Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BK0742

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
21-10-2009
Zaaknummer
12/735096-08(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Scheepswerf veroordeeld voor het nalaten voldoende maatregelen te treffen ten aanzien van de veiligheid op de arbeidsplaats. Een jeugdige werknemer van verdachte bestuurt een heftruck terwijl hij daartoe niet is gecertificeerd. Een op die heftruck meerijdende persoon (ingeleend door een onderaannemer van verdachte) komt ten val met fataal gevolg. Artikel 10 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet. Geldigheid dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/735096-08 (P)

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 30 september 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres],

ter terechtzitting verschenen, vertegenwoordigd door

[vertegenwoordiger], mede-vennote van Vermat Beheer BV,

zijnde laatstgenoemde rechtspersoon enig aandeelhouder en directeur van verdachte,

raadsman mr. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 september 2009, waarbij de officier van justitie mr. Zondervan en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 februari 2008 te Hansweert, gemeente Reimerswaal, als werkgever/werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, die verdachte, als werkgever/werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten het terrein van een scheepswerf, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [werknemer 1] (werknemer van Hillers Maintenance Services BV), geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, met name er niet voor heeft gezorgd en/of erop heeft toegezien, dat anderen

niet meereden op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving, te weten een door haar werknemer [werknemer 2] bestuurde vorkheftruck, anders dan op een speciaal daartoe ingerichte veilige plaats, immers heeft die [werknemer 1] toen aldaar meegereden op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving, te weten een vorkheftruck, anders dan op een speciaal daartoe ingerichte veilige plaats, waarbij die [werknemer 1] van die vorkheftruck is gevallen en daarbij is overleden;

art 10 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

3 De voorvragen

3.1. De geldigheid van de dagvaarding

Namens de verdachte rechtspersoon is aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat de tenlastelegging op twee punten onduidelijk is omschreven. Volgens de raadsman duidt de omschrijving dat verdachte geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van een bepaald gevaar, ‘door “met name” er niet voor te zorgen en/of erop toe te zien, dat anderen niet meereden op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving’ erop, dat er klaarblijkelijk ook nog andere (niet omschreven) gedragingen door verdachte zijn gepleegd die het ten laste gelegde feit opleveren. Bovendien is door de omschrijving dat [werknemer 1] is meegereden op “een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving, te weten “een” vorkheftruck” niet zonder meer duidelijk dat hier de vorkheftruck wordt bedoeld die door [werknemer 2] werd bestuurd.

Dit verweer wordt verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank omschrijft de tenlastelegging op de hier aan de orde zijnde punten op voldoende duidelijke wijze de aan verdachte rechtspersoon verweten handeling. De verdachte rechtspersoon heeft, in de persoon van haar vertegenwoordiger, ter terechtzitting blijk gegeven te begrijpen wat haar in die dagvaarding wordt verweten en zij heeft zich daartegen kunnen verdedigen en zich ook verdedigd. Ook voor de rechtbank is de tenlastelegging voldoende duidelijk.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

3.2. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

3.3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

3.4. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte rechtspersoon sinds 2003 VCA gecertificeerd is en dat in de uitvoerige instructies en controles nimmer iets is gesteld ten aanzien van gevaar dat zich door middel van gebruik van heftrucks zou kunnen verwezenlijken. Verder heeft verdachte gebruik gemaakt van professionele uitzendbureaus waarvan verdachte mocht menen dat deze haar personeel deugdelijk zouden instrueren en door middel van uitvoerders ook toezicht zouden houden. Verder blijkt uit de verhoren dat de betrokken werknemer wist dat hij niemand op de heftruck mee mocht nemen. Ook zat er een sticker op de heftruck waaruit blijkt dat meerijden verboden is. Kortom, er is onvoldoende bewijs voor de omstandigheid dat verdachte geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar voor derden.

4.2 De bewijsoverwegingen

Op 26 februari 2008 heeft er op het bedrijfsterrein van verdachte, aan de Kaai te Hansweert, gemeente Reimerswaal, een ongeval plaatsgevonden waarbij het slachtoffer [werknemer 1] van een rijdende vorkheftruck is gesprongen/gevallen, waarna diens kleding (een lasjas) bekneld is geraakt tussen de linkerachterband van het voertuig en het wegdek en vervolgens door de draaiende en voorwaartse beweging van de vorkheftruck is aangetrokken. Hierdoor werd de kleding zodanig strak aangetrokken, met name rond de borstkas, dat diens borstkas werd ingedrukt en enkele belangrijke bloedvaten in de borstkas zijn afgescheurd, als gevolg waarvan het slachtoffer aan een inwendige bloeding is overleden.

