Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8793

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
63975
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De feiten

Partijen – beiden apotheekhoudend huisarts – hebben op 13 maart 2004 een maatschapovereenkomst gesloten. De maatschap had de uitoefening voor gezamenlijke rekening en risico van een apotheekhoudende huisartsenpraktijk te Sas van Gent ten doel. In de overeenkomst is een geschillenregeling opgenomen, die er op neer komt dat geschillen worden beslist door middel van arbitrage door drie, als goede mannen naar billijkheid rechtsprekende, scheidslieden.

2.2. Tussen partijen is een geschil ontstaan in verband met de ontbinding van de maatschap; op verzoek van [eiser] heeft de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) drie scheidslieden benoemd (hierna: het scheidsgerecht), die – na schriftelijk en mondeling debat tussen partijen – op 22 april 2008 arbitraal vonnis hebben gewezen. Dit vonnis is op 6 mei 2008 door de voorzitter van het scheidsgerecht gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1683
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1065
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 273
JIN 2010/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

63975 / HA ZA 08-3731 april 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63975 / HA ZA 08-373

Vonnis van 18 maart 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Gent (België),

eiser,

advocaat mr. M.W. Dieleman te Middelburg,

tegen

[gedaagde],

wonende te Westdorpe,

gedaagde,

advocaat mr. I.P. de Groot te Rotterdam.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaardig

de conclusie van antwoord

De zaak is niet geschikt geoordeeld voor een comparitie na antwoord. Partijen hebben in gezamenlijk overleg afgezien van repliek en dupliek.

De feiten

Partijen – beiden apotheekhoudend huisarts – hebben op 13 maart 2004 een maatschapovereenkomst gesloten. De maatschap had de uitoefening voor gezamenlijke rekening en risico van een apotheekhoudende huisartsenpraktijk te Sas van Gent ten doel. In de overeenkomst is een geschillenregeling opgenomen, die er op neer komt dat geschillen worden beslist door middel van arbitrage door drie, als goede mannen naar billijkheid rechtsprekende, scheidslieden.

2.2. Tussen partijen is een geschil ontstaan in verband met de ontbinding van de maatschap; op verzoek van [eiser] heeft de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) drie scheidslieden benoemd (hierna: het scheidsgerecht), die – na schriftelijk en mondeling debat tussen partijen – op 22 april 2008 arbitraal vonnis hebben gewezen. Dit vonnis is op 6 mei 2008 door de voorzitter van het scheidsgerecht gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank.

Het geschil

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voormeld arbitraal vonnis partieel vernietigt, zodanig dat het bepaalde in het dictum:

“bepalen dat, indien bij de verkoop of vervreemding door [eiser] van (een deel van) de apotheek binnen tien jaar na datum van dit vonnis de goodwill wordt berekend op een andere wijze dan conform de op dat moment geldende normen van de LHV voor berekening van de goodwill van apotheekhoudende huisartsenpraktijken, [eiser] (telkens) gehouden is binnen 30 dagen na de verkoop of vervreemding, aan [gedaagde] te betalen de helft van het verschil tussen het door hem voor deze overdracht ontvangen bedrag en het bedrag waarop hij volgens de op dat moment geldende normen voor berekening van de goodwill van apotheekhoudende huisartsenpraktijken van de LHV recht zou hebben gehad.”

als niet geschreven dient te worden beschouwd;

b. voormeld arbitraal vonnis partieel vernietigt, in die zin dat het vonnis wordt vernietigd voor zover het in conventie inhield dat [eiser] niet in de gelegenheid werd gesteld te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen de maatschap (apotheekhoudende) huisartsenpraktijk Sas van Gent te ontbinden per 1 oktober 2007 met aanwijzing van [eiser] als degene die de apotheekhoudende huisartsenpraktijk per die datum heeft voortgezet, onder de verplichting van [gedaagde] om zijn aandeel in de maatschap ter beschikking te stellen aan [eiser] tegen de vergoeding als door partijen op 24 mei 2007 overeengekomen (te berekenen op overeenkomstige wijze als door het scheidsgerecht in voormeld vonnis aangegeven), althans dat vonnis partieel te vernietigen en daarbij te bepalen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

c. voor recht te verklaren dat door de partiële vernietiging als voornoemd, de competentie van de gewone rechter herleeft;

d. een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] stelt daartoe het volgende. De vorderingen zijn gebaseerd op art. 1065, lid 1, sub d en e en lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het scheidsgerecht heeft met haar in de vordering onder a. weergegeven beslissing (een “anti-speculatiebeding”) iets toegewezen dat in het geheel niet was gevorderd (art. 1065, lid 5 Rv). Bovendien is deze beslissing niet met redenen omkleed, althans is de motivering zodanig gebrekkig dat het daarmee gelijk dient te worden gesteld (art. 1065, lid 1 sub d Rv). Immers verzuimt het scheidsgerecht aan te geven wat er moet gebeuren als bij verkoop de opbrengst lager is dan het bedrag waarop [eiser] volgens de op dat moment geldende normen voor berekening van goodwill van de LHV recht zou hebben. Voorts is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de mogelijk op korte termijn de bedoelde LHV-normen aanzienlijk zullen worden bijgesteld. De mogelijkheid bestaat dat de waarde van de goodwill volgens die normen in de toekomst lager is dan volgens de huidige normen en dat zou leiden tot het onrechtvaardige gevolg dat [gedaagde] uiteindelijk veel meer voor de goodwill ontvangt dan [eiser].

