Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8451

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
64771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De feiten

[eiseres] en de zoon van [gedaagde] zijn op 17 maart 2006 te Reimerswaal met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2008 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De beschikking is op 24 juni 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Reimerswaal.

Tot de gemeenschappelijke goederen van [eiseres] en haar ex-echtgenoot behoorde een auto van het merk Peugeot 207 met het kenteken 15-TK-PP (hierna te noemen: de auto) en de op de auto rustende financiering ten bedrage van € 9.532,47 bij PSA Finance.

Begin 2008 heeft [gedaagde] de gehele schuld bij PSA Finance afgelost. De auto staat thans op zijn naam.

Het geschil

in conventie

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.164,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening ter aflossing van de hypothecaire schuld van [eiseres] en haar ex-echtgenoot, subsidiair

dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan haar van de helft van het bedrag van

€ 8.164,53 vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

[eiseres] voert ter onderbouwing van haar vorderingen aan dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Ze heeft wel ingestemd met de verkoop van de auto, maar

niet voor een bedrag van € 9.532,47. Uitgaande van de bij de dagvaarding gevoegde prijscalculatie bedraagt de waarde van de auto volgens [eiseres] circa € 17.700,00.

[gedaagde] voert verweer. Primair voert hij aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering. Ze treedt thans als één van de verkooppartijen zelfstandig op tegen [gedaagde] als koper, terwijl haar ex-echtgenoot zich tegen haar standpunt verweert. De toestemming voor de overeenkomst op zichzelf wordt door [eiseres] niet betwist, slechts de koopprijs.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat [eiseres] heeft ingestemd met de verkoop van de auto en er dus een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. Hij betwist dat de auto

€ 17.700,00 waard is. Hij verwacht dat de auto nu niet meer dan € 8.000,00 zal opbrengen. Hij heeft voor januari 2008 de waarde van de auto opgevraagd bij garage Lokerse in Kruiningen en de waarde van de auto was op dat moment € 14.800,00.

in voorwaardelijke reconventie

[gedaagde] vordert voorwaardelijk, namelijk voor zover het beroep op ongerechtvaardigde verrijking in conventie slaagt, dat de rechtbank de koopovereenkomst met betrekking tot de auto vernietigt en [eiseres] veroordeelt tot terugbetaling van de door hem betaalde koopprijs van € 9.532,47, te vermeerderen met de door hem betaalde verzekeringspremie van € 343,07 en wegenbelasting van € 244,00 per kwartaal, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening. Voorts vordert [gedaagde] dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij pas tot afgifte van de auto is verplicht, nadat [eiseres] heeft voldaan aan haar uit hoofde van dit vonnis voortvloeiende betalingsverplichtingen.

[gedaagde] legt aan zijn voorwaardelijke vorderingen ten grondslag dat, indien de rechtbank oordeelt dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat de door [eiseres] gestelde waarde van de auto redelijk is, hij heeft gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst. Hij had de intentie om de schulden van [eiseres] en zijn zoon te verlichten en had zelf geen baat bij de aankoop van de auto. Hij zou de auto niet hebben gekocht voor een bedrag van € 17.700,00.

[eiseres] voert verweer. Er is volgens haar geen sprake van dwaling, omdat ze vanaf het begin heeft aangegeven dat ze niet akkoord zou gaan met een koopsom van

€ 9.532,47.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

2

64771 / HA ZA 08-476 4 november 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

64771 / HA ZA 08-47612 augustus 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 64771 / HA ZA 08-476

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. H. van Es te Goes,

tegen

[gedaagde],

wonende te Waarde, gemeente Reimerswaal,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. D.M.S. van der Wulp te Zwijndrecht.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 14 januari 2009,

het proces-verbaal van de op 23 maart 2009 gehouden comparitie van partijen,

de akte houdende wijziging van eis.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiseres] en de zoon van [gedaagde] zijn op 17 maart 2006 te Reimerswaal met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2008 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De beschikking is op 24 juni 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Reimerswaal.

