Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ8368

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-08-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
Awb 09/619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Nieuwe WRO, vrijstelling WRO oud, bouwvergunning na 1 juli 2008

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/619 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[naam]

wonende te [plaats],

verzoeker,

gemachtigde A.C.L. van Vessem van Xander van Vessem Makelaardij en Adviesgroep te Sint-Oedenrode,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

gevestigd te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2009. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 19 augustus 2009 behandeld ter zitting. Voor verzoeker is daar zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.M. den Boer, werkzaam bij de gemeente Terneuzen.

Namens derde belanghebbende [naam] is verschenen mr C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en [naam], directeur.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO (oud)), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO (oud), zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) bepaalt:

1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2. Een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, wordt voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c van de Woningwet (hierna: Wonw) mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wonw beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag;

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wonw is het eerste lid niet van toepassing, indien de in artikel 44, eerste lid, onderdeel c of f, bedoelde situatie zich voordoet. In dat geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om:

a. een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wet ruimtelijke ordening of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet, of

c. een ontheffing van de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover de betrokken regels een dergelijke ontheffing mogelijk maken.

Ingevolge het vierde lid van artikel 46 Wonw wordt in de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning, voor zover van toepassing in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan [naam] te Sluiskil (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een brandweerkazerne met fietsenstalling en prefab berging voor containers op het perceel plaatselijk gemerkt Weststraat 34 te Biervliet.

3. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Biervliet” heeft het terrein waarop de bouw is voorzien de bestemming “Bedrijfsterrein, klasse B”. Op grond van artikel 18 van de bestemmingsplanvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor gebouwen ten dienste van handel en nijverheid, en voor gebouwen ten dienste van openbare nutsbedrijven. Het bestemmingsplan voorziet niet in de bouw van een brandweerkazerne ter plaatse.

4. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Terneuzen besloten dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor het op een bij dat besluit behorende gewaarmerkte tekening nr. 256 aangegeven gebied aan de Weststraat/Hoofdplaatseweg te Biervliet. Volgens besluit van de raad is dit voorbereidingsbesluit op 11 juni 2009 in werking getreden.

5. Gedeputeerde staten van de provincie Zeeland hebben bij besluit van 11 november 2008 een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO (oud) afgegeven voor het in geding zijnde bouwplan.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. Het project voorziet in de bouw van een permanente huisvesting van de brandweer, die nu tijdelijk gehuisvest is in een gehuurde loods. De gekozen locatie is de meest geschikte om te kunnen voldoen aan de opkomsttijden uit de leidraad “Repressieve basis brandweerzorg”. Er is voorzien in de benodigde ruimtelijke onderbouwing. Aan de bezwaren van verzoeker voor wat betreft de afwatering van zijn perceel is tegemoet gekomen.

7. Verzoeker is eigenaar van de woning [adres] en het achtergelegen bedrijfsgebouw. Hij voert aan dat op het perceel, kadastraal bekend gemeente Terneuzen, sectie BC, nummer 135, een rioleringsbuis annex verzamelput is gelegen, die bij hem in eigendom en gebruik zijn voor de afvoer van afvalwater vanaf genoemd gebouw. Dit perceel maakt deel uit van het te bebouwen terrein. Het bouwen kan niet plaatsvinden op een perceel, waarin het eigendom van verzoeker ligt. Verzoeker zal geen gebruik meer kunnen maken en geen onderhoud meer kunnen plegen aan zijn eigendommen na de bouw van de kazerne.

Daardoor zal zijn bedrijfsvoering geschaad worden. Bovendien is dit perceel zelf ook, wegens het langdurig gebruik, op grond van verjaring zijn eigendom geworden. De waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van Royal Haskoning is niet ter zake, nu verzoeker over een eigen goed functionerende afvoer beschikt.

Volgens verzoeker ontbreekt in de ruimtelijke onderbouwing of anderszins een behoorlijke motivering voor het standpunt dat de locatie een beeldbepalend punt is in Biervliet, en waarom het bouwplan op deze plaats past in de omgeving. Ook is niet onderbouwd, waarom de kazerne niet meer naar achteren geplaatst zou kunnen worden, zodat hij gebruik kan blijven maken van zijn afvoer. Er had voor dit bouwplan, nu het een wijziging op het bestaande bestemmingsplan betreft, een bestemmingsplanprocedure gevoerd moeten worden.