Ten aanzien van de vordering onder b. stelt [eiser] dat de beslissing van het scheidsgerecht om hem niet toe te laten te bewijzen dat (op 24 mei 2007) was overeengekomen de maatschap per 1 oktober 2007 te ontbinden – zulks omdat het al dan niet geleverd zijn van dat bewijs niet tot een materieel andere uitkomst van het geschil zou leiden – ook met inachtneming van de gegeven motivering volstrekt onbegrijpelijk en onjuist is (art. 1065, lid 1, sub d Rv). Daarmee is (ook) het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en is het arbitraal vonnis in strijd met de openbare orde en de goede zeden (art. 1065, lid 1, sub e Rv). [eiser] had aangeboden te bewijzen dat er op alle voor de ontvlechting van belang zijnde punten – behalve over het door [eiser] tegen [gedaagde] gedane beroep op het non-concurrentiebeding – op 24 mei 2007 overeenstemming was. Dat de afrekening nog een uitwerking behoefde maakt dat niet anders. Geen rechtsregel brengt mee dat die uitwerking op de datum van ontbinding afgerond moest zijn. Door als datum van ontbinding 22 april 2008 vast te stellen wordt wel een andere materiële uitkomst van het geschil gekomen: [gedaagde] krijgt recht op verder opgebouwde winstrechten over de periode 1 oktober 2007 tot 22 april 2008 en er wordt in vergelijking met de afspraken van 24 mei 2007 een andere (voor [gedaagde] veel voordeliger) waardering van de goodwill van de apotheek toegepast.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij wijst er op dat het scheidsgerecht – overeenkomstig het bepaalde in de maatschapovereenkomst – diende recht te spreken als goede mannen naar billijkheid, aldus met een ruimere beoordelingsmaatstaf dan de overheidsrechter. Het was vrij in de toepassing van de regels van bewijsrecht. Bovendien bieden de in art. 1065 Rv limitatief opgesomde gronden voor (partiële) vernietiging van een arbitraal vonnis de overheidsrechter inhoudelijk zeer weinig beoordelingsruimte. Slechts in uitzonderlijke situaties, waarin fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, is vernietiging mogelijk. Zo kan slechts wanneer in het geheel geen motivering wordt gegeven of wanneer in de motivering enige steekhoudende verklaring voor de beslissing niet te onderkennen valt, vernietigd kan worden. In het onderhavige arbitrale vonnis zijn geen fundamentele rechtsbeginselen geschonden; het scheidsgerecht is met toepassing van een juiste maatstaf in een logische en consistente redenering tot het oordeel gekomen [eiser] niet tot bewijs toe te laten. Met opneming van het “anti-speculatiebeding” heeft het scheidsgerecht niet meer of anders toegewezen dan was gevorderd. Het heeft uit billijkheidsoverwegingen gebruik gemaakt van de speelruimte die partijen hem gaf; bovendien is hiermee minder toegewezen dan [gedaagde] – met zijn eis onder nader te stellen voorwaarden de apotheek ongedeeld te laten – had gevorderd. Wanneer minder dan gevorderd is toegewezen, kan geen vernietiging worden gevraagd. Ten overvloede (want inhoudelijk) stelt [gedaagde] dat onjuist is dat hij met de beslissing van het scheidsgerecht onder omstandigheden meer voor de goodwill ontvangt dan [eiser]: uit het vonnis blijkt klip en klaar dat bij verkoop/vervreemding binnen 10 jaar door [eiser] alleen met [gedaagde] afgerekend moet worden over het meerdere dat hij voor de apotheek ontvangt ten opzicht van wat hij nu aan [gedaagde] betaalt.

De beoordeling

4.1. [eiser] heeft in zijn verzoek tot arbitrage het scheidsgerecht (onder meer) verzocht de maatschap tussen partijen te ontbinden, hemzelf aan te wijzen als degene die de apotheekhoudende huisartsenpraktijk zal voortzetten onder de verplichting met [gedaagde] af te rekenen, hetgeen inhield dat hij aan [gedaagde] zou voldoen onder meer “ter zake de apotheek een bedrag zoals zal blijken uit de tussentijds op te stellen vermogensituatie van de maatschap, althans een bedrag dat uw Raad van Arbitrage in goede justitie zal vernemen te behoren”. [gedaagde] heeft voor het geval zou worden beslist dat [eiser] de praktijk zou voortzetten, (onder meer) verzocht de gemeenschappelijke apotheek onder nader te stellen voorwaarden in stand te houden, dan wel, als ook de apotheek aan [eiser] zou worden toegewezen, daaraan te koppelen de voorwaarde dat [eiser] aan [gedaagde] zal betalen de waarde van diens aandeel in de maatschap overeenkomstig het maatschapcontract. Kennelijk in het kader van deze verzoeken heeft het scheidsgerecht de door [eiser] in zijn vordering onder a. weergegeven beslissing genomen. Zij diende daarbij te oordelen “als (een college van) goede mannen naar billijkheid”. Zij heeft naar aanleiding van de voormelde – ruim geformuleerde – verzoeken ten aanzien van de waarde van de apotheek als volgt overwogen (r.o. 6.50 en 6.51):