De betreffende vorkheftruck (een voertuig met een eigen gewicht van 8.300 kg, dat rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud verkeerde ) werd bestuurd door de toen

17-jarige [werknemer 2]. [werknemer 2] was niet in het bezit van een certificaat of rijbewijs om de heftruck te mogen bedienen/besturen. Hij had naar zijn zeggen van zijn projectleider [projectleider] vijf minuten instructie gehad hoe hij de heftruck moest besturen. Nadat deze had gekeken of hij het goed deed, mocht hij met de heftruck rijden. [projectleider] bevestigt dat hij [werknemer 2] heeft uitgelegd hoe de vorkheftruck werkte en dat hij hem gedurende langere periode heeft geobserveerd terwijl hij met de vorkheftruck reed. Het intern opleiden voor het mogen gebruiken van een vorkheftruck was niet opgelegd door de directie van de verdachte rechtspersoon, maar was een eigen initiatief, aldus [projectleider].

[werknemer 2] was ten tijde van het ongeval sinds een half jaar als werknemer in dienst van [verdachte] in het kader van een stageovereenkomst. Hij had van de projectleider [projectleider 2] opdracht gekregen om opruimwerkzaamheden te verrichten op het bedrijfsterrein aan de Kaai. Nadat hij op de bewuste dag zijn lunch had gebruikt in het verderop gelegen hoofdgebouw van de scheepswerf, besloot hij – zoals dat wel vaker gebeurde – om met de vorkheftruck terug te rijden naar het bedrijfsterrein. Zijn collega [werknemer 3] reed met hem mee. Deze nam plaats op de heftruck, links naast de bestuurdersstoel.

Toen [werknemer 2] onderweg naar de Kaai de hem bekende [werknemer] en diens collega en neef [collega/neef] over de openbare weg zag lopen, stopte [werknemer 2] bij hen en vroeg hen of ze mee wilden rijden. [collega/neef] nam plaats op de heftruck rechts naast de bestuurdersstoel en [werknemer 1] stapte op de treeplank aan de rechterzijde van de bestuurdersstoel. [werknemer 1] hield zich tijdens het rijden vast aan de kooiconstructie van de vorkheftruck. Op het bedrijfsterrein sprong of viel [werknemer 1] van de heftruck en kwam ten val met het hierboven omschreven ongeval tot gevolg. [werknemer 1] was via een uitzendbureau ingeleend door Hillers Maintenance Services BV. Dit bedrijf verrichtte voor de verdachte rechtspersoon op regiebasis werkzaamheden in onderaanneming.

Hoewel de vorkheftrucks van de verdachte rechtspersoon waren voorzien van een sticker met een verbodsteken om personen mee te nemen op zo’n voertuig hebben diverse personen verklaard dat ze desondanks wel eens als passagier op een vorkheftruck meereden. Dit betreffen niet alleen de betrokken bestuurder [werknemer 2] en diens passagiers [werknemer 3] en [collega/neef], maar bijvoorbeeld ook [uitvoerder], uitvoerder bij Hillers Maintenance Services BV. Hij is zelfs naar de plaats van het ongeval met een ander meegereden op een vorkheftruck. Volgens [werknemer 3] was het normaal om op het terrein van de verdachte een vorkheftruck te pakken. De sleutels zaten altijd in het contactslot. De projectleider [projectleider] heeft verklaard dat er binnen het bedrijf van verdachte niet was geregistreerd wie wel of niet op een vorkheftruck mocht rijden. De heftruck stond ergens op het terrein met de sleutel in het contactslot en iedereen die dat wilde, kon deze pakken en ermee wegrijden. Als hij iemand zag rijden en hij wist niet of hij die persoon had opgeleid, ging hij ervan uit dat deze persoon op de heftruck kon en mocht rijden. Dat gold in ieder geval voor eigen personeel. Hij was ook op de hoogte van het feit dat medewerkers meereden op de vorkheftruck of in de laadbak van busjes. Hij heeft daar niets van gezegd, ondanks dat hij toezicht moest houden. De heer [vertegenwoordiger] heeft als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon bevestigd dat de sleutel altijd op de heftruck zat en dat iedereen de heftruck kon pakken als hij dat wilde. Volgens hem was er binnen het bedrijf geen beleid met betrekking tot heftruckgebruik en minderjarigen.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft aangevoerd dat het ongeval de rechtspersoon is “overkomen” omdat ondanks de mondelinge waarschuwingen, die namens haar door de projectleiders werden gegeven, door (ingeleend) personeel tóch werd meegereden op de heftrucks. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verdachte desgevraagd verklaard dat het bedrijf zich wel verantwoordelijk voelt voor het ongeval, maar hij heeft daaraan toegevoegd dat de werknemers wísten dat ze niet op de heftrucks mochten meerijden. Hij ziet dit als een eigen verantwoordelijkheid van de werknemers. Hij kon niet bezig blijven met het geven waarschuwingen, want er moest ook een bedrijf gerund worden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte wordt verweten dat zij een gevaarlijke situatie heeft doen ontstaan voor op haar scheepswerf werkzame personen. In dit verband is het volgende van belang:

