Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK9255

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-03-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
64497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] vorderen – samengevat – gedaagden te veroordelen de aan hen opgelegde collectieve horecaverboden ongedaan te maken aldus dat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2], op straffe van een dwangsom, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk wordt bevestigd dat de ontzegging voor de respectievelijke horecabedrijven van gedaagden is ingetrokken.

Daarnaast vorderen [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] dat gedaagden wordt bevolen hen uiterlijk binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, eveneens op straffe van een dwangsom, toe te laten tot de horecabedrijven van gedaagden.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] vorderen voorts gedaagden, hoofdelijk, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-- aan ieder van hen ter zake van immateriële schadevergoeding en tot betaling van een bedrag van € 67,50 vermeerderd met wettelijke rente ter zake van kosten gemaakt voor identificatie van gedaagden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

2

64497 / HA ZA 08-431

29 april 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

64497 / HA ZA 08-4318 april 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 64497 / HA ZA 08-431

Vonnis van 29 april 2009

in de zaak van

1. [eiser sub. 1],

wonende te Koewacht,

2. [eiser sub. 2],

wonende te Koewacht,

eisers,

advocaat mr. R.M.A. Lensen,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub. 1],

gevestigd en kantoorhoudende te Sint Jansteen, gemeente Hulst

2. [gedaagde sub. 2],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

3. [gedaagde sub. 3],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

4. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub. 4],

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

5. [gedaagde sub. 5],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

6. [gedaagde sub. 6],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

7. de vennootschap onder firma

CAFÉ 'T ANKER, H.O.D.N. “CAFÉ ‘T ANKER”

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

8. [gedaagde sub. 8],

wonende te Heikant, gemeente Hulst,

9. [gedaagde sub. 9],

wonende te Heikant, gemeente Hulst,

10. de vennootschap onder firma

FIRMA DE BOIJ-DE BOCK, H.O.D.N. “HET GULDEN HOOFT”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

11. [gedaagde sub. 11],

wonende te Hulst,

12. [gedaagde sub. 12],

wonende te Hulst,

13. de vennootschap onder firma

DE JAGER-VERSTRAETE, H.O.D.N. “DE KORENBEURS”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

14. [gedaagde sub. 14],

wonende te Hulst,

15. [gedaagde sub. 15],

wonende te Hulst,

16. de vennootschap onder firma

DE JONKVROUW, H.O.D.N. “DE JONKVROUW”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

17. [gedaagde sub. 17],

wonende te Hulst,

18. [gedaagde sub. 18],

wonende te Hulst,

19. de vennootschap onder firma

FRITUUR CHEVY'S, H.O.D.N. “FRITUUR CHEVY’S”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

20. [gedaagde sub. 20],

wonende te Hulst,

21. [gedaagde sub. 21],

wonende te Hulst,

22. [gedaagde sub. 22],

wonende te Hulst,

23. de vennootschap onder firma

DE LEUTIGHE VOSCH, H.O.D.N. “DE LEUTIGHE VOSCH”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