“Naar het oordeel van Arbiters is het redelijk om de waarde van de goodwill van de apotheek te berekenen volgens de LHV normen voor apotheekhoudende huisartsenpraktijken als de apotheek onderdeel blijft van huisartsenpraktijk Sas van Gent. Naar het oordeel van Arbiters is het daarnaast echter redelijk om rekening te houden met een situatie waarin [eiser] inderdaad overgaat tot overdracht van (een deel van) de apotheek tegen een hogere prijs dan conform de LHV normen. Naar het oordeel van Arbiters zou [gedaagde] in die situatie alsnog in gelijke mate moeten delen in het verschil tussen de waarde van de goodwill van de apotheek volgens de LHV normen en de daadwerkelijke waarde van die goodwill bij de overdracht. Het zou, in het licht van alle omstandigheden, niet redelijk zijn dat slechts [eiser] van een dergelijke grote winst zou profiteren. Dit uitgangspunt kan worden bereikt door het opnemen van een beding met een looptijd van 10 jaar, zoals in de beslissing geformuleerd.”

De rechtbank ziet niet is dat het scheidsgerecht, door aldus over de (gevraagde) vaststelling van de waarde van de apotheek te overwegen en vervolgens te beslissen als weergegeven in de vordering onder a., iets heeft toegewezen dat niet was gevorderd. De situatie waarop art. 1065, lid 5 Rv ziet, doet zich hier dus niet voor.

Met bovenstaande overweging is de beslissing gemotiveerd. [eiser] heeft gesteld dat die motivering zo gebrekkig is, dat zij moet worden gelijk gesteld met de afwezigheid van een motivering. Van een dergelijke gebrekkigheid is sprake wanneer in een gegeven motivering enige steekhoudende verklaring voor de genomen beslissing niet valt te onderkennen. Dat doet zich in dit geval – zoals uit de hiervoor geciteerde, goed te volgen overweging blijkt – niet voor. Het scheidsgerecht heeft overwogen dat de hier bedoelde beslissing slechts ziet op de situatie dat [eiser] de apotheek verkoopt tegen een hogere prijs dan conform de LHV-normen; met die normen bedoelt zij onmiskenbaar de, eerder in de overweging genoemde, (thans geldende) normen volgens welke in het kader van de ontbinding van de maatschap de waarde van de goodwill van de apotheek wordt vastgesteld. De door [eiser] geschetste mogelijkheid dat van de beslissing onrechtvaardig uitwerkt (voor zover dat al als een motiveringsgebrek, dat is gelijk te stellen met afwezigheid van een motivering, kan worden aangemerkt) is er dus niet. Het beroep op art. 1065, lid 1 sub d Rv zal worden verworpen.

4.2. Het scheidsgerecht heeft de beslissing om [eiser] niet toe te laten tot het bewijs uitgebreid gemotiveerd. Ook van deze motivering stelt [eiser] dat ze zo gebrekkig is, dat ze moet worden gelijk gesteld met het gebrek aan een motivering. Die situatie doet zich ook hier niet voor. [eiser] stelt dat de motivering onjuist is omdat in zijn visie – en anders dan het scheidsgerecht heeft aangenomen – het al dan niet juist zijn van zijn stelling dat was overeengekomen dat de maatschap per 1 oktober 2007 werd ontbonden wel relevant is voor de materiële uitkomst van het geschil. Deze gestelde onjuistheid maakt de motivering van het scheidsgerecht echter niet tot een gebrekkige motivering zoals hiervoor bedoeld. De door het scheidsgerecht gegeven motivering geeft de gronden aan voor de daarop gebaseerde beslissing. De opgebouwde redenering is goed te volgen en in die zin niet gebrekkig. Een verdere – inhoudelijke – toetsing is in het kader van de onderhavige procedure niet mogelijk. Het beroep op art. 1065, lid 1 sub d Rv moet dan ook worden verworpen. Het scheidsgerecht heeft [eiser] tot bewijslevering niet toegelaten omdat zij – gemotiveerd – tot het oordeel was gekomen dat het aangeboden bewijs voor de te nemen beslissingen niet relevant was. Niet valt in te zien dat daarmee het principe van hoor en wederhoor zou zijn geschonden. De beslissing van het scheidsgerecht is dan ook niet in strijd met de openbare orde of de goede zeden; het beroep op art. 1065, lid 1 sub e Rv faalt.

4.3. Het bovenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij – zoals door [gedaagde] gevorderd: uitvoerbaar bij voorraad – worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht: € 254,--

- salaris advocaat € 452,-- (`1,0 x tarief II, € 452,--)

Totaal € 706,--.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 706,--;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling van [eiser] in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.?