Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK9184

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-09-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
64707 / HA ZA 08-465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan hem van € 111.389,13, vermeerderd met de wettelijke rente in handelszaken over dit bedrag vanaf 19 maart 2007 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Faillissementswet
Faillissementswet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

64707 / HA ZA 08-46512 augustus 2009

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 16 september 2009

met zaaknummer / rolnummer: 64707 / HA ZA 08-465 van

[eiser],

wonende te Colijnsplaat,

eiser,

advocaat mr. E.H.A. Schute te Serooskerke,

tegen

[gedaagde],

wonende te Vlissingen,

gedaagde,

advocaat mr. J.C. Bode 't Hart te Serooskerke,

en met zaaknummer / rolnummer 64727 / HA ZA 08-469 van64707 / HA ZA 08-465 en 64727 / HA ZA 08-469

de besloten vennootschap met beperkte aansprak[eiseres]jkheid

[eiseres],

gevestigd te Vlissingen,

eiseres,

advocaat mr. E.H.A. Schute te Serooskerke,

tegen

[gedaagde],

wonende te Vlissingen,

gedaagde,

advocaat mr. J.C. Bode 't Hart te Serooskerke.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde] en [eiseres] genoemd worden.

De procedure in de zaak 08-465

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het vonnis in het voegingsincident van 7 januari 2009

de conclusie van antwoord

de conclusie van repliek

de conclusie van dupliek.

De procedure in de zaak 08-469

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het vonnis in het voegingsincident van 7 januari 2009

de conclusie van antwoord

de conclusie van repliek

de conclusie van dupliek.

De feiten

Bij vonnis van deze rechtbank van 11 juli 2001 is de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [gedaagde] als curator in dat faillissement.

3.2. In de periode februari 2005 tot 16 mei 2006 heeft [betrokkene] – als zelfstandige onder de naam [betrokkene] Advies – voor het taxibedrijf van [eiser] de boekhouding verzorgd. In de periode 15 december 2005 tot 19 mei 2006 werkte [betrokkene] voorts als tijdelijke administratieve kracht bij [eiseres]; hij werd op uurbasis betaald.

3.3. Na aangifte door [eiser] en door [eiseres] is [betrokkene] aangehouden en strafrechtelijk vervolgd voor fraude. Bij vonnis van 1 november 2006 van deze rechtbank, sector strafrecht, is hij veroordeeld voor die fraude, waarbij is bewezen verklaard dat hij door onbevoegd gebuik van een bankpasje en pincode van [eiser] en/of Taxibedrijf [eiser] een bedrag van € 120.324,81, van [eiseres] een bedrag van € 19.010,53 en van de heren [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] een bedrag van € 19.606,40 had gestolen. Van geld dat [betrokkene] bij zijn aanhouding bij zich had hebben [eiser] en [eiseres] elk € 9.026,-- ontvangen.

3.4. Bij beslissing van deze rechtbank van 6 september 2006 is [gedaagde] als curator in het faillissement ontslagen en is een andere curator benoemd. Op 11 april 2007 is het faillissement bij gebrek aan baten opgeheven.

Het geschil

in de zaak 08-465

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan hem van € 111.389,13, vermeerderd met de wettelijke rente in handelszaken over dit bedrag vanaf 19 maart 2007 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