24. [gedaagde sub. 24],

wonende te Hulst,

25. [gedaagde sub. 25],

wonende te Hulst,

26. de vennootschap onder firma

HOF VAN VLAANDEREN, H.O.D.N. “HOF VAN VLAANDEREN”,

gevestigd te Hulst,

27. [gedaagde sub. 27],

wonende te Hengstdijk, gemeente Hulst,

28. [gedaagde sub. 28],

wonende te Hengstdijk, gemeente Hulst,

29. [gedaagde sub. 29],

wonende te Hengstdijk, gemeente Hulst,

30. de vennootschap onder firma

CAFÉ AMBIANCE, H.O.D.N. “CAFÉ AMBIANCE”,

gevestigd te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

31. [gedaagde sub. 31],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

32. [gedaagde sub. 32],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

33. de vennootschap onder firma

ONS VERMAAK, H.O.D.N. “FRITUUR-CAFÉ BILJART ONS VERMAAK”,

gevestigd te Vogelwaarde, gemeente Hulst,

34. [gedaagde sub. 34],

wonende te Vogelwaarde, gemeente Hulst,

35. [gedaagde sub. 35],

wonende te Vogelwaarde, gemeente Hulst,

36. de vennootschap onder firma

DE VEEHANDEL, H.O.D.N. “DE VEEHANDEL”,

gevestigd te Nieuw Namen, gemeente Hulst,

37. [gedaagde sub. 37],

wonende te Nieuw Namen, gemeente Hulst,

38. [gedaagde sub. 38],

wonende te Nieuw Namen, gemeente Hulst,

39. de vennootschap onder firma

CAFÉ 'T ROST ZAND, H.O.D.N. “CAFÉ ’T ROST ZAND”,

gevestigd te Nieuw Namen, gemeente Hulst,

40. [gedaagde sub. 40],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

41. [gedaagde sub. 41],

wonende te Sint Jansteen, gemeente Hulst,

42. de vennootschap onder firma

DE HAPPERIJ, H.O.D.N. “DE HAPPERIJ”,

gevestigd te Clinge, gemeente Hulst,

43. [gedaagde sub. 43],

wonende te Clinge, gemeente Hulst,

44. [gedaagde sub. 44],

wonende te Clinge, gemeente Hulst,

45. de vennootschap onder firma

EETCAFÉ SANTÉ, H.O.D.N. “EETCAFÉ SANTÉ”,

gevestigd te Hulst,

46. [gedaagde sub. 46],

wonende te Rotterdam,

47. [gedaagde sub. 47],

wonende te Vlissingen,

48. [gedaagde sub. 48],

wonende te Vlissingen,

49. [gedaagde sub. 49],

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

50. [gedaagde sub. 50]”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

51. [gedaagde sub. 51],

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

52. [gedaagde sub. 52]”,

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

53. [gedaagde sub. 53],

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

54. [gedaagde sub. 54],

gevestigd en kantoorhoudende te Hulst,

55. [gedaagde sub. 55]”,

gevestigd en kantoorhoudende te Kloosterzande, gemeente Hulst,

56. [gedaagde sub. 56],

gevestigd en kantoorhoudende te Kloosterzande, gemeente Hulst,

57. [gedaagde sub. 57],

gevestigd en kantoorhoudende te Kloosterzande, gemeente Hulst,

58. [gedaagde sub. 58],

gevestigd en kantoorhoudende te Heikant, gemeente Hulst,

59. [gedaagde sub. 59],

gevestigd en kantoorhoudende te Graauw, gemeente Hulst,

60. [gedaagde sub. 60],

gevestigd en kantoorhoudende te Nieuw Namen, gemeente Hulst,

gedaagden

advocaat mr. E.F. Sandijck gevestigd te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser sub. 1], [eiser sub. 2] en gedaagden genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 12 november 2008

het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2009

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Door de gemeente Hulst, de politie Zeeland, het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Oost-Zeeuws Vlaanderen – verder de KHN – is begin 2006 het convenant “Convenant Veilig Uitgaan in Hulst” gesloten – verder het

Convenant –.

De als bijlage 2 bij het convenant gevoegde “Regeling ontzegging toegang horeca Hulst”

– verder de regeling – regelt de (collectieve) ontzegging van de toegang tot de bij het convenant aangesloten horecaondernemingen. Dit zijn gedaagden.

Bij aangetekende brief van de KHN van 5 januari 2007 is aan [eiser sub. 1] een horecaverbod opgelegd, welk verbod liep tot en met 8 april 2007. Tegen dit verbod is door [eiser sub. 1] niet opgekomen.

Tijdens het carnaval in februari 2008 vierden [eiser sub. 1], [eiser sub. 2] en de twaalfjarige zoon van [eiser sub. 2] carnaval in Hulst en omstreken. Zij bezochten tijdens deze carnavalsviering Café Lazarus in Sint-Jansteen. Tijdens het bezoek is een woordenwisseling ontstaan. [eiser sub. 1] is gesommeerd de zaak te verlaten. [eiser sub. 1] heeft daar in eerste instantie geen gevolg aan gegeven. Daarop zijn er klappen gevallen. Zowel door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] enerzijds als door gedaagde sub 3 anderzijds is aangifte gedaan van mishandeling. Hierop is geen vervolging gevolgd.

Bij aangetekende brief van 21 maart 2008 van de KHN is aan [eiser sub. 1] opnieuw een horecaverbod opgelegd, nu geldend tot en met 25 maart 2010. In deze brief is meegedeeld dat het verbod is opgelegd naar aanleiding van het herhaaldelijk overtreden van het huisreglement in één van de in de bijlagen genoemde bedrijven.

[eiser sub. 1] is opgekomen tegen het hem opgelegde horecaverbod. Door de KHN is op het verzoek van [eiser sub. 1] het opgelegde verbod nader te motiveren verwezen naar het convenant. De KHN heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie van [eiser sub. 1] het bij brief van 21 maart 2009 opgelegde horecaverbod met onmiddellijke ingang op te heffen.

