Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK0860

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
12/993012-05 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als feitelijk leidinggevende van zijn veeteeltbedrijf kruidenmengsels, waarin het niet-geregistreerde diergeneesmiddel dexamethason voorkwam, en diergeneesmiddelen Lincomycine, Enrofloxacin en Spectiniomycine voorhanden gehad. Het betreffen niet in Nederland geregistreerde diergeneesmiddelen. Daarnaast zijn op zijn bedrijf twee runderen aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat deze met progesteron zijn ingespoten. Voor de aanwezigheid van dexamethason in die kruidenmengsels is de overtredingsvariant bewezen geacht. Ten aanzien van de aangetroffen injectiespuit met progesteron, de diergeneesmiddelen, bevattend Enrofloxacin, Lincomycine en Spectinomycine en het in de handel brengen van twee runderen die met progesteron waren behandeld acht de rechtbank opzet wel bewezen.

De rechtbank heeft een aanzienlijk lagere straf opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij is onder meer van belang geweest de geringe omvang van de voorraad kruidenmengsel en de aan verdachte opgelegde forse dwangmiddelen.

Tenslotte vindt de rechtbank van belang dat verdachte als gevolg van de toegepaste forse dwangmiddelen bedrijfsschade heeft geleden.

De rechtbank volstaat met het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.

Wetsverwijzingen
Diergeneesmiddelenwet
Diergeneesmiddelenwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2009/33

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/993012-05 (P)

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 21 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1952],

wonende te [adres],

raadsman mr. Hoogendam, advocaat te 's Gravenhage.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

[maatschap] op (een) tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 mei 2005 te Schinveld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk telkens (een) diergeneesmiddel(en) dat niet is/zijn geregistreerd, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben bereid, in voorraad heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben afgeleverd, te weten:

- inhoud van een silo, althans een hoeveelheid substantie (mengvoeders) dat het diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of dexamethason en/of dexamethason-17-oxo bevat en/of

- een emmer met 2 kilogram, althans een hoeveelheid substantie (kruidenmengsels) dat het diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of dexamethason en/of dexamethason-17-oxo bevat en/of,

- 900 gram, althans een hoeveelheid substantie, (kruidenmengsels) dat het

diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of dexamethason en/of

dexamethason-17-oxo bevat en/of,

- 3 althans één of meerdere flessen bevattende een hoeveelheid substantie

(vloeistof) dat het diergeneesmiddel Lincomycine en/of Spectinomycine bevat

en/of

- 1 fles met inhoud van 200 milliliter bevattende een hoeveelheid substantie (vloeistof) dat het diergeneesmiddel Enrofloxacin bevat en/of

- 1 injectiespuit met naald bevattende een hoeveelheid substantie (vloeistof) dat het diergeneesmiddel progesteron bevat,

zulks terwijl hij, verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, aan vorenomschreven verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of tot vorenomschreven feit(en) opdracht

heeft gegeven.

Art. 2 lid 1 DGMW;

art 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

2.

[maatschap] op of omstreeks 14 juni 2005 te Schinveld, en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, in de handel heeft gebracht twee, althans één of meer dier(en), waaraan op enigerlei wijze progesteron, zijnde een diergeneesmiddel met gestagene werking , was toegebracht, immers heeft zij op 14 juni 2005 een rund met het oormerknummer BE 154324142 en/of een rund met het oormerknummer BE 486181116 in de handel gebracht waaraan progesteron was toegediend, zulks terwijl hij, verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, aan vorenomschreven verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven.

(art. 2, lid 1 van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van beta-agonisten 1997.

Juncto

Art 2 Regeling verbod handel met stoffen behandelde dieren en producten

Juncto

Art 2 Regeling verbod handel met stoffen behandelde dieren en producten

Juncto

Diergeneesmiddelenwet: art. 49.

Art 1 onder 1e WED)

art 49 Diergeneesmiddelenwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

3.1 Verweer ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de overschrijding van de redelijke termijn en de opzettelijke schending van het ambtsgeheim in deze zaak moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Hij heeft in verband met de redelijke termijn gesteld dat in de zaak van zijn cliënt sedert het eind-proces-verbaal van 27 januari 2006 niets meer aan onderzoekshandelingen is gebeurd.

Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de Voedsel en Waren Autoriteit door de AID aan deze dienst verstrekte informatie betreffende de strafzaak van verdachte aan het Agrarisch Dagblad zou hebben gegeven hetgeen tot een publicatie in dat blad heeft geleid. Zijn cliënt is daardoor ernstig gedupeerd en het verdedigingsbelang is ernstig geschonden. Deze schending gecombineerd met de overschrijding van de redelijke termijn vormt een grove schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Vooropgesteld moet worden dat van lekken in de door de raadsman bedoelde zin onvoldoende blijkt uit het proces-verbaal. Daarnaast is de publicatie (bijlage D/451) in algemene termen verwoord. Daarom is, zo al informatie verstrekt zou zijn, niet aannemelijk geworden dat er verband bestaat tussen het enkele verstrekken van informatie en de door de raadsman geschetste gevolgen. De overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens vaste jurisprudentie niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Wel zal de overschrijding van de redelijke termijn, indien het plegen van een of meer strafbare feiten is bewezen, worden gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf. De rechtbank is echter van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden. De feiten dateren uit de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 mei 2005. Op 10 mei 2005 heeft in het kader van een omvangrijk, internationaal onderzoek een doorzoeking bij verdachte plaatsgevonden, waarbij onder meer een groot aantal monsters is genomen dat door het Rikilt Institute of Food Safety in Wageningen (verder: Rikilt) moest worden onderzocht op de aanwezigheid van verboden stoffen.

Vervolgens is op 13 juli 2005 een verzoek van de raadsman van de medeverdachte in het kader van mini-instructie gedaan tot het oproepen en horen van een Spaanse en vier Belgische getuigen.

Dit verzoek is door de rechter-commissaris op 13 november 2006 toegewezen, nadat het eerder was aangehouden omdat het proces-verbaal nog niet gereed was. De verhoren hebben vervolgens mede plaatsgevonden in de zaak tegen verdachte omdat de resultaten er van ook in zijn zaak van belang konden zijn. In december 2006 en in april 2007 zijn de eerste getuigen gehoord. Voor de Spaanse getuige is een verhoor tot dan toe niet mogelijk gebleken omdat zijn adres onbekend was en er een rechtshulpverzoek aan Spanje moest worden gedaan. Ook het verhoor van de laatste Belgische getuige, die zich in een schorsing van voorlopige hechtenis bevond en het land niet mocht verlaten, is voor die tijd niet mogelijk geweest.

Daarop is verdachte gedagvaard voor de zitting van 9 november 2007, waarop de zaak is aangehouden om het onderzoek naar de feiten te voltooien.

Op 19 november 2007 is de laatste Belgische getuige gehoord.

Op 26 november 2007 is aan de rechter-commissaris in het kader van het rechtshulpverzoek aan Spanje door de Spaanse autoriteiten meegedeeld dat de Spaanse getuige voor getuigenverhoor is opgeroepen tegen 13 februari 2008, waarna deze is verschoven naar 15 april 2008. Op 22 juli 2008 waren de uitgevoerde onderzoekshandelingen gereed.

Verdachte is opgeroepen tegen de terechtzitting van 9 juli 2009. De behandeling werd opnieuw aangehouden op verzoek van de raadsman voor het stellen van vragen aan de getuige-deskundige, die deze kort voor de zitting van 8 oktober 2009 heeft beantwoord.

Op grond van bovenstaand overzicht komt de rechtbank tot het oordeel dat de zaak tussen juli 2008 en juli 2009 "stil" heeft gelegen. Dit is echter onvoldoende om tot schending van de redelijke termijn te concluderen.

De rechtbank verwerpt de verweren.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.2 Uitsluiting onderzoeksresultaten wegens vormverzuim?

De raadsman heeft allereerst gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek nu de onderzoeksresultaten tot stand zijn gekomen in strijd met vigerende Europeesrechtelijke richtlijnen en beschikkingen. De raadsman heeft verzocht de door het Rikilt uitgevoerde analyserapporten ten aanzien van de kruidenmengsels en ten aanzien van de spuitplekken uit te sluiten van bewijs omdat zij niet betrouwbaar en valide zijn.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat het door het Rikilt uitgevoerde onderzoek van de kruidenmengsels niet is uitgevoerd volgens een methode die is gevalideerd conform de Beschikking 2002/657/EG. Deze validatiecriteria zijn echter niet van toepassing omdat die Beschikking blijkens de considerans er van kennelijk betrekking heeft op residuen. In de aan de Beschikking ten grondslag liggende Richtlijn 96/23/EG wordt in artikel 2 onder c een nadere definitie gegeven van de term "residu". Daaruit valt op te maken dat plantaardige diervoeders of kruidenmengsels daar niet onder zijn begrepen.

