Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8448

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
66964
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De feiten

Partijen kennen elkaar van de Rotary en hebben gedurende enkele jaren een vriendschappelijke relatie met elkaar onderhouden. Eiser sub.1 is eigenaar van een architectenbureau in Zierikzee; gedaagde is werkzaam bij een bedrijf dat zich bezighoudt met technische installaties in gezondheidszorginstellingen.

Op 30 mei 2006 hebben eisers – in hun woning - een bedrag van € 5.000,-- in

contanten aan gedaagde overhandigd. Gedaagde heeft dat bedrag aangewend ter betaling van zijn jachtrechten in de Ardennen.

2.3. Eisers hebben gedaagde bij een aangetekend verzonden brief van 14 november 2008 verzocht om terugbetaling van voormeld bedrag. Bij aangetekend verzonden brief van 6 januari 2009 heeft de advocaat van eisers dat verzoek herhaald. Gedaagde is niet tot terugbetaling overgegaan.

Het geschil

Eisers vorderen veroordeling van gedaagde tot betaling van € 5.000,--, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij met gedaagde een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan en dat zij gedaagde in dat verband op 30 mei 2006 uit privé-middelen een bedrag van € 5.000,00 hebben overhandigd. Die overeenkomst is mondeling gesloten en is niet op papier gezet. Gedaagde had het geleende bedrag nodig voor de betaling van zijn jaarlijkse jachtrechten in de Ardennen. Hoewel ten tijde van het sluiten van die geldlening geen terugbetalingstermijn is afgesproken, was de lening voor een korte periode bedoeld. Gedaagde is verscheidene malen verzocht om tot terugbetaling over te gaan. Dit moet als opzegging van de lening worden aangemerkt. Gedaagde gaf hen echter steeds te kennen dat het hem (op die momenten) niet uitkwam om terug te betalen. Uiteindelijk heeft gedaagde – onder verbreking van de vriendschapsbanden – in december 2007 toegezegd het geleende geld terug te zullen betalen. Ook de echtgenote van gedaagde, die door hen voor het eerst in september 2007 op de gang van zaken is aangesproken, heeft eisers gezegd de schuld te willen aflossen. Die beloftes van gedaagde en zijn echtgenote zijn echter tot heden niet nagekomen. Eisers menen dat het verweer van gedaagde als ongemotiveerd en tardief moet worden gepasseerd. Hij heeft het bestaan van de onderhavige geldlening namelijk pas in het kader van deze procedure betwist. Op de brieven van 14 november 2008 en 6 januari 2009 heeft hij nooit gereageerd.

Eisers betwisten dat gedaagde in hun opdracht tegen betaling werkzaamheden heeft verricht. Alles wat hij door de jaren heen voor hen heeft gedaan, heeft steeds plaatsgevonden in het kader van vriendendiensten. Tot slot stellen eisers buitengerechtelijke incassokosten te hebben gemaakt tot een bedrag van € 200,00.

Gedaagde voert verweer. Hij betwist dat sprake is geweest van een geldlening. Gedaagde stelt dat hij beschikt(e) over een breed netwerk. Met eisers, althans met eiser sub.1, is hij overeengekomen dat de betaling van 30 mei 2006 gold als vergoeding voor de vele (zakelijke) adviezen die hij eiser sub.1 door de jaren heen heeft gegeven en de vele werkzaamheden die hij ten behoeve van hem heeft verricht. Gedaagde betwist eisers ooit te hebben toegezegd tot terugbetaling van het bedrag van € 5.000,-- over te zullen gaan. Ook zijn echtgenote heeft een dergelijke toezegging nimmer gedaan. Tot slot betwist gedaagde de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Zijns inziens was het maken van dergelijke kosten niet gerechtvaardigd. Bovendien staat dat bedrag in geen verhouding tot de verrichte werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

2

66964 / HA ZA 09-149

4 november 2009

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

66964 / HA ZA 09-1494 november 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 66964 / HA ZA 09-149

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1]

wonende te Burgh-Haamstede,

2. [eiser sub 2],

wonende te Burgh-Haamstede,

eisers,

advocaat: mr. J.B. de Meester te Goes,

tegen

[gedaagde],

wonende te Schuddebeurs, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde,

advocaat: mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 27 mei 2009

het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2009.

De feiten

Partijen kennen elkaar van de Rotary en hebben gedurende enkele jaren een vriendschappelijke relatie met elkaar onderhouden. Eiser sub.1 is eigenaar van een architectenbureau in Zierikzee; gedaagde is werkzaam bij een bedrijf dat zich bezighoudt met technische installaties in gezondheidszorginstellingen.

Op 30 mei 2006 hebben eisers – in hun woning - een bedrag van € 5.000,-- in

contanten aan gedaagde overhandigd. Gedaagde heeft dat bedrag aangewend ter betaling van zijn jachtrechten in de Ardennen.

2.3. Eisers hebben gedaagde bij een aangetekend verzonden brief van 14 november 2008 verzocht om terugbetaling van voormeld bedrag. Bij aangetekend verzonden brief van 6 januari 2009 heeft de advocaat van eisers dat verzoek herhaald. Gedaagde is niet tot terugbetaling overgegaan.

