Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8498

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
51673
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De verdere beoordeling

De rechtbank heeft de Maatschap toegelaten te bewijzen dat zij door diefstal, fraude en/of toerekenbare tekortkoming door [gedaagde sub. 2] voor een bedrag van € 84.381,81 aan schade heeft geleden. De Maatschap heeft vijf getuigen doen horen. Zoals de Maatschap zelf reeds heeft vastgesteld heeft de Maatschap niet bewezen dat zij schade heeft geleden door diefstal door [gedaagde sub. 2]. De stelling van de Maatschap dat [gedaagde sub. 2] fraudeerde acht de rechtbank evenmin bewezen. Uit de verklaring van [gedaagde sub. 2] komt veeleer het beeld naar boven dat er sprake was van een slecht georganiseerde administratie en een gebrekkige debiteurenadministratie, waar met regelmaat bedragen binnenkwamen die niet te herleiden waren tot een dossier, en een boekhouder die gemiddeld twee uren per dag de financiële- en loonadministratie verzorgde en die met die “vraagposten” geen weg wist. De [getuige sub. 1 ] heeft verklaard dat het niet de taak van [gedaagde sub. 2] was om er voor te zorgen dat de zaken die hij en de klerk onderzocht hadden op nul uitkwamen en dat de correcties op de afrekeningen, bijvoorbeeld door het nasturen van een nota, door het kantoor hadden moeten worden uitgevoerd. [gedaagde sub. 2] heeft verklaard dat hij met regelmaat geconfronteerd werd met bedragen die binnen kwamen die niet direct konden worden herleid tot een dossier en dat hij die bedragen tijdelijk op een verzamelrekening boekte en dat hij vervolgens bij de klerken en notarissen langs ging en lijstjes langs de mensen op kantoor liet circuleren om de vragen op te lossen. Het door [gedaagde sub. 2] geschetste beeld van de administratieve organisatie vindt steun in de overige verklaringen en in het Memo jaarrekening 1999, gedateerd 13 april 2000 en gericht aan de Maatschap, dat WEA als productie 4 heeft overgelegd en waarin zij in ondubbelzinnige bewoordingen kritiek uit op de interne administratieve organisatie. Gesteld, noch gebleken is dat [gedaagde sub. 2] daarvoor verantwoordelijk was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Maatschap niet heeft bewezen dat zij door een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde sub. 2] voor een bedrag van € 84.381,81 aan schade heeft geleden. Dat brengt met zich dat de rechtbank de vordering tegen [gedaagde sub. 2] en daarmee ook tegen [gedaagde sub. 1]. 2]., in dienst van welke vennootschap [gedaagde sub. 2] zijn werkzaamheden vanaf 1 november 1999 zou hebben uitgevoerd, zal afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

51673 / HA ZA 06-1071 oktober 2008

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 51673 / HA ZA 06-107

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

de maatschap

BEIJSENS & ZONNEVYLLE NOTARISSEN,

gevestigd te Zierikzee,

eiseres,

advocaat mr. E.H.A. Schute,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub. 1].,

gevestigd te Renesse, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub.2],

wonende te Ouwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde,

advocaat mr. J. Bogaard,

3. de maatschap

DE MAATSCHAP WEA ZEELAND,

gevestigd te Goes,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. IJdema.

Partijen zullen hierna Maatschap en WEA genoemd worden.

De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 19 september 2007

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 januari 2008

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 maart 2008

de conclusie na enquête tevens houdende vermindering van eis

de antwoordconclusie na enquête van de zijde van [gedaagde sub. 2]