Er zijn door het Rikilt valide laboratoriumresultaten gegenereerd doordat is gewerkt volgens het ISO 17025 geaccrediteerde basiskwaliteitssysteem en de identificatie van stoffen is onderbouwd volgens het identificatiepuntensysteem van Beschikking 2002/657/EG.

Voor het onderzoek naar residuen van stoffen in voor menselijke consumptie bedoeld vlees is de Richtlijn 96/23/EG van toepassing. Voor onderzoek naar de spuitplek bovenbil, stukje boven bil en abces + steekkanaal (koe) is deze methode niet geschikt omdat in een spuitplek veel hogere concentraties van stoffen voorkomen. De validatiecriteria van Beschikking 2002/657/EG kunnen dan ook niet van toepassing zijn. Er is gewerkt volgens het ISO 17025 geaccrediteerde basiskwaliteitssysteem.

De rechtbank verwerpt het verweer tot uitsluiting van bewijs.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van de [maatschap] zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, te weten het telkens opzettelijk voorhanden en in voorraad hebben van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen en het opzettelijk in de handel brengen van twee dieren waaraan progesteron was toegediend.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit, voorzover betrekking hebbend op de aanwezigheid van dexamethason en/of derivaten in de kruidenmengsels. Voorts heeft de raadsman gesteld dat de flesjes Lincomycinen en/of Spectinomycine en Baytril vallen onder de vrijstellingsregeling diergeneesmiddelen voor EEG dierenartsen, nu deze stoffen door dierenarts Van Herck aan verdachte zijn geleverd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In België vond een onderzoek plaats tegen [leverancier] naar verboden groeistimulatoren. Uit onderzoekshandelingen was gebleken dat er ook in Nederland aanwijzingen bestonden voor illegaal verhandelen, voorhanden hebben en toedienen van verboden groeistimulatoren bij rundvee.

Op 10 mei 2005 zijn op de locatie Grachtweg 4 te Schinveld, waar de maatschap van verdachte is gevestigd, bij een doorzoeking 2 voersilo's, 1 emmer met kruidenmengsel, zakken met verschillende voeders, injectiespuiten, en verschillende verpakkingen van diergeneesmiddelen aangetroffen, in beslag genomen en bemonsterd. Er zijn monsters geanalyseerd waarvan de inhoud van één silo, een emmer en kruidenmengsels positief op Dexamethason isonicotinaat zijn bevonden. De stof Dexamethason-isonicotinaat valt onder de groep corticosteroïden en het begrip diergeneesmiddel als bedoeld in artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet. De kruidenmengsels zijn door [medeverdachte] geleverd en gefactureerd aan verdachte.

Ook zijn de monsters van 3 flessen (LAC 701, 702 en 703) positief bevonden op de aanwezigheid van Enrofioxacin en 1 fles (LAC 700) op de aanwezigheid van Lincomycine en Spectiniomycine.

De stoffen Lincomycine, Enrofloxacin en Spectiniomycine betreffen niet in Nederland geregistreerde diergeneesmiddelen.

Voorts is van de inbeslaggenomen injectiespuiten vastgesteld dat 1 injectiespuit progesteron bevatte. Progesteron is een hormonale stof, die niet had mogen worden toegediend.

Verdachte heeft de diergeneesmiddelen betrokken van dierenarts Van Herck.

Verdachte regelt samen met zijn vrouw alle zaken binnen het bedrijf [maatschap].

Op 14 juni 2005 zijn op het bedrijf van verdachte een tweetal runderen in beslag genomen . Bij onderzoek door het Rikilt zijn bij beide runderen in de bovenbil spuitplekken, progesteron bevattend, gevonden. De spuitplekken, steekkanaal en abces, zoals in het rapport beschreven, blijven niet langer dan een week of twee weken zichtbaar, zodat daaraan de conclusie kan worden verbonden dat de spuitplekken van recente datum zijn.

