Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK8243

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
58054/HA ZA 07-271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In voornoemd tussenvonnis is aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgedragen te bewijzen dat zij, dan wel hun rechtsvoorganger [rechtsvoorganger en vader van gedaagden], sedert 1976, dan wel in ieder geval gedurende tien jaar voorafgaand aan 31 mei 2007 onafgebroken bezitters zijn geweest van de betreffende stroken grond behorende tot perceel [perceel 1] gelegen aan de linkerzijde, de rechterzijde en de achterzijde van perceel [perceel 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

58054 / HA ZA 07-27113 mei 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 58054 / HA ZA 07-271

Vonnis van 27 mei 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Kalmthout,

eiseres,

advocaat mr. J.Ch. van der Tak te Bergen op Zoom,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Koudekerke,

2. [gedaagde 2],

wonende te Zonnemaire,

gedaagden,

advocaat mr. J.C. van den Doel te Zierikzee.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 19 december 2007

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 maart 2008 aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 19 juni 2008 aan de zijde van [eiseres]

het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 december 2008 aan de zijde van [eiseres]

de akte overlegging producties zijdens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

de akte zijdens [eiseres].

Bij brief van 15 februari 2008 heeft mr. Van den Doel producties in het geding gebracht.

Op 3 maart 2008 is door mr. Van den Doel een dvd gedeponeerd, waarvan een akte van depot is opgemaakt door de griffier.

De verdere beoordeling

In voornoemd tussenvonnis is aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgedragen te bewijzen dat zij, dan wel hun rechtsvoorganger [rechtsvoorganger en vader van gedaagden], sedert 1976, dan wel in ieder geval gedurende tien jaar voorafgaand aan 31 mei 2007 onafgebroken bezitters zijn geweest van de betreffende stroken grond behorende tot perceel [perceel 1] gelegen aan de linkerzijde, de rechterzijde en de achterzijde van perceel [perceel 2]. Aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn als getuigen gehoord [getuige 1 en moeder [getuige 1 en moeder van gedaagden], [getuige 2], [ge[getuige 3], [gedaagde 2] (partij- getuige) en [gedaagde 1] (partij-getuige). Van de zijde van [eiseres] zijn gehoord [getuige 4], [getuige 5] en [getui[getuige 6].

Bij akte hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nog drie getuigenverklaringen overgelegd van [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 9]. Deze verklaringen laat de rechtbank echter buiten beschouwing nu deze verklaringen door [eiseres] worden betwist en de getuigen ook niet onder ede zijn gehoord.

Ten aanzien van de achterzijde van perceel [perceel 2] bezien vanaf de straatkant, heeft partij-getuige [gedaagd[gedaagde 1] verklaard dat hij bereid is om het bestaande hek te (ver)plaatsen overeenkomstig de op productie A5 overgelegd bij brief van 15 februari 2008 van mr. Van den Doel door het kadaster op de tekening aangegeven donkere stippellijn. Nu door [eiseres] niet is betwist dat deze lijn overeenkomt met de grens van haar perceel, bestaat ten aanzien van de achterzijde van het perceel [perceel 2] geen geschil meer tussen partijen. De vordering kan ten aanzien van de achterzijde in deze zin worden toegewezen.

Uit de verklaringen van [getuige 1 en moeder van gedaagden], [getuige 2] en [getuige 3], maar ook uit de verklaring in contra-enquete van [getuige 4] en [getuige 5], blijkt dat aan de linkerzijde van het perceel [perceel 2] bezien vanaf de straatkant, in ieder geval gedurende de periode waarop de bewijsopdracht betrekking heeft, steeds een ligusterhaag heeft gestaan. Uit de verklaring van [getuige 3], eigenaar van een perceel dat twee percelen verder is gelegen dan [perceel 2], blijkt ook dat in zijn herinnering de linkerzijde begrensd is geweest door een afscheiding met paaltjes en draad, en dat deze paaltjes stonden in een lijn evenwijdig aan de achterzijde van de ligusterheg over de gehele linkerzijde van het perceel. [gedaagd[gedaagde 1] (35 jaar) heeft verklaard dat vanaf zijn zesde jaar zijn vader de achterzijde van de ligusterhaag heeft gebruikt als lijn om die kant van het perceel verder te snoeien. Zijn vader wist niet hoe de perceelgrens liep. Het snoeien ging niet in een rechte lijn, en er werd gesnoeid wat er stond. Er stond alleen aan de linkerzijde achterin vanaf de straat kant bezien een kadasterpaaltje.