Tot de gemeenschappelijke goederen van [eiseres] en haar ex-echtgenoot behoorde een auto van het merk Peugeot 207 met het kenteken 15-TK-PP (hierna te noemen: de auto) en de op de auto rustende financiering ten bedrage van € 9.532,47 bij PSA Finance.

Begin 2008 heeft [gedaagde] de gehele schuld bij PSA Finance afgelost. De auto staat thans op zijn naam.

Het geschil

in conventie

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.164,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening ter aflossing van de hypothecaire schuld van [eiseres] en haar ex-echtgenoot, subsidiair

dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan haar van de helft van het bedrag van

€ 8.164,53 vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

[eiseres] voert ter onderbouwing van haar vorderingen aan dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Ze heeft wel ingestemd met de verkoop van de auto, maar

niet voor een bedrag van € 9.532,47. Uitgaande van de bij de dagvaarding gevoegde prijscalculatie bedraagt de waarde van de auto volgens [eiseres] circa € 17.700,00.

[gedaagde] voert verweer. Primair voert hij aan dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering. Ze treedt thans als één van de verkooppartijen zelfstandig op tegen [gedaagde] als koper, terwijl haar ex-echtgenoot zich tegen haar standpunt verweert. De toestemming voor de overeenkomst op zichzelf wordt door [eiseres] niet betwist, slechts de koopprijs.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat [eiseres] heeft ingestemd met de verkoop van de auto en er dus een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. Hij betwist dat de auto

€ 17.700,00 waard is. Hij verwacht dat de auto nu niet meer dan € 8.000,00 zal opbrengen. Hij heeft voor januari 2008 de waarde van de auto opgevraagd bij garage Lokerse in Kruiningen en de waarde van de auto was op dat moment € 14.800,00.

in voorwaardelijke reconventie

[gedaagde] vordert voorwaardelijk, namelijk voor zover het beroep op ongerechtvaardigde verrijking in conventie slaagt, dat de rechtbank de koopovereenkomst met betrekking tot de auto vernietigt en [eiseres] veroordeelt tot terugbetaling van de door hem betaalde koopprijs van € 9.532,47, te vermeerderen met de door hem betaalde verzekeringspremie van € 343,07 en wegenbelasting van € 244,00 per kwartaal, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening. Voorts vordert [gedaagde] dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij pas tot afgifte van de auto is verplicht, nadat [eiseres] heeft voldaan aan haar uit hoofde van dit vonnis voortvloeiende betalingsverplichtingen.

[gedaagde] legt aan zijn voorwaardelijke vorderingen ten grondslag dat, indien de rechtbank oordeelt dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking omdat de door [eiseres] gestelde waarde van de auto redelijk is, hij heeft gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst. Hij had de intentie om de schulden van [eiseres] en zijn zoon te verlichten en had zelf geen baat bij de aankoop van de auto. Hij zou de auto niet hebben gekocht voor een bedrag van € 17.700,00.

[eiseres] voert verweer. Er is volgens haar geen sprake van dwaling, omdat ze vanaf het begin heeft aangegeven dat ze niet akkoord zou gaan met een koopsom van

€ 9.532,47.

De beoordeling

in conventie

Ten aanzien van het zijdens [gedaagde] aangevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer overweegt de rechtbank het volgende. De door [eiseres] ingestelde vordering strekt primair tot betaling van een bedrag door [gedaagde] ter aflossing van de hypothecaire schuld van [eiseres] en haar ex-echtgenoot. Blijkens artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van een rechtsvordering ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Dat [eiseres] de vordering niet mede namens haar ex-echtgenoot heeft ingesteld staat daar niet aan in de weg. Nu [eiseres] bevoegd is om zelfstandig een vordering in te stellen ten behoeve van de gemeenschap, kan het door [gedaagde] gevoerde verweer niet slagen ten aanzien van de door [eiseres] ingestelde primaire vordering.