Artikel 10 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 luidt:

“Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter voorkoming van dat gevaar.”

Artikel 19 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 luidt:

“Indien in een bedrijf of een inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, werken zij onderling op doelmatige wijze samen teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren.”

Artikel 1.37 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt:

“Indien in een bedrijf of inrichting jeugdige werknemers arbeid verrichten, wordt op die arbeid adequaat deskundig toezicht uitgeoefend”, en

Artikel 7.17c lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepaalt:

“ Mobiele arbeidsmiddelen met een eigen aandrijving worden bediend door werknemers die daartoe een specifieke deskundigheid bezitten.”

Voorop staat dat op een (vaak onoverzichtelijk en dynamisch) terrein van een scheepswerf altijd gevaar te duchten is voor de veiligheid en/of de gezondheid van personen, in verband met verkeersbewegingen van heftrucks, kranen en ander groot materieel in combinatie met los liggende voorwerpen en rondlopend personeel. Handhaving van voornoemde Arboregels is dus van groot belang.

Dat geldt temeer als – zoals binnen de inrichting van verdachte - aan door onderaannemers ingeleend personeel (onder meer niet de Nederlandse taal sprekende personen en jeugdige personen) is opgedragen op die arbeidsplaats bepaalde werkzaamheden te verrichten.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat door de verdachte rechtspersoon met de onderaannemers niet werd overlegd over de naleving van de veiligheidsvoorschriften. De werknemers van die onderaannemers werden niet uitgenodigd voor de maandelijkse toolboxmeetingen van de verdachte rechtspersoon, waar de veiligheid op het bedrijf aan de orde kwam. De onderaannemers ontvingen alleen een schriftelijk bericht over eventuele wijzigingen in het veiligheidsbeleid. De vertegenwoordiger van verdachte ging ervan uit dat de onderaannemers voor hun eigen personeel toolboxmeetingen organiseerden.

Het toezicht op jeugdig personeel was niet georganiseerd.

Verder heeft de in dienst van verdachte met het arbeidsomstandighedenbeleid en het houden van toolboxmeetingen belaste bedrijfsleider [bedrijfsleider] verklaard dat hij tijdens het dagelijks werkoverleg één of twee keer het meerijden op de vorkheftruck heeft besproken met de directie. Wat ermee gebeurde was volgens [bedrijfsleider] niet zijn zaak.

Tot de dag van het ongeval was in de arbeidscontracten met de werknemers niets opgenomen over de naleving van veiligheidsvoorschriften en eventuele sancties (dan wel een beloningssysteem) bij (niet) overtreden van die voorschriften.

Weliswaar was er binnen het bedrijf van verdachte formeel sprake van een beveiligingsplan, maar schortte het aan implementatie daarvan en het effectueren van een goede controle op de veiligheidsvoorschriften.

Dientengevolge heeft de verdachte rechtspersoon de situatie in het leven geroepen c.q. in stand gehouden dat bij haar werkzame niet gecertificeerde (jeugdige) personen de op haar terrein gebruikte vorkheftrucks konden besturen en dat (door anderen ingeleende) werknemers op die heftrucks meereden, met alle mogelijke gevaarzettende situaties van dien.

