aan [eisers] verweten – op het schip op een verborgen plek aanwezig hebben van de sleutels leidt niet tot een voor het ontstaan van de onderhavige schade relevante andere situatie, dan wanneer [gedaagde sub. 1] de sleutels bij zich had gehouden. [gedaagde sub. 1] had dan eveneens de beschikking over de sleutels, waarmee de mogelijkheid met het schip te gaan varen in dezelfde mate gegeven was. [eisers] behoefden er geen rekening mee te houden dat [gedaagde sub. 1] misbruik zou maken van het kunnen beschikken over de sleutels. Het feit dat [gedaagde sub. 1] door toedoen van [eisers] over de sleutels kon beschikken, leidt niet tot eigen schuld van [eisers]

De schade aan [het schip]

[gedaagde sub. 1] stelt dat rekening gehouden moet worden met een correctie van nieuw voor oud, omdat er sprake is van vernieuwing en vervanging van bepaalde onderdelen. Verder stelt hij dat de volgende posten regulier onderhoud betreffen en geen gevolg zijn van het voorval:

de kosten van uitlijnen en herplaatsen van de schroeven

de inspectie van de roerinstallatie

de startmotor

controle van navigatie- en communicatieapparatuur.

[gedaagde sub. 1] betwist dat de roerinstallatie, de startmotor en de navigatie- en communicatieapparatuur defect/beschadigd zijn geraakt door de aanvaring. De (verkoop)waarde van een schip wordt bepaald door het aantal draaiuren. Na herstel van de huidbeplating zou van de schade niets meer te zien moeten zijn. Het is niet aannemelijk dat de verkoopprijs door de schade is gedrukt.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub. 1] aldus de schade aan [het schip] tegenover de gemotiveerde en met stukken gestaafde stellingen van eisers onvoldoende onderbouwd heeft betwist. De vordering is gebaseerd op het expertiserapport van Eelsing. Daaruit blijkt dat de uitlijning van de voortstuwingsinstallatie op verzoek van de Inspectie Verkeer & Waterstaat is gecontroleerd. Verder is het reëel na een aanvaring, zoals heeft plaatsgevonden, de roerinstallatie te controleren en zonodig te repareren. Tijdens de reparatie bleek dat de roerhak was ontzet. [eisers] hebben ter comparitie onweersproken toegelicht hoe de schade aan het roer door het voorval is ontstaan. [gedaagde sub. 1] heeft ter zitting niet weersproken dat de startmotor mogelijk kapot is gegaan doordat die te lang heeft doorgelopen, nadat de motor al liep. Als de startmotor al kapot was, voordat hij met het schip ging varen, had hij het schip ook niet kunnen starten. Volgens het expertiserapport van Eelsing is controle van de nautische apparatuur onderdeel van het noodzakelijke herstel. Dit komt, gegeven de vereiste veiligheid voor het varen met een schip als [het schip], ook niet onlogisch voor.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding een correctie van nieuw voor oud toe te passen. Het schip was ten tijde van het voorval hooguit drie jaren oud. Gesteld noch gebleken is dat gedurende die drie jaren achterstallig onderhoud is ontstaan. Dit afgezet tegen het feit dat een schip als [het schip] een te verwachten levensduur heeft die de verstreken 3 jaren ruimschoots overtreft, is niet aannemelijk dat [eisers] door herstel van de toegebrachte schade in een voordeliger positie zijn gekomen.

[gedaagde sub. 1] heeft de expertisekosten niet weersproken, zodat de vordering van [eiser sub. 4] tot het bedrag van € 45.908,18 te vermeerderen met de wettelijke rente jegens hem toewijsbaar is. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de rechtsvoorganger van [eiser sub. 4], verzekeringsmaatschappij Tegen Zeegevaar N.V., haar kosten heeft gemaakt. Zoals hierboven onder r.o. 4.6 zal de vordering van [eiser sub. 4] jegens [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] worden afgewezen.

De rechtbank zal in dit vonnis de vordering van [eiser sub. 4] afdoen. Voor de bepaling van de proceskosten gaat zij uit van één vordering van eisers gezamenlijk. Voor de begroting van het salaris van de advocaten leidt dat tot toepassing van tarief V. Omdat de vordering van [eiser sub. 4] circa de helft van de gehele vordering van eisers gezamenlijk uitmaakt en alleen die vordering thans wordt afgedaan, gaat de rechtbank uit van de helft van de kosten op navolgende wijze.

[gedaagde sub. 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij jegens [eiser sub. 4] in de proceskosten van [eiser sub. 4] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- kosten dagvaarding de helft van € 71,80 € 35,90

- griffierecht de helft van € 2.260,-- € 1.130,--

- salaris advocaat de helft van € 2.842,-- € 1.421,-- (1/2 van 2 punten tarief V)

Totaal € 2.586,90

[eiser sub. 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij jegens [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] in de proceskosten van [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde sub. 3] in dit deel van de gehele procedure worden begroot op nihil, nu hij niet in de procedure is verschenen. [gedaagde sub. 2] procedeert met een toevoeging, zodat bepaald zal worden dat betaald moet worden aan de griffier van de rechtbank. De kosten van [gedaagde sub. 2] worden begroot op:

- griffierecht: de helft van € 1.148,--, waarvan

betaald vast recht (de helft van € 114,--) € 57,--

in debet gesteld vast recht (de helft van € 1.034,--) € 517,--

- salaris advocaat de helft van € 2.842,-- € 1.421,-- (1/2 van 2 punten tarief V)

Totaal € 1.995,--

De bedrijfsschade

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de bedrijfsschade. [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] hebben diverse posten van die gevorderde schade betwist. Ter comparitie hebben eisers en [gedaagde sub. 1] aangegeven, dat zij mogelijk in minnelijk overleg tot een regeling met betrekking tot de bedrijfsschade kunnen komen als op de andere punten die hen verdeeld houden duidelijkheid is ontstaan. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen met elkaar in overleg te treden. Zij zal de zaak naar de rol verwijzen voor uitlaten, eerst aan de zijde van eisers.

De beslissing

De rechtbank

In de zaak tussen [eiser sub. 4] en [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3]

veroordeelt [gedaagde sub. 1] tot betaling aan [eiser sub. 4] van € 45.908,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat verzekeringsmaatschappij Tegen Zeegevaar N.V. haar kosten tot voormeld bedrag heeft gemaakt tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub. 1] in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [eiser sub. 4] tot dusver begroot op € 2.586,90;

wijst de vordering van [eiser sub. 4] jegens [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3] af;

veroordeelt [eiser sub. 4] in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3], aan de zijde van [gedaagde sub. 3] tot dusver begroot op nihil en aan de zijde van [gedaagde sub. 2] tot dusver begroot op € 1.995,--, te voldoen aan de griffier door overmaking op [rekeningnummer] ten name van Rechtbank Middelburg onder vermelding van “proceskostenveroordeling” en het zaak- en rolnummer, respectievelijk 62454 en HA ZA 08-183;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak tussen [eisers] en [gedaagde sub. 1], [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 3]

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 november 2009 voor het nemen van een akte uitlaten, eerst aan de zijde van eisers;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2009.