de antwoordconclusie na enquête van de zijde van WEA

De verdere beoordeling

De rechtbank heeft de Maatschap toegelaten te bewijzen dat zij door diefstal, fraude en/of toerekenbare tekortkoming door [gedaagde sub. 2] voor een bedrag van € 84.381,81 aan schade heeft geleden. De Maatschap heeft vijf getuigen doen horen. Zoals de Maatschap zelf reeds heeft vastgesteld heeft de Maatschap niet bewezen dat zij schade heeft geleden door diefstal door [gedaagde sub. 2]. De stelling van de Maatschap dat [gedaagde sub. 2] fraudeerde acht de rechtbank evenmin bewezen. Uit de verklaring van [gedaagde sub. 2] komt veeleer het beeld naar boven dat er sprake was van een slecht georganiseerde administratie en een gebrekkige debiteurenadministratie, waar met regelmaat bedragen binnenkwamen die niet te herleiden waren tot een dossier, en een boekhouder die gemiddeld twee uren per dag de financiële- en loonadministratie verzorgde en die met die “vraagposten” geen weg wist. De [getuige sub. 1 ] heeft verklaard dat het niet de taak van [gedaagde sub. 2] was om er voor te zorgen dat de zaken die hij en de klerk onderzocht hadden op nul uitkwamen en dat de correcties op de afrekeningen, bijvoorbeeld door het nasturen van een nota, door het kantoor hadden moeten worden uitgevoerd. [gedaagde sub. 2] heeft verklaard dat hij met regelmaat geconfronteerd werd met bedragen die binnen kwamen die niet direct konden worden herleid tot een dossier en dat hij die bedragen tijdelijk op een verzamelrekening boekte en dat hij vervolgens bij de klerken en notarissen langs ging en lijstjes langs de mensen op kantoor liet circuleren om de vragen op te lossen. Het door [gedaagde sub. 2] geschetste beeld van de administratieve organisatie vindt steun in de overige verklaringen en in het Memo jaarrekening 1999, gedateerd 13 april 2000 en gericht aan de Maatschap, dat WEA als productie 4 heeft overgelegd en waarin zij in ondubbelzinnige bewoordingen kritiek uit op de interne administratieve organisatie. Gesteld, noch gebleken is dat [gedaagde sub. 2] daarvoor verantwoordelijk was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Maatschap niet heeft bewezen dat zij door een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde sub. 2] voor een bedrag van € 84.381,81 aan schade heeft geleden. Dat brengt met zich dat de rechtbank de vordering tegen [gedaagde sub. 2] en daarmee ook teg[gedaagde sub. 1]. 2]., in dienst van welke vennootschap [gedaagde sub. 2] zijn werkzaamheden vanaf 1 november 1999 zou hebben uitgevoerd, zal afwijzen.

De Maatschap dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub. 2] worden begroot op:

- vast recht € 1.120,00

- salaris procureur € 6.394,50 (4.5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.514,50

De kosten aan de zijde van het niet verschenen [gedaagde sub. 1] worden begroot op nihil.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de positie van WEA. De Maatschap legt aan haar vordering ten grondslag dat WEA in de uitoefening van haar controle tekort is geschoten. De Maatschap stelt dat in de periode gelegen tussen 1 januari 1993 en oktober 1996 door tekortkomingen in de administratie een tekort is ontstaan van € 60.381,81. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat dit bedrag in 2002 ten laste van de winst is geboekt. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval vast dat de Maatschap schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat in de eerste plaats de Maatschap zelf een verwijt treft. WEA heeft onweersproken gesteld dat zij de Maatschap meermalen gewezen heeft op het feit dat de gevoerde administratie onvoldoende was en dat er sprake was van een zeer matig incasso beleid. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het door WEA als productie overgelegde Memo jaarrekening 1999. Het behoorde primair tot de verantwoordelijkheid van de Maatschap om er op toe te zien dat de administratie en boekhouding goed functioneerde. Nu dat niet het geval is geweest is de Maatschap zelf mede aansprakelijk voor de schade.