Subsidiair ziet de door [eiseres] ingestelde vordering op betaling van een bedrag door [gedaagde] enkel aan haar. Deze vordering strekt niet tot verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap zoals bedoeld in artikel 3:171 BW. Dit heeft tot gevolg dat [eiseres] niet bevoegd is om deze vordering in te stellen. Het verweer van [gedaagde] slaagt derhalve wel ten aanzien van de door [eiseres] ingestelde subsidiaire vordering.

Ingevolge artikel 6:212 BW is het voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van belang dat door degene die daar een beroep op doet, uiteengezet wordt waaruit de verrijking van de één -in casu [gedaagde]- bestaat en waaruit de verarming van de ander -in casu [eiseres] en haar ex-echtgenoot- bestaat, dat er een voldoende verband bestaat tussen de verrijking en de verarming, en ten slotte dat deze verrijking ongerechtvaardigd is. Thans is de vraag aan de orde of [gedaagde] is verrijkt ten koste van [eiseres] en haar ex-echtgenoot en zo ja, waar die verrijking uit bestaat. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij meent dat [gedaagde] ten koste van haar en haar ex-echtgenoot is verrijkt met een bedrag van € 8.164,53. Dit bedrag vormt het verschil tussen de door haar gestelde waarde van de auto van € 17.700,00 en de door [gedaagde] afbetaalde schuld ten bedrage van € 9.532,47. [gedaagde] betwist dat de auto € 17.700,00 waard zou zijn. De waarde van de auto staat derhalve niet vast en dit heeft tot gevolg dat de vraag of [gedaagde] is verrijkt ten koste van [eiseres] en haar ex-echtgenoot, en zo ja, waar die verrijking uit bestaat, thans niet kan worden beantwoord. [eiseres] heeft haar standpunt hieromtrent voldoende gemotiveerd onderbouwd en [gedaagde] heeft het standpunt van [eiseres] voldoende gemotiveerd betwist, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om [eiseres] op te dragen hiervoor bewijs te leveren. [eiseres] heeft geen aanbod daartoe gedaan en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om haar op te dragen bewijs te leveren, gelet op het navolgende.

Om te kunnen spreken van ongerechtvaardigde verrijking is voorts vereist dat de verrijking ongerechtvaardigd is. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. Vast staat dat [eiseres] en de zoon van [gedaagde] ten tijde van het door [gedaagde] aflossen van de op de auto rustende financiering van € 9.532,47 in een slechte financiële situatie verkeerden en financiële problemen hadden. [gedaagde] wilde, zo is onbetwist, door het aflossen van de schuld op de auto, de schulden van zijn zoon en [eiseres] verlichten.

Bij het niet voldoen aan de maandelijkse betalingsverplichtingen verbonden aan de auto, zou de schuld spoedig oplopen tot een zeer aanzienlijk bedrag door bijkomende (rente)kosten. Doordat [gedaagde] de op de auto rustende schuld heeft afgelost, heeft hij voorkomen dat de schuld van [eiseres] en zijn zoon nog hoger zou worden.

Voorts stelt [gedaagde] zelf geen baat bij de overeenkomst te hebben gehad. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook wel uit het feit dat hij de auto niet heeft verkocht, hetgeen hem financieel gewin kunnen opleveren. Bovendien rijdt hij niet zelf, maar zijn zoon in de auto.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door [gedaagde] afgeloste schuld op de auto als tegenprestatie voor de verkrijging van de auto onder de gegeven omstandigheden als redelijk kan worden beschouwd. Nu in onderhavige zaak een redelijke grond aanwezig wordt geacht, kan op basis daarvan al niet geconcludeerd worden dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank zal derhalve het gevorderde afwijzen.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 303,00

- salaris advocaat € 768,00 (2,0 punten x tarief € 384,00)

Totaal € 1.071,00

in voorwaardelijke reconventie

Uit hetgeen in conventie is overwogen, vloeit voort dat de voorwaarde waarvan de vorderingen in reconventie afhankelijk zijn gesteld, niet is vervuld. De rechtbank komt derhalve aan de inhoudelijke beoordeling van deze vorderingen niet toe.

De beslissing

De rechtbank

in conventie wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.071,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op

4 november 2009.