Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8643

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
161848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit art. 214 Rv. volgt dat de in dat artikel bedoelde waarborg een recht heeft zich te mogen voegen in een procedure aan de zijde van de gewaarborgde, die partij is in die procedure, zonder dat daarvoor een rechterlijke beslissing nodig is. Dit laat onverlet dat het zich voegen dient te geschieden doordat de waarborg dit bij akte of conclusie te kennen geeft en de rechter daarop in een rolbeschikking moet constateren dat de voeging heeft plaats gevonden en de waarborg als gevoegde partij aan de procedure is gaan deelnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 161848 / 07-4489

vonnis van de kantonrechter d.d. 30 maart 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mevrouw mr. W.C.E. Simons,

t e g e n :

[gedaagde sub 1], gevestigd te [adres], gedaagde partij verder te noemen: [gedaagde sub 1], gemachtigde: mr. R. Gruben

en

[gedaagde sub 2], gevestigd te [adres], gevoegde patij aan de zijde van gedaagde, verder te noemen: [gedaagde sub 2], gemachtigde: mevrouw mr. D.P. van Straten.

het verdere verloop van de procedure

Na rolbeschikking van 8 september 2008 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] ieder nog een akte genomen.

de verdere beoordeling van de zaak

Naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 september 2008 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] ieder bij akte laten weten zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de akte van [gedaagde sub 2] waarin deze te kennen heeft gegeven zich in de procedure te voegen aan de zijde van [gedaagde sub 1].

Uit de tekst van artikel 214 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering leidt [gedaagde sub 2] af dat voor de voeging door de waarborg (die in vrijwaring is opgeroepen) in de hoofdzaak aan de zijde van de gewaarborgde geen rechterlijk verlof als bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering vereist is.

[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben dit standpunt niet bestreden. De kantonrechter kan het standpunt in zoverre onderschrijven dat uit genoemd artikel 214 volgt dat de waarborg een recht heeft om zich te mogen voegen, zodat een op dat recht gebaseerde vordering tot voeging moet worden toegewezen. Dat laat onverlet dat de waarborg die zich wil voegen aan de zijde van de gewaarborgde dit wel op de een of andere manier te kennen moet geven aan de rechter, waartoe het indienen van een akte tot voeging voldoende is, en vervolgens door de rechter op de een of andere manier moet gehonoreerd c.q. vastgesteld worden dat de gevoegde partij als zodanig in de procedure is verschenen. Daarvan uitgaande zou de kantonrechter in een rolbeschikking moeten vast stellen dat [gedaagde sub 2] als waarborg het recht heeft zich te voegen aan de zijde van [gedaagde sub 1], daartoe de wens te kennen heeft gegeven en derhalve verder als gevoegde partij in de procedure aan de zijde van [gedaagde sub 1] mag optreden.

De kantonrechter is er ambtshalve van op de hoogte dat [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] daadwerkelijk in vrijwaring heeft gedagvaard waardoor tussen hen een vrijwaringsprocedure is gaan lopen bij deze rechtbank onder rolnummer 08-2091. Inmiddels is de kantonrechter er ambtshalve mee bekend geworden dat tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een schikking tot stand is gekomen en dat in verband daarmee op hun verzoek de vrijwaringsprocedure is geroyeerd.

Voor de hoofdzaak rijst dan de vraag of [gedaagde sub 2] nog steeds de positie als waarborg heeft en in verband daarmee of hij nog belang heeft om als gevoegde partij in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde sub 1] mee te procederen. De inhoud van de schikking tussen hen, die de kantonrechter niet bekend is, kan tot gevolg hebben dat [gedaagde sub 2] geen waarborg meer is, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Mogelijk zou dus toch een incidentele beslissing nodig zijn om [gedaagde sub 2] als gevoegde partij aan de zijde van [gedaagde sub 1] toe te laten.

Nu geen van de partijen in de hoofdzaak zich verzet tegen de toelating van [gedaagde sub 2] als gevoegde partij aan de zijde van [gedaagde sub 1], zal de kantonrechter uit praktische overwegingen in dit vonnis maar beslissen (wellicht ten overvloede) dat [gedaagde sub 2] wordt toegelaten als gevoegde partij.

Aangenomen dat [gedaagde sub 2] nog steeds de positie van waarborg heeft, dan volgt uit artikel 214 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dat [gedaagde sub 2] zich uitsluitend aan de zijde van [gedaagde sub 1] mag voegen en niet de zaak van [gedaagde sub 1] mag overnemen. [gedaagde sub 2] heeft dan dus slechts het recht om zich door middel van voeging in de hoofdzaak te scharen aan de zijde van de gewaarborgde, zulks teneinde zelf invloed te kunnen uitoefenen op de toe- en afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, die voorwaarde vormt voor de toewijzing van de vordering in de vrijwaring.

In beginsel geldt dat de waarborg als gevoegde partij de stand waarin het geding zich bevindt ten tijde van de voeging heeft te aanvaarden, zodat de gevolgen van de voeging, in dit geval waarin [gedaagde sub 1] reeds een conclusie van dupliek heeft genomen, slechts zouden inhouden dat [gedaagde sub 2] recht zou hebben om desgewenst zelfstandig in hoger beroep te komen tegen het in de hoofdzaak te wijzen vonnis.

Omdat het in deze zaak lijkt te gaan om een aanzienlijk belang, acht de kantonrechter het in overeenstemming met een redelijke procesorde dat aan [gedaagde sub 2] nog de mogelijkheid wordt geboden om ook in deze eerste instantie feiten en gronden aan te dragen ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt, in dit geval dus [gedaagde sub 1], die zouden kunnen of moeten leiden tot afwijzing van de vordering in de hoofdzaak.

De procedure leidt daardoor tot enige vertraging, maar het nadeel daarvan weegt naar het oordeel van de kantonrechter niet op tegen een eventueel groter nadeel indien zulke feiten en gronden in deze instantie eventueel achterwege zijn gebleven en dus niet beoordeeld worden en - om deze leemte te herstellen - hoger beroep moet worden ingesteld met alle daarbij behorende kosten en tijdrovendheid.

De kantonrechter zal de zaak daarom verwijzen naar de rol opdat [gedaagde sub 2] als gevoegde partij aan de zijde van [gedaagde sub 1] desgewenst nog een conclusie kan nemen. Daarna zal vonnis worden gewezen

de beslissing

De kantonrechter:

stelt vast - en voor zoveel nodig laat toe - dat [gedaagde sub 2] zich als partij in de procedure aan de zijde van [gedaagde sub 1] heeft gevoegd en verwijst deze zaak naar de rolzitting van maandag 27 april 2009 te 10.00 uur opdat [gedaagde sub 2] als gevoegde partij desgewenst nog een conclusie kan nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.