Deze tekortkoming op het gebied van te nemen voorzorgsmaatregelen en te stellen eisen van veiligheid kan aan de verdachte rechtspersoon worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen ten laste is gelegd.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op of omstreeks 26 februari 2008 te Hansweert, gemeente Reimerswaal, als werkgever/werkgeefster, terwijl bij en/of in rechtstreeks verband met de arbeid, die verdachte als werkgever/werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, te weten het terrein van een scheepswerf, gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, te weten voor [werknemer 1] (werknemer van Hillers Maintenance Services BV), geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar, met name er niet voor heeft gezorgd en/of erop heeft toegezien, dat anderen

niet meereden op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving, te weten een door haar werknemer [werknemer 2] bestuurde vorkheftruck, anders dan op een speciaal daartoe ingerichte veilige plaats, immers heeft die [werknemer 1] toen aldaar meegereden op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving, te weten een vorkheftruck, anders dan op een speciaal daartoe ingerichte veilige plaats, waarbij die [werknemer 1] van die vorkheftruck is gevallen en daarbij is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte een geldboete op te leggen van EUR 20.000,00.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om in geval van bewezenverklaring de verdachte te veroordelen tot een substantieel lagere geldboete dan de geldboete die de officier van justitie heeft geëist. Hij heeft verzocht om de op te leggen geldboete in elk geval niet hoger te doen zijn dan de geldboete die de werkgever van het slachtoffer in het kader van een transactie met het OM heeft betaald om een strafvervolging voor het tenlastegelegde te voorkomen, te weten een bedrag van EUR 10.000,00. Verder heeft de raadsman bepleit om een deel van de geldboete voorwaardelijk op te leggen, omdat verdachte inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om herhaling van gevaarzettende situaties met heftrucks te voorkomen. Een aantal geselecteerde werknemers is op cursus gestuurd voor het besturen en bedienen van heftrucks, deze dragen de contactsleutels van de voertuigen bij zich en zij zijn geïnstrueerd dat er niemand op de heftrucks mag meerijden. Ook wordt er gewerkt aan aanpassing van de arbeidscontracten met de werknemers ter zake van de naleving van veiligheidsvoorschriften.

Verdachte is ook niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de tijd die inmiddels is verstreken tussen de datum van het ongeval en die van de berechting (een periode van negentien maanden).

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de omstandigheden van de rechtspersoon en haar draagkracht. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte rechtspersoon heeft nagelaten om voldoende maatregelen ten aanzien van de veiligheid op de arbeidsplaats treffen, waardoor het kon gebeuren dat een minderjarige, daartoe niet gecertificeerde werknemer van haar bedrijf een – zoals gebruikelijk met de sleutel in het contactslot geparkeerde - vorkheftruck kon gaan besturen en daarop anderen te laten meerijden, waarna één van die passagiers (een door een onderaannemer van verdachte ingeleende werknemer) van die heftruck is gesprongen/gevallen, door de wielen van die heftruck aan diens kleding is gegrepen, waardoor die kleding zodanig strak is aangetrokken dat een inwendige verbloeding is veroorzaakt, en aan de gevolgen daarvan is overleden.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, in het bijzonder de mate van nalatigheid van verdachte en het ernstige gevolg dat is ingetreden acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete een passende reactie. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de officier van justitie bij het stellen van zijn eis al in strafmatigende zin rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en dat de gevolgen van het ongeval ook binnen het bedrijf hard zijn aangekomen.

De rechtbank ziet op grond van het argument van de raadsman dat de werkgever van het slachtoffer in het kader van een transactie voor het feit een lagere geldboete heeft betaald geen aanleiding de gevorderde geldboete te matigen. Immers, de situatie van de verdachte verschilt ten opzichte van de werkgever van het slachtoffer in strafverzwarende zin aldus, dat de bestuurder van de heftruck in dienst was van verdachte, dat de heftruck eigendom was van verdachte en dat het ongeval is gebeurd op het terrein van verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden

ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, begaan door een rechtspersoon;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van EUR 20.000,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenbeek, voorzitter, mr. Peeters en mr. Vos, rechters, in tegenwoordigheid van Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 september 2009.

Mr. Peeters is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.