Bij aangetekende brief van 7 april 2008 van de KHN is ook aan [eiser sub. 2] een horecaverbod opgelegd geldend tot en met 25 maart 2010. In de brief is vermeld dat de ontzegging haar is opgelegd naar aanleiding van het overtreden van het huisreglement van één van de in de bijlagen bij de brief genoemde bedrijven. Dit is haar eerste ontzegging.

Het geschil

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] vorderen – samengevat – gedaagden te veroordelen de aan hen opgelegde collectieve horecaverboden ongedaan te maken aldus dat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2], op straffe van een dwangsom, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk wordt bevestigd dat de ontzegging voor de respectievelijke horecabedrijven van gedaagden is ingetrokken.

Daarnaast vorderen [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] dat gedaagden wordt bevolen hen uiterlijk binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, eveneens op straffe van een dwangsom, toe te laten tot de horecabedrijven van gedaagden.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] vorderen voorts gedaagden, hoofdelijk, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-- aan ieder van hen ter zake van immateriële schadevergoeding en tot betaling van een bedrag van € 67,50 vermeerderd met wettelijke rente ter zake van kosten gemaakt voor identificatie van gedaagden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

Zij stellen daartoe het navolgende.

Het aan [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] opgelegde horecaverbod is kennelijk gegrond op het convenant. In dit convenant wordt voorzien in een zekere mate van subsidiariteit en proportionaliteit waarbij de duur van de ontzegging moet worden gerelateerd aan de ernst van de misdraging. Volgens het convenant wordt er eerst een verbod van enkele weken opgelegd en bij een volgende ontzegging voor één of meerdere maanden. Het aan [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] voor de duur van 2 jaar opgelegde horecaverbod is hiermee in strijd.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] bestrijden bovendien de als bijlage 1 bij het convenant gevoegde huis- en gedragsregels te hebben overtreden. Door de KHN is ook niet aangegeven welke huis- en gedragsregels zouden zijn overtreden. Volgens [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] was geen sprake van omstandigheden op grond waarvan ingevolge de artikelen 1 en 2 van de regeling een (collectieve) ontzegging kan worden opgelegd.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] stellen dat onder omstandigheden op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheid grenzen gesteld dienen te worden aan het in beginsel bestaande recht van gedaagden de toegang tot de respectievelijke etablissementen te ontzeggen. Volgens [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] is van dergelijke omstandigheden, gelet op de duur van de aan hen opgelegde ontzegging, sprake. De horeca-etablissementen in Hulst en omstreken vervullen immers ook een belangrijke sociale functie.

Nog afgezien daarvan heeft het horecaverbod ook een diffamerend effect, hetgeen [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] ook aan den lijve hebben ondervonden.

Een maatregel zoals opgelegd door de KHN dient, met name gelet op het diffamerende effect daarvan, op goede gronden te worden genomen, welke gronden ook aan betrokkene moeten worden meegedeeld. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. Daardoor worden [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] in hun verweer bemoeilijkt. Niet vast te stellen is of de gronden waarop de maatregel is gebaseerd deze maatregel rechtvaardigen.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] zijn van mening dat met het opleggen van het horecaverbod de KHN en gedaagden ieder afzonderlijk jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld. Zij stellen immateriële schade te hebben geleden omdat zij ten gevolge van het verbod niet in de gelegenheid zijn geweest hun sociale contacten te onderhouden.

[eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] vorderen vergoeding ter zake van de kosten die zij hebben moeten maken voor de uittreksels van de kamer van koophandel. Zij stellen daartoe dat een eventuele proceskostenveroordeling, nu het zevenentwintig uittreksels betrof, niet geacht kan worden voor een dergelijk bedrag een vergoeding in te houden, zeker niet nu zij beiden op basis van een toevoeging procederen.

Gedaagden stellen primair dat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] niet-ontvankelijk zijn omdat de plaatselijke afdeling van de KHN partij is bij het convenant en het tot haar bevoegdheid behoort om ten behoeve van de horecabedrijven die bij het horecaconvenant zijn aangesloten een collectieve ontzegging op te leggen en op te heffen.