4.2. [eiser] stelt ter onderbouwing dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de diefstal door [betrokkene] en de door [eiser] geleden schade dient te vergoeden. [gedaagde] heeft immers niet gehandeld zoals in redelijkheid van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, mag worden verwacht. Hij is volledig in gebreke gebleven om enige controle uit te oefenen op het doen en laten van [betrokkene], en op diens inkomsten en uitgaven. Hij was er kennelijk niet van op de hoogte dat [betrokkene] een boekhoudkantoor (met personeel) exploiteerde. Door dit gebrek aan controle was het mogelijk dat [betrokkene] in anderhalf jaar tijd € 200.000,-- kon ontvangen op een bij de curator bekende bankrekening, en dat geld bijna volledig kon opnemen en uitgeven. Aldus zijn in het faillissement grote nieuwe schulden ontstaan en hebben de schuldeisers uiteindelijk niets ontvangen. Controle was te meer noodzakelijk nu [betrokkene] eerder (in 1999) voor fraude was veroordeeld en in het verleden al meermalen failliet was verklaard. Het gebrek aan nauwgezetheid blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] niet voldeed aan de wettelijke plicht tot verslaglegging. Had [gedaagde] zijn taak als curator wel juist en met zorg uitgeoefend, dan had hij geweten van het feit dat [betrokkene] voor [eiser] werkte en had hij [eiser] van het faillissement op de hoogte gesteld. [eiser] zou dan van de diensten van [betrokkene] geen gebruik hebben gemaakt of hem veel minder vrijheid van handelen hebben gegeven; in dat geval had de diefstal niet plaatsgevonden. Bovendien had [gedaagde], had hij zicht op de bankrekening van [betrokkene] gehouden, de fraude vroegtijdig ontdekt. Het behoort (ook) tot de taak van een curator om zoveel mogelijk te voorkomen dat een failliet door fraude of anderszins nieuwe schulden maakt. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan en aldus heeft hij onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld; hij is aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade, die [eiser] stelt op € 111.389,13, zijnde het weggenomen bedrag van € 120.414,13 (voor de vaststelling daarvan verwijst hij naar onderzoek door een administratiekantoor) met aftrek van het terugontvangen bedrag van € 9.025,--. Het schadebedrag is door [betrokkene] erkend; hij betaalt sinds 1 februari 2009 € 50,-- per maand aan [eiser] terug.

Van eigen schuld van [eiser] is geen sprake. Het is niet gebruikelijk om een verklaring omtrent het gedrag te vragen. De werkwijze van [betrokkene] bracht met zich dat [eiser] de fraude (nog) niet opviel.

4.3. [gedaagde] voert verweer. Hij heeft het faillissement van [betrokkene] behandeld als een spaarfaillissement; [betrokkene] zou drie jaar lang maandelijks fl. 1.200,-- (€ 545,--) op de boedelrekening storten. Dat gebeurde nauwgezet tot juni 2004. Uit kostenoverwegingen heeft [gedaagde] daarom niet driemaandelijks gerapporteerd. Begin 2005 heeft hij gepoogd contact met [betrokkene] te krijgen. Dat lukte aanvankelijk niet; [gedaagde] heeft toen adequaat gehandeld door te rappelleren en met inbewaringstelling te dreigen. In september 2005 is er een gesprek geweest; daarna reageerde [betrokkene] opnieuw nauwelijks op berichten van [gedaagde], waarop [gedaagde] om inbewaringstelling heeft verzocht. Toen bleek dat [betrokkene] in verband met verdenking van fraude in hechtenis zat. [gedaagde] stelt voldoende controle te hebben uitgeoefend. Hij wist niet van de bedrijfsvoering van [betrokkene] af en kon daarop dus geen controle uitoefenen. Overigens waren de afspraken van [betrokkene] met [eiser] niet op schrift gesteld, werd hij voor een deel zwart, voor een deel in natura (autoreparaties) en voor een deel door middel van door zichzelf te verrichten overboekingen uitbetaald. Privéaansprakelijkheid van een curator mag niet snel worden aangenomen. De taak van een curator is primair het beheer en de vereffening van het in het faillissement vallend vermogen, daarbij optredend in het belang van de gezamenlijke schuldeisers; het behoort niet tot zijn taak dat hij de failliet in strafrechtelijke zin controleert. Er is geen regel dat een curator moet voorkomen dat een failliet nieuwe schulden maakt. [gedaagde] stelt de zorgvuldigheidsnorm jegens [eiser] niet te hebben overtreden. De voor een curator geldende zorgvuldigheidsnorm strekt voorts niet tot bescherming van de hier in het geding zijnde belangen van [eiser].