Nu beide onderzochte runderen in de stal van verdachte zijn aangetroffen, de dierenarts van verdachte heeft verklaard dat hij de laatste jaren geen corticosteroïden bevattende diergeneesmiddelen in het bedrijf van verdachte heeft toegepast en verdachte ook overigens geen verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van progesteron in de dieren moet het er voor worden gehouden dat verdachte de runderen zelf heeft ingespoten, althans dat dat onder zijn verantwoordelijkheid is gebeurd.

4.4 Opzet?

De rechtbank acht opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, van verdachte op de aanwezigheid van dexamethason(-isonicotinaat) in de kruidenmengsels niet bewezen.

Verdachte heeft de kruiden gekocht van een collega-veeboer, [medeverdachte], op de veemarkt van Ciney. Deze had de van een Spaanse fabriek afkomstige kruidenmengsels gekocht van de hem bekende [leverancier] in verpakkingen die waren voorzien van een etiket waarop de samenstelling stond aangegeven. In die omschrijving duidde niets op de aanwezigheid van dexamethason(isonicotinaat) of dexamethason-17-oxo.

De aankopen zijn gefactureerd en in de boekhouding opgenomen, waaruit blijkt dat verdachte met betrekking tot de aankoop (en het gebruik) van kruidenmengsels niets wilde verbergen.

Dat verdachte wist dat de kruidenmengsels de aangetroffen en verboden stoffen bevatten is niet bewezen. Het getapte telefoongesprek van verdachte met [medeverdachte] waaruit mogelijk af te leiden zou zijn dat er iets mis was met die kruidenmengsels en dat hij wist van de aanwezigheid van een verboden stof in de kruidenmengsels acht de rechtbank onvoldoende overtuigend.

Ook overigens is uit het dossier niet naar voren gekomen dat verdachte wist of moest weten dat er dexamethason(-isonicotinaat) in de kruidenmengsels zat, respectievelijk bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat het geval was.

Ten aanzien van de aangetroffen injectiespuit met progesteron, de diergeneesmiddelen, bevattend Enrofloxacin, Lincomycine en Spectinomycine en het in de handel brengen van twee runderen die met progesteron waren behandeld acht de rechtbank opzet wel bewezen.

4.5 Vrijstellingsregeling toepasselijk ten aanzien van aangetroffen diergeneesmiddelen

Voorop staat dat de diergeneesmiddelen Lincomycine, Spectinomycine en Enrofloxacin, ook genoemd Baytril, in Nederland verboden zijn, ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit. Verdachte voert een agrarisch bedrijf van een behoorlijke omvang met runderen die IKB-waardig zijn. Verdachte wist, althans had behoren te weten, dat voornoemde middelen niet legaal waren. Verdachte heeft aangevoerd dat hem een beroep toekomt op vrijspraak, althans ontslag van rechtsvervolging, omdat hij de middelen zou hebben gekregen van zijn dierenarts die gebruik maakte van artikel 3 uit de Vrijstellingsregeling artikel 2 Diergeneesmiddelenwet 1999.

Artikel 2, voor zover relevant, luidt als volgt:

"1. In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet mogen dierenartsen, indien het niet toepassen van diergeneesmiddelen ondraaglijk lijden voor het betrokken dier met zich brengt en voor de toepassing geen diergeneesmiddelen beschikbaar zijn de volgende middelen bij een dier of een klein aantal dieren toepassen:

a. geregistreerde diergeneesmiddelen voor andere diersoorten of indicaties dan in de registratiebeschikking van het middel vermeld;

b. geneesmiddelen die ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn toegelaten, voor zover geen middelen als bedoeld in onderdeel a beschikbaar zijn, of

c. magistraal bereide diergeneesmiddelen, voor zover geen middelen, als bedoeld in onderdelen a en b beschikbaar zijn."

Artikel 3, voor zover relevant, luidt als volgt:

"1.In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet mogen dierenartsen de in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde middelen voorhanden of in voorraad hebben met het oog op de in dat onderdeel bedoelde toepassing. De voorraad moet in redelijke verhouding staan tot de omvang van het dierenbestand van de praktijk van de betreffende dierenarts.

2.In afwijking van artikel 2, eerste lid, van de wet mogen dierenartsen de in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, bedoelde middelen voorhanden hebben ten behoeve van de in artikel 2 bedoelde toepassing."