Volgens gedaagden was sprake van omstandigheden die een collectieve ontzegging rechtvaardigen. [eiser sub. 1] is geen onbekende persoon bij uitbaters van horecagelegenheden in de gemeente Hulst. Hij staat bekend als een agressieve persoonlijkheid die in het verleden meermalen met justitie in aanraking is geweest. Het agressieve gedrag heeft al eens tot een collectieve ontzegging geleid waartegen door [eiser sub. 1] geen actie is ondernomen. Ondanks de omstandigheid dat [eiser sub. 1] bekend was met de mogelijkheid dat hem een collectieve ontzegging opgelegd kan worden, hebben [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] zich op 4 februari 2008 ernstig misdragen. Een en ander valt op te maken uit de inhoud van productie 1 en het proces-verbaal van aangifte. De aanvankelijk voor de duur van 2 jaar opgelegde ontzeggingen zijn, al voor het uitbrengen van de dagvaarding, door de KHN teruggebracht naar een half jaar en hadden geen werking meer ten tijde van het aanbrengen van de procedure.

Gedaagden bestrijden gemotiveerd dat door het opleggen van de collectieve ontzegging door de KHN onrechtmatig zou zijn gehandeld, dat daardoor sprake is van een diffamerende werking/aantasting van de goede naam en dat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] door het opleggen van de collectieve ontzegging schade zouden hebben geleden.

De vordering ter zake van de kosten gemaakt voor de identificatie van gedaagden dient te worden afgewezen omdat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] de KHN als procespartij hadden kunnen duiden. Ook de vordering ter zake van de proceskosten dient afgewezen te worden nu de overige vorderingen afgewezen dienen te worden.

De beoordeling

De rechtbank zal, als meest verstrekkende verweer, eerst het beroep door gedaagden op de niet-ontvankelijkheid van [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] beoordelen.

In het convenant is onder het hoofdstuk “Activiteiten door de horeca” punt 4.3. onder 5, voor zover hier van belang, opgenomen dat: “… bij herhaalde overtredingen wordt de naam of de namen van de overtreders gemeld bij het bestuur van de plaatselijke afdeling van Koninklijke Horeca Nederland Oost Zeeuwsch-Vlaanderen, die namens de gezamenlijke horeca een toegangsverbod kan opleggen.”

In de regeling is onder punt 3 opgenomen: “Het secretariaat met betrekking tot de ontzeggingen wordt gevoerd door de Koninklijke Horeca Nederland afd. Oost Zeeuwsch-Vlaanderen, bij wie een horeca ondernemer personen kan aanmelden die voor de ontzegging in aanmerking komen.”

Uit paragraaf 2 laatste alinea van het convenant volgt dat het convenant door de horecaondernemers ondertekend is om de persoonlijke betrokkenheid en collectieve standpuntbepaling te benadrukken.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de bevoegdheid te beslissen omtrent het ontzeggen van de toegang tot het bedrijf door de respectievelijke horeca-ondernemers die het convenant hebben ondertekend aan de KHN overgedragen. De KHN verzorgt slechts de administratieve verwerking van de op te leggen (collectieve) ontzeggingen. Dit volgt overigens ook uit de brieven van de KHN waarbij aan [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] is meegedeeld dat hen de toegang is ontzegd tot de in de bijlage bij de brief genoemde bedrijven. Immers in deze brief schrijft KHN: “Ondergetekende horeca-exploitanten in de gemeente Hulst delen u hierbij mee dat u vanaf heden tot en met 25 maart 2010 een officiële ontzegging heeft, …”.

Gelet op het vorenstaande moet de ontzegging dan ook geacht worden opgelegd te zijn door de horeca-ondernemers die het convenant hebben ondertekend, en zijn door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] de juiste partijen in rechte betrokken. Het verweer dat [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] niet ontvankelijk zijn wordt door de rechtbank dan ook gepasseerd.

Onbestreden is door gedaagden gesteld dat de termijn waarvoor het horecaverbod aanvankelijk is opgelegd voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding is teruggebracht tot een half jaar en het verbod ten tijde van het aanbrengen van de procedure feitelijk al geen werking meer had.

Gelet hierop hebben [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] niet langer belang bij hun vorderingen het horecaverbod ongedaan te maken en gedaagden te bevelen [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] tot hun bedrijven toe te laten. Deze vorderingen zullen door de rechtbank dan ook worden afgewezen.

Door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] is aangevoerd dat gedaagden met het opleggen van de verboden jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld en zij mitsdien gehouden zijn de daardoor door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] geleden immateriële schade te vergoeden.

De rechtbank overweegt daaromtrent het navolgende.

Gedaagden exploiteren een particuliere onderneming en zijn mitsdien in beginsel bevoegd derden de toegang tot hun etablissement te ontzeggen. De door gedaagden geëxploiteerde horecagelegenheden zijn allen voor het publiek toegankelijke gelegenheden. Gelet hierop en op het karakter van dergelijke bedrijven, die ook een maatschappelijke functie vertegenwoordigen, zijn er grenzen, die door de maatschappelijke zorgvuldigheid worden bepaald, waarbinnen de in het beginsel gegeven bevoegdheid de toegang te ontzeggen uitgeoefend dient te worden. In dit opzicht is ook van belang dat van het opleggen van een ontzegging een diffamerend effect uit gaat.

