Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK9719

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
63072
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

e feiten

[eiser] en [gedaagde sub. 1] zijn op 5 september 2007 een schriftelijke overeenkomst aangegaan. De overeenkomst vermeldt als titel “akte van geldlening”.

Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt:

“Artikel 1

De schuldeiser ([eiser]) heeft aan de schuldenaar ([gedaagde sub. 1]) ter leen verstrekt een bedrag groot € 85.000,-- (zegge: vijfentachtigduizend euro), welke geldlening de schuldenaar heeft aanvaard.

De schuldeiser heeft het in lid 1 genoemde bedrag van vijfentachtigduizend euro aan de schuldenaar ter beschikking gesteld.”

In de overeenkomst is opgenomen dat de totale schuld (hoofdsom en rente) uiterlijk op 31 december 2012 volledig dient te worden afgelost.

Ter zake de opeisbaarheid bepaalt de overeenkomst als volgt:

“Artikel 5

1. De hoofdsom vermeerderd met de verschuldigde rente of het nog verschuldigde deel daarvan kan terstond en zonder enige aankondiging of ingebrekestelling door schuldeiser worden opgeëist in de navolgende gevallen:

(…)

e. verkoop van woning [adres];

(…).”

Na een veiling ex artikel 3:268 BW op 21 mei 2008 is de hiervoor onder 2.4. genoemde woning, die door [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] werd bewoond, op 9 juli 2008 executoriaal verkocht.

[gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] zijn ex-echtgenoten. Zij zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De huwelijksgemeenschap is op 30 oktober 2007 ontbonden.

Het geschil

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden, hoofdelijk, zal veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 90.178,84, zijnde de hoofdsom met rente en kosten, die van de te dezer zake gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4%, subsidiair de wettelijke rente vanaf 20 mei 2008. Voorts vordert [eiser] gedaagden, hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

63072 / HA ZA 08-263

19 augustus 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

63072 / HA ZA 08-26313 mei 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63072 / HA ZA 08-263

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser],

gevestigd te Poortvliet, gemeente Tholen,

eiseres,

advocaat: mr. E.F. Sandijck,

tegen

1. [gedaagde sub. 1],

wonende te [adres],

advocaat: voorheen mr. C.J. IJdema,

thans niet langer in rechte vertegenwoordigd,

2. [gedaagde sub. 2],

wonende te [adres],

gedaagden,

advocaat: gedesisteerd.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als [eiser], [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 september 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast.

Per telefaxbericht d.d. 25 november 2008 heeft mr. IJdema zich onttrokken als advocaat van [gedaagde sub. 1]. Ter rolzitting van 2 september 2008 had IJdema zich reeds onttrokken als advocaat van [gedaagde sub. 2], om reden dat [gedaagde sub. 2] geen verweer wenst te voeren tegen de door [eiser] ingestelde vordering. De geplande comparitie van partijen heeft in verband met het voornemen van de advocaat van [gedaagde sub. 1] zich aan de zaak te onttrekken geen doorgang gevonden. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen voor uitlaten partijen. Hoewel de gelegenheid daartoe is geboden, heeft zich voor [gedaagde sub. 1] geen nieuwe advocaat gesteld. Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] en [gedaagde sub. 1] zijn op 5 september 2007 een schriftelijke overeenkomst aangegaan. De overeenkomst vermeldt als titel “akte van geldlening”.

Artikel 1 van de overeenkomst luidt als volgt:

“Artikel 1

De schuldeiser ([eiser]) heeft aan de schuldenaar ([gedaagde sub. 1]) ter leen verstrekt een bedrag groot € 85.000,-- (zegge: vijfentachtigduizend euro), welke geldlening de schuldenaar heeft aanvaard.

De schuldeiser heeft het in lid 1 genoemde bedrag van vijfentachtigduizend euro aan de schuldenaar ter beschikking gesteld.”

In de overeenkomst is opgenomen dat de totale schuld (hoofdsom en rente) uiterlijk op 31 december 2012 volledig dient te worden afgelost.

Ter zake de opeisbaarheid bepaalt de overeenkomst als volgt:

“Artikel 5

1. De hoofdsom vermeerderd met de verschuldigde rente of het nog verschuldigde deel daarvan kan terstond en zonder enige aankondiging of ingebrekestelling door schuldeiser worden opgeëist in de navolgende gevallen:

(…)

e. verkoop van woning [adres];

(…).”

Na een veiling ex artikel 3:268 BW op 21 mei 2008 is de hiervoor onder 2.4. genoemde woning, die door [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] werd bewoond, op 9 juli 2008 executoriaal verkocht.

[gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] zijn ex-echtgenoten. Zij zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. De huwelijksgemeenschap is op 30 oktober 2007 ontbonden.

Het geschil

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden, hoofdelijk, zal veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 90.178,84, zijnde de hoofdsom met rente en kosten, die van de te dezer zake gelegde conservatoire beslagen daaronder begrepen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4%, subsidiair de wettelijke rente vanaf 20 mei 2008. Voorts vordert [eiser] gedaagden, hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit geding.

[eiser] legt, tegen de achtergrond van de hiervoor onder 2.4. weergegeven tekst van de overeenkomst van geldlening, aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] zijn in gebreke gebleven tijdig en geheel aan hun terugbetalingsverplichtingen te voldoen. Weliswaar is [eiser] de lening aangegaan met [gedaagde sub. 1], maar omdat deze is aangegaan voor de ontbinding van het huwelijk van gedaagden, wordt deze geacht te zijn aangegaan met toestemming van [gedaagde sub. 2].