Het geschil

Eisers vorderen veroordeling van gedaagde tot betaling van € 5.000,--, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat zij met gedaagde een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan en dat zij gedaagde in dat verband op 30 mei 2006 uit privé-middelen een bedrag van € 5.000,00 hebben overhandigd. Die overeenkomst is mondeling gesloten en is niet op papier gezet. Gedaagde had het geleende bedrag nodig voor de betaling van zijn jaarlijkse jachtrechten in de Ardennen. Hoewel ten tijde van het sluiten van die geldlening geen terugbetalingstermijn is afgesproken, was de lening voor een korte periode bedoeld. Gedaagde is verscheidene malen verzocht om tot terugbetaling over te gaan. Dit moet als opzegging van de lening worden aangemerkt. Gedaagde gaf hen echter steeds te kennen dat het hem (op die momenten) niet uitkwam om terug te betalen. Uiteindelijk heeft gedaagde – onder verbreking van de vriendschapsbanden – in december 2007 toegezegd het geleende geld terug te zullen betalen. Ook de echtgenote van gedaagde, die door hen voor het eerst in september 2007 op de gang van zaken is aangesproken, heeft eisers gezegd de schuld te willen aflossen. Die beloftes van gedaagde en zijn echtgenote zijn echter tot heden niet nagekomen. Eisers menen dat het verweer van gedaagde als ongemotiveerd en tardief moet worden gepasseerd. Hij heeft het bestaan van de onderhavige geldlening namelijk pas in het kader van deze procedure betwist. Op de brieven van 14 november 2008 en 6 januari 2009 heeft hij nooit gereageerd.

Eisers betwisten dat gedaagde in hun opdracht tegen betaling werkzaamheden heeft verricht. Alles wat hij door de jaren heen voor hen heeft gedaan, heeft steeds plaatsgevonden in het kader van vriendendiensten. Tot slot stellen eisers buitengerechtelijke incassokosten te hebben gemaakt tot een bedrag van € 200,00.

Gedaagde voert verweer. Hij betwist dat sprake is geweest van een geldlening. Gedaagde stelt dat hij beschikt(e) over een breed netwerk. Met eisers, althans met eiser sub.1, is hij overeengekomen dat de betaling van 30 mei 2006 gold als vergoeding voor de vele (zakelijke) adviezen die hij eiser sub.1 door de jaren heen heeft gegeven en de vele werkzaamheden die hij ten behoeve van hem heeft verricht. Gedaagde betwist eisers ooit te hebben toegezegd tot terugbetaling van het bedrag van € 5.000,-- over te zullen gaan. Ook zijn echtgenote heeft een dergelijke toezegging nimmer gedaan. Tot slot betwist gedaagde de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Zijns inziens was het maken van dergelijke kosten niet gerechtvaardigd. Bovendien staat dat bedrag in geen verhouding tot de verrichte werkzaamheden.

De beoordeling

Eisers beroepen zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde feiten, die

betwist zijn door gedaagde. Ingevolge artikel 150 Rv dragen eisers dan de bewijslast van die feiten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat van een ongemotiveerde

betwisting van de feiten door gedaagde geen sprake is. Gedaagde stelt immers dat de betaling op 30 mei 2006 plaatsvond op grond van een andere rechtsgrond, te weten: in opdracht van eisers, althans van eiser sub.1, verrichte werkzaamheden.

De rechtbank ziet evenmin reden het verweer van gedaagde als tardief aan te

merken. De enkele omstandigheid dat gedaagde niet schriftelijk is ingegaan op de brieven van 14 november 2008 en 6 januari 2009 is daartoe onvoldoende. Dat zou anders zijn indien vast zou staan dat gedaagde ook in mondelinge contacten met eisers nooit eerder het bestaan van een overeenkomst van geldlening heeft betwist. Gelet op het verweer van gedaagde staat dat echter in deze procedure juist niet vast.

4.4. Nu naar het oordeel van de rechtbank voor een andere bewijslastverdeling geen reden is, zullen eisers dienen te bewijzen dat zij met gedaagde een overeenkomst van geldlening hebben gesloten, uit hoofde waarvan zij op 30 mei 2006 een bedrag van € 5.000,00 aan hem hebben uitbetaald. Eisers zullen tot het leveren van bewijs worden toegelaten.

4.5. In afwachting van de bewijslevering, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank

draagt eisers op te bewijzen feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat zij met gedaagde een overeenkomst van geldlening hebben gesloten en dat zij uit hoofde daarvan het op 30 mei 2006 aan gedaagde overhandigde bedrag van € 5.000,-- aan hem hebben betaald;

bepaalt dat, indien eisers het bewijs willen leveren door middel van het doen horen van getuigen, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.A.J. van den Boom in het gerechtsgebouw te Middelburg aan Kousteensedijk 2 op 14 december 2009 van 13.30 tot 15.30 uur;

bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum;

bepaalt dat eisers, indien zij het bewijs niet door getuigen willen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moeten opgeven;

bepaalt dat eisers – indien zij het bewijs niet uitsluitend door middel van het doen horen van getuigen willen leveren, maar tevens door het in het geding brengen van schriftelijke bewijsstukken, die bewijsstukken uiterlijk twee weken voor voormelde enquêtedatum aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.?