De maatschappelijke zorgvuldigheid vergt dat een ontzegging slechts dan wordt opgelegd indien sprake is van omstandigheden zodanig dat het van de exploitant van de horecagelegenheid redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat hij de desbetreffende persoon (nog langer) in zijn etablissement toelaat. Deze omstandigheden zijn door de bij het convenant aangesloten bedrijven nader omschreven in de regeling.

De maatschappelijke zorgvuldigheid vergt voorts dat bij het besluit duidelijk aangegeven wordt welke feiten en/of omstandigheden hebben geleid tot het opleggen van de ontzegging en welke regel van het reglement, op grond waarvan de toegang kan worden ontzegd, daarmee is overtreden. Nu in de regeling ook globaal, in weken en maanden, de duur van de ontzegging is aangegeven dient ook de duur van de opgelegde ontzegging met de in de regeling gegeven termijn overeen te stemmen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ontzeggingen zoals opgelegd aan [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] niet voldoen aan de daaraan op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheid te stellen eisen.

De beide ontzeggingen bevatten niet de feiten en/of omstandigheden op grond waarvan zij zijn opgelegd en welke bepalingen van de regeling zouden zijn overtreden.

Bovendien is de termijn waarvoor de ontzeggingen aanvankelijk is opgelegd niet conform de duur die de regeling, zij het globaal, aangeeft. Immers ingeval van een tweede ontzegging, waarvan bij [eiser sub. 1] sprake is nu ervan moet worden uitgegaan dat de eerste ontzegging regelmatig is opgelegd omdat daartegen door [eiser sub. 1] niet is opgekomen, geeft de regeling de mogelijkheid om gedurende een of meerdere maanden een ontzegging op te leggen. Ingeval van een eerste ontzegging geldt ingevolge het reglement een termijn van niet langer dan enkele weken.

Het feit dat gedaagden hebben willen onderstrepen hoezeer zij genoeg hadden van het gedrag van [eiser sub. 1] is niet een omstandigheid op grond waarvan een sanctie kan worden opgelegd voor een termijn die veel langer is dan de in de regeling neergelegde termijn. Dat geldt eveneens voor de door de horecaondernemers aan [eiser sub. 2] opgelegde duur ten grondslag gelegde reden dat gemeend werd één lijn te moeten trekken met de voor [eiser sub. 1] geldende ontzegging om te voorkomen dat [eiser sub. 1] een motief zou hebben om zich niet aan de opgelegde ontzegging te houden.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat gedaagden jegens [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] onrechtmatig hebben gehandeld.

Met betrekking tot het door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] ter zake van immateriële schade gevorderde bedrag overweegt de rechtbank het navolgende.

De opgelegde ontzegging is aan [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] persoonlijk bij brief meegedeeld. Door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] is niet gesteld dat de ontzegging door gedaagden openbaar is gemaakt. Door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden genoemd op grond waarvan aangenomen moet worden dat derden van de opgelegde ontzegging op de hoogte waren en zij derhalve daardoor in hun eer en goede naam zijn aangetast.

Onweersproken is voorts dat het verbod gold voor 27 van de totaal 103 horecazaken die zich binnen de gemeentegrenzen van Hulst bevinden en [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] bovendien niet in de gemeente Hulst maar in de gemeente Terneuzen woonachtig zijn. Gelet daarop zijn naar het oordeel van de rechtbank [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] niet in zodanige mate in hun persoonlijke vrijheid beperkt dat dit een grond oplevert voor vergoeding van immateriële schade.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] ter zake van immateriële schade gevorderde bedrag afwijzen.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat weliswaar de vorderingen van [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] zijn afgewezen maar anderzijds is overwogen dat gedaagden door het opleggen van het verbod onrechtmatig jegens [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] hebben gehandeld aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Ter zake van het door [eiser sub. 1] en [eiser sub. 2] voor de identificatie van gedaagden gemaakte kosten overweegt de rechtbank dat deze kosten moeten worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van de procedure en geacht worden begrepen te zijn in het bedrag aan salaris dat in het kader van de proceskostenveroordeling wordt toegewezen. De rechtbank zal de vordering ter zake van het voor identificatie gevorderde bedrag dan ook afwijzen.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009.