Hieruit volgt dat dierenartsen voor dieren die ondraaglijk lijden de volgende middelen beperkt voorhanden of in voorraad mogen hebben: a. geregistreerde diergeneesmiddelen voor andere diersoorten of indicaties dan in de registratiebeschikking van het middel vermeld en voor zover geen middelen als bedoeld in onderdeel a beschikbaar zijn: b. geneesmiddelen die ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn toegelaten. Daarnaast kan hij zelf diergeneesmiddelen bereiden (magistrale bereiding).

In dit geval is niet gesteld of gebleken dat Lincomycine, Spectinomycine en Enrofloxacin geregistreerde diergeneesmiddelen in de zin van voormeld sub a of b zijn. Het gaat ook niet om magistrale bereiding.

Ook is niet gesteld of gebleken dat verdachte de middelen had om ondraaglijk lijden van zijn dieren te voorkomen.

Dit betekent dat het beroep op artikel 3 van de vrijstellingsregeling niet opgaat.

Voor zover verdachte ook heeft bedoeld te stellen, dat hij aannam dat de middelen toegestaan waren omdat ze hem waren verstrekt door een dierenarts, gaat het verweer evenmin op omdat verdachte eindverantwoordelijk is voor de diergeneesmiddelen die op zijn bedrijf aangetroffen worden en hij dus een zelfstandige verantwoordelijkheid draagt - die los staat van de verantwoordelijkheid die een dierenarts heeft - voor de aanwezigheid van middelen waarvan hij wist of had moeten weten dat die niet legaal waren.

4.6 Contra-expertise

De raadsman van verdachte heeft de bewijskracht van het onderzoek, waarbij is vastgesteld dat de inspuiting van de runderen met progesteron van recente datum moet zijn, betwist. Hij wenst een contra-expertise wanneer de rechtbank gebruik maakt van dit briefrapport van M.J.Groot, bijlage D/850. De rechtbank acht deze betwisting en het daarop gegronde verzoek onvoldoende gemotiveerd. Het rapport zelf is aangekondigd in een samenvattend proces-verbaal. Voor zover de raadsman eerst ter zitting van het rapport kennis heeft genomen vormt dat op zich geen reden voor het toestaan van contra-expertise. Voor het overige heeft de raadsman niet aangegeven op welke onderdelen de onderzoeksresultaten of de daar aan ten grondslag liggende onderzoeksmethode worden betwist.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1 A

[maatschap] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 mei 2005 te Schinveld telkens een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, voorhanden heeft gehad, te weten:

- inhoud van een silo substantie (mengvoeders) dat het diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of dexamethason en/of dexamethason-17-oxo bevat en

- een emmer met 2 kilogram substantie, (kruidenmengsels) dat het diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of

dexamethason en/of dexamethason-17-oxo bevat en

- 900 gram substantie, (kruidenmengsels) dat het diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat en/of dexamethason en/of

dexamethason-17-oxo bevat en

zulks terwijl hij, verdachte telkens aan vorenomschreven verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven en/of tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven.

1 B

[maatschap] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 mei 2005 te Schinveld opzettelijk

telkens een diergeneesmiddel dat niet is geregistreerd, voorhanden heeft gehad, te weten:

- 3 flessen bevattende een hoeveelheid substantie (vloeistof) dat het diergeneesmiddel Lincomycine en Spectinomycine bevat

en

- 1 fles met inhoud van 200 milliliter bevattende een hoeveelheid substantie (vloeistof) dat het diergeneesmiddel Enrofloxacin bevat en

- 1 injectiespuit met naald bevattende een hoeveelheid substantie (vloeistof) dat het diergeneesmiddel progesteron bevat,

zulks terwijl hij, verdachte telkens aan vorenomschreven verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven en/of tot vorenomschreven feiten opdracht heeft gegeven.

2.