De rechtbank passeert de stelling van WEA dat zij niet voor de schade aansprakelijk is omdat zij tot en met 1999 slechts een samenstelopdracht had en dat deze opdracht niet gericht was op het ontdekken van fraude. De Maatschap heeft als productie 10 overgelegd een brief van [betrokkene] aan de rechtsvoorganger van WEA, gedateerd 15 oktober 1990, waarin hij de accountant verzoekt in het vervolg strenge controle te willen uitoefenen op de z.g. doorlopende posten. Gesteld, noch gebleken is dat WEA aan dat verzoek gevolg heeft gegeven en de door haar uit te voeren controle daaraan heeft aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft WEA vanaf dat moment niet meer kunnen volstaan met het uitvoeren van een samenstelopdracht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat WEA zelf heeft gesteld dat zij de Maatschap er bij herhaling op heeft gewezen dat de gevoerde administratie onvoldoende was, dat zij de Maatschap meermaals heeft gewaarschuwd voor een onvolledige boekhouding en dat er sprake was van een matig incassobeleid. WEA had bij de uitvoering van haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht behoren te nemen. Gegeven haar constatering dat er sprake was van een onvoldoende administratie, een onvolledige boekhouding, een matig incassobeleid, had het naar het oordeel op haar weg gelegen om de Maatschap te wijzen op de noodzaak om een strengere controle door WEA te laten uitvoeren. Nu gesteld, noch geleken is dat WEA dat heeft gedaan of heeft gewezen op de noodzaak van een andere vorm van controle, is de rechtbank van oordeel dat WEA tekort geschoten is in haar controlerende taak en mede aansprakelijk is voor de door de Maatschap geleden schade. Alles in ogenschouw nemende is acht de rechtbank het redelijk dat iedere partij de helft van de schade draagt.

De rechtbank komt tenslotte toe aan de omvang van de schade. De Maatschap heeft de door haar geleden schade na vermindering haar eis begroot op € 84.287,5 (€ 60.249,00, vermeerderd met personeelskosten € 10.000,00, de kosten van een computerprogramma € 476,00, advocaatkosten € 3.562,55 en accountantskosten € 10.000,00), subsidiair, er vanuit gaande dat [betrokkene] een aandeel in de schade had dienen te delen op € 49.137,55 ( € 25.099,00 vermeerderd met personeelskosten € 10.000,00, computerprogramma € 476,00, advocaatkosten € 3.562,55, accountantskosten € 10.000,00). De Maatschap heeft de personeelskosten, de kosten van het computerprogramma, advocaatkosten en de accountantskosten echter op geen enkele wijze onderbouwd. Een procespartij dient alle feiten te stellen die benodigd zijn voor het intreden van het door haar beoogde rechtsgevolg. Laat een procespartij na zodanige feiten te stellen dan kan zij tot het bewijs daarvan niet worden toegelaten. Nu de Maatschap deze posten op geen enkele wijze toegelicht of onderbouwd zal de rechtbank de op deze posten gebaseerde vorderingen afwijzen. De maatschap heeft WEA bij brief d.d. 20 februari 2004 aansprakelijk gesteld voor de schade en aanspraak gemaakt op de wettelijke rente. De rechtbank zal de wettelijke rente dan ook toewijzen met ingang van 20 februari 2004. Nu WEA geen verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde verklaring voor recht zal de rechtbank ook dat onderdeel van de vordering toewijzen.

Nu ieder van partijen voor een deel in het ongelijk wordt gesteld zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank

Ten aanzien van [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 1]:

wijst de vordering van de Maatschap op [gedaagde sub. 2] en [gedaagde sub. 1] af;

veroordeelt De Maatschap in de kosten van het geding welke aan de zijde van [gedaagde sub. 2] tot aan dit moment worden begroot op € 7.514,50

Bepaalt, nu [gedaagde sub. 2] met een toevoeging procedeert, dat die kostenbetaling dient te geschieden door voldoening A. aan de griffier van deze rechtbank: - wegens het in debet gestelde deel griffierecht € 1.008,00 - wegens procureurssalaris € 6.394,50 B. aan [gedaagde sub. 2]: - het voor rekening van die partij gekomen deel van het griffierecht ad € 112,00

verklaart dit vonnis met betrekking tot de proceskosten tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Ten aanzien van WEA:

veroordeelt WEA om aan de Maatschap tegen kwijting te betalen de som van € 30.190,91, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, met ingang van 20 februari 2004 tot de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert tussen partijen de proceskosten, zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op

21 januari 2009.?