[gedaagde] verwijt [eiser] eigen schuld. Hij had van [betrokkene] een verklaring omtrent het gedrag kunnen vragen; die zou [betrokkene] in verband met zijn eerdere veroordeling zijn geweigerd. Het faillissement van [betrokkene] was gepubliceerd. Bovendien had [eiser], als werkgever, controle op de werkzaamheden van [betrokkene] moeten uitoefenen. Hij gaf [betrokkene] echter blindelings toegang tot zijn financiën, keek zelf bankafschriften niet na en liet toe dat accountantscontrole werd uitgesteld.

Tenslotte betwist [gedaagde] de hoogte van de schade. [eiser] heeft het gestelde bedrag onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is of in het gestelde bedrag ook aan [betrokkene] toekomend honorarium is inbegrepen en of al het honorarium is uitbetaald. [eiser] heeft haar plicht tot schadebeperking geschonden door akkoord te gaan met uitbetaling van een bij [betrokkene] aanwezig bedrag aan een andere schuldeiser. Nu een betalingsregeling met [betrokkene] is overeengekomen is er geen grond voor vergoeding door [gedaagde].

in de zaak 08-469

4.4. [eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling aan haar van € 26.096,40, vermeerderd met de wettelijke rente in handelszaken over dit bedrag vanaf 19 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

4.5. Ter onderbouwing van de stelling dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en voor door [eiseres] geleden schade aansprakelijk is voert [eiseres] in grote lijnen dezelfde argumenten aan als door [eiser] zijn aangevoerd in de zaak 08-465. [eiseres] stelt [betrokkene] op voorspraak van [eiser] te hebben aangenomen; had de curator zijn taak juist uitgevoerd, dan zou [betrokkene] nimmer bij [eiseres] zijn aanbevolen en had de fraude niet plaatsgevonden. De door [eiseres] gestelde schade bestaat uit een aantal door [betrokkene] naar eigen rekening gedane – door [eiseres] met stukken toegelichte – overboekingen van in totaal € 35.121,40, verminderd met het terugontvangen bedrag van € 9.025,--. Het schadebedrag is door [betrokkene] erkend; hij betaalt sinds 1 februari 2009 € 50,-- per maand aan [eiseres] terug.

4.6. Het verweer van [gedaagde] tegen de gestelde onrechtmatigheid van zijn handelen en aansprakelijkheid voor schade is in grote lijnen gelijk aan het verweer, dat hij voert in de zaak 08-465. Tegen de hoogte van de door [eiseres] gestelde schade voert hij aan dat voor zover de schade blijkens het onder 3.3 geciteerde stafvonnis is geleden door de heren [eiseres sub 1] en Van der Weele, deze dient te worden afgewezen; gesteld noch gebleken is dat [eiseres] namens hen schade kan vorderen. Voor het overige voert [gedaagde] hetzelfde verweer als in de zaak 08-465.

De beoordeling

in beide zaken

De curator in een faillissement is – zo bepaalt art. 68 van de Faillissementswet – belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. In de uitoefening van die taak dient hij te handelen zoals in redelijkheid van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, mag worden verlangd. Wanneer de curator persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld voor door derden geleden nadeel, dient zijn handelen aan deze (zorgvuldigheids-)norm te worden getoetst.

Die zorgvuldigheidsnorm breidt de taak van de curator evenwel niet uit: zijn taak blijft (alleen) het beheren en vereffenen van de failliete boedel, met andere woorden: het verrichten van werkzaamheden in het belang van met name de schuldeisers, die op het moment van het faillissement een vordering op de failliet hadden.