[getuige 5] heeft verklaard dat de heer [rechtsvoorganger en vader van gedaagden] zodanig maaide dat de maaimachine telkens weer wat verder in de bebossing werd geduwd.

Uit bovengenoemde verklaringen kan worden afgeleid dat gedurende de periode waarop de bewijsopdracht betrekking heeft, het perceel aan de linkerzijde in ieder geval in gebruik is geweest bij de [familie gedaagden] tot een denkbeeldige lijn gemeten van de achterzijde van de ligusterhaag tot aan het kadasterpaaltje aan de linkerzijde achterin. Dit kadasterpaaltje is nog steeds aanwezig op het perceel, hetgeen blijkt uit foto 6, overgelegd door mr. Boas bij brief van 11 oktober 2007. Het feit dat de bomengrens aan de linkerzijde van perceel [perceel 2] nog verder achter deze denkbeeldige lijn is teruggesnoeid, leidt niet tot een ander oordeel. Kennelijk heeft, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 5] maar ook uit de eigen verklaring van [gedaagd[gedaagde 1], de vader van [gedaagd[gedaagde 1] nooit in een rechte lijn gesnoeid zodat thans niet is bewezen dat gedurende de gehele te bewijzen periode het perceel tot voorbij voornoemde denkbeeldige lijn in gebruik is geweest. Derhalve wordt de vordering ten aanzien van de linkerzijde toegewezen tot een rechte lijn gemeten vanaf de achterzijde van de ligusterhaag grenzend aan perceel [perceel 1], tot aan het kadasterpaaltje aan de linkerzijde achterin perceel [perceel 2].

Uit de foto’s overgelegd door beide partijen blijkt dat thans aan de rechterzijde van perceel [perceel 2] bezien vanaf de straatkant een houten hek staat en dat er op de grond grenzend aan de straat, een parkeerterrein is aange[getuige 1 en moed[getuige 1 en moeder van gedaagden] heeft over de rechterzijde verklaard dat het houten hek altijd over de gehele rechterzijde geplaatst is geweest. Aan de rechterzijde vooraan ligt een parkeerterrein dat is betegeld door haar zoon toen hij 16 of 18 jaar was en dat het nooit opnieuw betegeld is. Hij is geboren in 1972, dus moet het parkeerterrein volgens haar verklaring vanaf zeker 1990 ongewijzigd zijn. Volgens [getuige 2] is de situatie aan de rechterzijde altijd geweest zoals die nu is. Er is volgens haar een nieuw hek geplaatst op dezelfde plaats als het oude hek. Over het parkeerterrein verklaart zij dat dit vroeger grond en gras was en dat dit mogelijk een jaar of 4 geleden is betegeld. Over de rechterzijde kan [getuige 3] ten aanzien van de bewijsopdracht niets verklaren. [gedaagde 2] heeft verklaard dat over de gehele rechterzijde steeds planken hebben gestaan, en dat deze op enig moment vervangen zijn door de huidige planken. Deze verklaring wordt bevestigd door [gedaagd[gedaagde 1]. Hij geeft aan dat het hekje aan de rechterzijde er vanaf ongeveer zijn 10e jaar stond en dat hij het hekje heeft vervangen door een nieuw hek en dat hij dat nieuwe hek heeft doorgetrokken tot aan de straat. Hiertegenover staat de verklaring van [getuige 4], die stelt dat de parkeerplaats tussen de vijf en acht jaar geleden op de huidige wijze is aangelegd. Aan de rechterzijde stonden volgens haar wat plankjes om onkruid uit het bos tegen te houden. Zij weet niet of deze plankjes over de hele lengte van het perceel stonden. [getuige 5] schat in dat de omheining aan de rechterzijde meer schuin loopt dan anders omdat het er zo uitziet dat het eerste stuk van de omheining niet in één rechte lijn loopt met het laatste stuk van de omheining. Volgens [getuige 6] zijn er na 2004 aan de rechterzijde wat veranderingen aangebracht. Hij kreeg de indruk dat er wat ruimer geparkeerd kon worden tot aan de bomen die aan de rechterzijde staan.

Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat aan de rechterzijde van het perceel [perceel 2], het perceel steeds afgebakend is geweest met houten plankjes. Zowel [getuige 1], [getuige 2], [gedaagde 2] als [gedaagd[gedaagde 1] verklaren dat het huidige hek op dezelfde plaats is komen te staan als de oude houten plankjes. Hieruit kan worden afgeleid dat de grond aan de rechterzijde tot aan het hek steeds in gebruik is geweest bij de [familie gedaagden]. Dat het deel van het perceel dat als parkeerterrein werd gebruikt, mogelijk niet gedurende de gehele periode waarop de bewijsopdracht ziet, betegeld is geweest, maakt dit niet anders. De verklaringen in contra-enquête doen hier ook niet aan af. [getuige 4] kan alleen verklaren dat de betegeling zoals die nu is, niet altijd aanwezig is geweest. Ook zonder betegeling kan dit deel – zoals de getuigen in enquete verklaren - in gebruik zijn geweest als parkeerterrein. De inschatting van [getuige 5] is onvoldoende concreet om de verklaringen van de [familie gedaagden] dat het hek op dezelfde plaats is teruggezet als het oude hek, te weerleggen. Ook de indruk van [getuige 6] dat er wat ruimer geparkeerd kon worden, is onvoldoende om de verklaringen in enquete te weerleggen. Hieruit volgt dat [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] zijn geslaagd in hun bewijsopdracht ten aanzien van de rechterzijde. De vordering zal, voorzover deze betrekking heeft op de rechterzijde van het perceel, dan ook worden afgewezen.

De termijn waarop [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] de tegels en hekwerken van de stroken grond waarvoor de vordering is toegewezen, dienen te verwijderen, zal in redelijkheid worden bepaald op een maand na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom wordt gemaximeerd tot € 50.000,--. Gelet op de aard van de vorderingen, wordt de vordering tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring alleen toegewezen ten aanzien van de beslissing als hierna genoemd onder 3. B.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat de strook grond gelegen aan de linkerzijde van perceel [perceel 2], bezien vanaf de straatkant, voor zover deze door [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] in bezit is genomen voorbij de (denkbeeldige) lijn vanaf de achterzijde van de ligusterhaag grenzend aan perceel [perceel 1], tot aan het kadasterpaaltje aan de linkerzijde achterin perceel [perceel 2], toebehoort aan [eiseres] als eigenares van perceel [perceel 1];

verklaart voor recht dat de strook grond gelegen aan de achterzijde van perceel [perceel 2], bezien vanaf de straatkant, voor zover deze door [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] in bezit is genomen voorbij de op productie A5 overgelegd bij brief van 15 februari 2008 van mr. Van den Doel door het kadaster op de tekening aangegeven donkere stippellijn, toebehoort aan [eiseres] als eigenares van perceel [perceel 1];

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] tot beëindiging van het bezit en verwijdering van de aanwezige tegels en hekwerken van de hierboven bedoelde stroken grond van/op delen van perceel [perceel 1] binnen een maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde 2] en [gedaagd[gedaagde 1] hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 50.000,--;

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van de Poll en in het openbaar uitgesproken op

27 mei 2009.