Het verweer van [gedaagde sub. 1] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde sub. 1] meent allereerst dat de inhoud van de door [eiser] opgestelde akte van geldlening niet overeenkomt met de eerder tussen partijen gemaakte afspraken. Het bedrag in hoofdsom van € 85.000,-- is niet aan hem ter leen verstrekt. [eiser] en [gedaagde sub. 1] zijn in 1997 een samenwerking aangegaan met betrekking tot het ontwikkelen van verschillende bouwlocaties. Weliswaar heeft [eiser] uit hoofde van deze samenwerking aanspraak op betaling van een bedrag ad € 85.000,--, maar partijen zijn overeengekomen dat betaling op termijn zou plaatsvinden middels verrekening. [eiser] heeft thans derhalve geen recht op betaling van de door haar gevorderde bedragen.

Verder meent [gedaagde sub. 1] dat sprake is van misbruik van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW. [eiser] wist op het moment dat zij [gedaagde sub. 1] de akte van geldlening heeft laten ondertekenen dat de woning executoriaal zou worden verkocht. Bovendien wist [eiser] dat [gedaagde sub. 2] [gedaagde sub. 1] had verlaten en dat [gedaagde sub. 1] daardoor in een moeilijke situatie verkeerde, zowel economisch als psychisch. Voorts voert [gedaagde sub. 1] aan dat een beroep op de directe opeisbaarheid van de geldlening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde sub. 1] beschikt op dit moment niet over de financiële middelen om aan de vorderingen van [eiser] te voldoen.

[gedaagde sub. 1] betwist verder de verschuldigdheid van rente, buitengerechtelijke kosten en beslagkosten.

De beoordeling

Niet in geschil is dat de overeenkomst met de titel akte van geldlening op 5 september 2007 door zowel [eiser] als door [gedaagde sub. 1] is ondertekend. [gedaagde sub. 1] betwist echter dat [eiser] een opeisbare vordering op hem heeft. [gedaagde sub. 1] voert daartoe aan dat de inhoud van de akte niet overeenstemt met de tussen hem en [eiser] gemaakte afspraken. Partijen zouden zijn overeengekomen dat betaling zou plaatsvinden middels verrekening.

Het verweer is naar het oordeel van de rechtbank een bevrijdend verweer zodat op grond van de hoofdregel de stelplicht en bewijslast op [gedaagde sub. 1] rust. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub. 1] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Hij heeft zijn stelling niet onderbouwd met concrete en controleerbare gegevens. Dit betekent dat [gedaagde sub. 1] niet aannemelijk heeft weten te maken dat het in de akte genoemde bedrag van € 85.000,-- niet als lening is verstrekt. Daarentegen blijkt uit de bewoordingen van de overeenkomst duidelijk dat deze ziet op een lening.

Het beroep van [gedaagde sub. 1] op misbruik van omstandigheden wordt ook verworpen. De geschetste feitenconstellatie geeft immers geen blijk van maatschappelijk onbetamelijk gedrag van [eiser] De ongunstige financiële situatie waarin [gedaagde sub. 1] verkeerde kan zeer wel hebben meegespeeld bij het aangaan van de overeenkomst van geldlening, maar ook [gedaagde sub. 1] wist op dat moment dat de woning executoriaal zou worden verkocht en welke gevolgen dit zou hebben voor de opeisbaarheid van de vordering. De overeenkomst laat op dat punt namelijk geen onduidelijkheid bestaan.

Ook het verweer dat een beroep op de directe opeisbaarheid van de geldlening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal worden gepasseerd. De geschetste omstandigheden zijn niet van zodanige aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de geldlening door de executoriale verkoop van de woning van gedaagden opeisbaar is geworden. Hierbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat de enkele stelling van [gedaagde sub. 1] dat hij op dit moment niet over de financiële middelen beschikt om aan de vordering van [eiser] te kunnen voldoen onvoldoende is.

Uit het vorenstaande volgt dat de gevorderde hoofdsom jegens [gedaagde sub. 1] toewijsbaar is.

[eiser] heeft niet voldoende onderbouwd gesteld dat zij de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal dan ook worden afgewezen.

[eiser] vordert voorts de overeengekomen rente van 4%. [gedaagde sub. 1] betwist deze vordering met de stelling dat de rente eerst is verschuldigd vanaf de datum van verkoop van de woning. De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. Uit artikel 4 van de akte van geldlening volgt immers dat over de hoofdsom van de geldlening een rente verschuldigd is van 4% per jaar. Wel is de rente eerst opeisbaar geworden vanaf de datum van verkoop van de woning. De gevorderde rente zal dan ook worden toegewezen.

Tot slot vordert [eiser] betaling van de beslagkosten. [gedaagde sub. 1] betwist deze vordering met de stelling dat het beslag onnodig was.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met hetgeen hiervoor is overwogen niet kan worden gesteld dat het beslag onnodig was. De vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. Het opgevoerde vast recht voor het beslagrekest zal echter worden afgewezen, omdat dit vast recht al is verrekend met het vast recht dat in deze zaak verschuldigd is. De beslagkosten worden begroot op € 249,62 voor verschotten en € 894,-- voor salaris advocaat (1 rekest x € 894,00). De vorderingen zijn jegens [gedaagde sub. 2] als niet weersproken en op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar.

De stellingen van [eiser] ten aanzien van de hoofdelijkheid zijn onweersproken gebleven. Gedaagden zullen derhalve hoofdelijk worden veroordeeld.

[gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,80

- vast recht € 1.985,00

- salaris advocaat € 894,00 (1,0 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal € 2.964,80

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van

€ 87.148,22 (zevenentachtigduizend honderdachtenveertig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar over dit bedrag vanaf 21 mei 2008 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.143,62,

veroordeelt [gedaagde sub. 1] en [gedaagde sub. 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.964,80,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.