[maatschap] op 14 juni 2005 te Schinveld, opzettelijk, in de handel heeft gebracht twee, dieren, waaraan op enigerlei wijze progesteron, zijnde een diergeneesmiddel met gestagene werking , was toegebracht, immers heeft zij op 14 juni 2005 een rund met het oormerknummer BE 154324142 en/of een rund met het oormerknummer BE 486181116 in de handel gebracht

waaraan progesteron was toegediend, zulks terwijl hij, verdachte telkens aan vorenomschreven verboden gedragingen

feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Anders dan namens hem is gesteld is geen sprake van een verontschuldigbare dwaling resulterend in afwezigheid van alle schuld. Wat de kruidenmengsels betreft overweegt de rechtbank dat hij die van [medeverdachte], niet zijnde een dierenarts of anderszins deskundig, heeft betrokken in de kennelijke verwachting dat die een groeibevorderend effect zouden hebben. Daarmee heeft hij een zeker risico -ook al staat niet vast dat dat bewust is gebeurd- genomen dat dat effect door verboden stoffen werd bewerkstelligd.

Ten aanzien van de overige diergeneesmiddelen en de verhandeling van ingespoten runderen verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 4.3 en 4.4 heeft overwogen.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

7.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging ten aanzien van de feiten.

7.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Dierlijke producten dienen in het belang van de volksgezondheid vrij te zijn van schadelijke stoffen. Het belang van de Diergeneesmiddelenwet is niet alleen gelegen in de garanties die de wet aan onder meer de houder van dieren biedt inzake de deugdelijkheid van de beschikbare geneesmiddelen. Ook kunnen de aan het gebruik van diergeneesmiddelen klevende gevaren voor mens en dier worden uitgebannen. Zo kan onder meer door de Diergeneesmiddelenwet beter worden gegarandeerd dat Nederlandse consumptiedieren, alsmede daarvan verkregen producten, vrij zijn van schadelijke resten van diergeneesmiddelen.

Verdachte heeft als feitelijk leidinggevende van zijn gemengde bedrijf (akkerbouw, veeteelt en mesterij) kruidenmengsels, waarin het niet-geregistreerde diergeneesmiddel dexamethason-isonicotinaat voorkwam, voorhanden en in voorraad gehad.

Daarnaast heeft hij opzettelijk flessen met de (niet in Nederland geregistreerde) diergeneesmiddelen Lincomycine, Spectinomycine, Enrofloxacin en een injectiespuit met progesteron voorhanden gehad.

Bij twee op het bedrijf van verdachte aanwezige runderen is de stof progesteron aangetroffen.

Verdachte heeft hiermee een voor de volksgezondheid potentieel risicovolle situatie doen ontstaan.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de opzettelijke variant voor beide feiten, waarbij het zwaartepunt van de strafbaarheid van de feiten ligt op de kruidenmengsels.

Nu de rechtbank ten aanzien van feit 1 (de aanwezigheid van dexamethason-isonicotinaat in die kruidenmengsels) de overtreding bewezen acht en slechts opzet ten aanzien van feit 1 (de flessen) en van feit 2 bewezen acht, zal zij een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Zij acht de geringe omvang van de voorraad kruidenmengsels bij de strafbepaling mede van belang.

Daarnaast heeft zij vooral mee laten wegen dat verdachte forse dwangmiddelen heeft ondergaan. Zo is een voorlopige maatregel opgelegd en heeft verdachte 15 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan aannemelijk is dat die door verdachte als zeer zwaar is ervaren. Hij heeft gedurende die tijd zijn bedrijf niet kunnen voeren en aannemelijk is geworden dat hij zowel financieel-economisch als sociaal aanzienlijke schade heeft geleden.

Verdachte is met het plegen van de feiten een verwijt te maken dat op zichzelf een gevangenisstraf, zoals reeds door verdachte is ondergaan, rechtvaardigt.

De rechtbank houdt rekening met feit dat verdachte terzake van milieudelicten diverse transacties heeft betaald.

Zij zal, al het voorgaande in overweging nemend, ten aanzien van de bewezenverklaarde misdrijven volstaan met het opleggen van een korte gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm, met een proeftijd van twee jaren en ten aanzien van de bewezenverklaarde overtredingen bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51, 57 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1A: Medeplegen van feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

feit 1B: Medeplegen van feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

feit 2: Medeplegen van feitelijk leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 49 van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

1A:

- bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd

1B en 2:

- een gevangenisstraf van 1 (een) maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

heft op de geschorste voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenbeek, voorzitter, mr. Nomes en mr. Vos, rechters, in tegenwoordigheid van Heberlein-Guiran, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2009.

Mr. Vos is buiten staat dit vonnis mede te tekenen.