5.2. Ter uitoefening van zijn taak als curator heeft [gedaagde] met [betrokkene] afspraken gemaakt: [betrokkene] zou gedurende drie jaren fl. 1.200,-- per maand op de boedelrekening storten, waarna met het aldus bijeengebrachte geld zou worden gepoogd een regeling te treffen met de schuldeisers in het faillissement. De afspraak om per maand geld over te maken is [betrokkene] nagekomen. De strafbare feiten, waarvan eisers het slachtoffer zijn geworden, zijn niet in die periode gepleegd. Na ommekomst van de drie jaar heeft [gedaagde] gepoogd met [betrokkene] in contact te komen. Dat is moeizaam gegaan. [gedaagde] heeft actief contact gezocht en uiteindelijk met bewaring gedreigd. Er heeft in september 2005 (toen was [betrokkene] kennelijk al wel bij [eiser], maar niet bij [eiseres] werkzaam) een gesprek met [betrokkene] plaatsgevonden. Daarna bleef [betrokkene] opnieuw onbereikbaar voor [gedaagde]. Midden 2006 heeft [gedaagde] opnieuw met bewaring gedreigd; toen bleek dat [betrokkene] in verband met de strafbare feiten in voorlopige hechtenis was gesteld. Die feiten hebben zich dus afgespeeld in de periode dat – overeenkomstig de gemaakte afspraken – [betrokkene] geen gelden meer op de boedelrekening behoefde te storten en dat met het tot midden 2004 door hem bijeengebrachte geld een akkoord zou worden voorgesteld aan de schuldeisers. De stelling van eisers dat zijn taak als curator (in die fase van het faillissement) van [gedaagde] ook vergde dat hij zodanige controle uitoefende op de bankrekeningen van [betrokkene] en diens feitelijke handelen, dat hij daarmee voorkwam dat [betrokkene] de fraude pleegde en gedurende enige tijd kon blijven plegen, gaat naar het oordeel van de rechtbank te ver. [gedaagde] diende zich in die fase van het faillissement – in het belang van de schuldeisers van [betrokkene] – in overleg met [betrokkene] te werken aan een akkoord; daartoe heeft [gedaagde] zich ook ingezet.

5.3. Dat [gedaagde] eisers van het faillissement van [betrokkene] op de hoogte had behoren te stellen (of in elk ervoor had moeten zorgen dat hij afwist van eventuele werkgevers van [betrokkene] zodat hij deze van het faillissement op de hoogte had kunnen stellen) acht de rechtbank niet de taak van een curator. Het is aan een werknemer zijn werkgever over zijn situatie juist voor te lichten; voorts wordt een faillissement ingeschreven in een openbaar register, dat door een werkgever kan worden geraadpleegd. Voor zover eisers verder stellen dat ook de schuldeisers in het faillissement nadeel hebben ondervonden van de door Booggaard gepleegde strafbare feiten (en aldus er voor [gedaagde] wel een taak was geweest die feiten te voorkomen) stelt de rechtbank vast dat als [gedaagde] in die zin zijn taak onvoldoende zorgvuldig zou hebben uitgeoefend (wat de rechtbank uitdrukkelijk in het midden laat), dat slechts tot mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens die schuldeisers kan leiden, en niet tot aansprakelijkheid voor schade, zoals eisers (die geen schuldeisers in het faillissement zijn) die stellen te hebben geleden. Waar eisers er voorts op wijzen dat [gedaagde] niet driemaandelijks rapporteerde stelt de rechtbank vast dat – wat daarvan zij – niet is gesteld of gebleken dat dat eventuele verzuim van [gedaagde] in causaal verband staat met de door eisers gestelde schade; deze stelling kan niet leiden tot toewijzing van het gevorderde.

5.4. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet kan worden gesproken van onrechtmatig handelen door [gedaagde] jegens de beide eisers. De vorderingen zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] in de zaak 08-465 worden begroot op:

- vast recht € 1.148,--

- salaris advocaat € 2.842,-- (2 x tarief V, € 1.421,--)

Totaal € 3.990,--.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] in de zaak 08-469 worden begroot op:

- vast recht € 575,--

- salaris advocaat € 1.158,-- (2 x tarief III, € 579,--)

Totaal € 1.733,--.

De beslissing

De rechtbank

in beide zaken

wijst de vorderingen af;

in de zaak 08-465

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.990,--;

in de zaak 08-469

veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.733,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2009.