Verzoeker stelt voorts dat verweerder heeft nagelaten bekend te maken welke andere locatie voor de brandweerkazerne is overwogen en wat de uitkomst van die afweging was. De locatie achter de afwatering Achterweg 2 was mogelijk ook geschikt wegens een korte(re) aanrijroute. Verzoeker acht het, nu de uitrit op de Weststraat veel korter is dan de uitrit via de Haringkaker, niet aannemelijk dat slechts bij het uitrukken van de brandweer van de uitrit op de Weststraat gebruik zal worden gemaakt. Uit het oogpunt van verkeersveiligheid ter plaatse is dat niet wenselijk.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

8. Anders dan verweerder heeft gesteld, kan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Verzoeker is eigenaar van de naast het in geding zijnde bouwperceel Weststraat 34 gelegen woning [adres] en van het daarachter gelegen bedrijfsgebouw. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (onder meer: de uitspraak van 14-08-2002, LJN: AE6459) is dit enkele feit voldoende om hem aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarnaast geldt in dit geval dat het water afkomstig van verzoekers terrein en bedrijfsgebouw loost op een rioolput, die is gelegen onder het terrein, waarop het bouwplan is voorzien. Ook uit dien hoofde heeft hij een eigen rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.

9. Per 1 juli 2008 is de Wro (nieuw) in werking getreden. In verband hiermee is - onder meer - artikel 46 van de Wonw gewijzigd. Het verzoek om vrijstelling is blijkens het verhandelde ter zitting en de stukken, ingediend vóór 1 juli 2008. De aanvraag om bouwvergunning is gedaan op 11 november 2008 en diende volgens de procedure van het gewijzigde artikel 46 van de Wonw te worden afgewikkeld. Bij het bestreden besluit van 16 juni 2009 heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO (oud) en bouwvergunning verleend.

10. Nu de bouwaanvraag is ingediend na 1 juli 2008, diende deze volgens de procedure voorgeschreven in het gewijzigde artikel 46 van de Wonw te worden afgewikkeld.

De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verweerder bij de verlening van de bouwvergunning onder het regime van de gewijzigde Wonw nog wel gebruik kon maken van de ten tijde van de bouwaanvraag nog niet verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO (oud). De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend.

11. Het voor 1 juli ingediende verzoek om vrijstelling moest, gelet op artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro, worden afgewikkeld volgens het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro (nieuw). Het feit dat het verzoek om bouwvergunning is ingediend na 1 juli 2008 maakt dat niet anders. Weliswaar bepaalt artikel 46, derde lid, van de Wonw dat wanneer sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan de aanvraag om bouwvergunning tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing of een projectbesluit als bedoeld in de Wro (nieuw). Echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter mist deze bepaling toepassing als er al ten behoeve van dit project voor 1 juli 2008 een verzoek om vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, WRO (oud) is gedaan. Er is dan immers al een procedure gestart om de strijdigheid met het bestemmingsplan weg te nemen. Dat heeft ook tot gevolg dat aan toepassing van artikel 46, vierde lid, van de Wonw ten aanzien van het verzoek om bouwvergunning niet wordt toegekomen.

Het vorenstaande is in overeenstemming met het overgangsrecht van artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro. Deze bepaling beoogt immers, zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2006-2007, 30 938, pag. 20), uitdrukkelijk mogelijk te maken dat ook na 1 juli 2008 nog vrijstellingen ex artikel 19, eerste lid, van de WRO (oud) worden verleend. Nu hierin geen beperkingen zijn gesteld voor wat betreft de aard van de vrijstelling, moet ervan worden uitgegaan dat deze bepaling niet alleen geldt voor gebruiksvrijstellingen maar ook voor vrijstellingen ten behoeve van een bouwvergunning.

12. Het betoog van verzoeker dat in plaats van de artikel 19-procedure had moeten worden gekozen voor een bestemmingsplanprocedure faalt. De omvang van een project en de mate waarop inbreuk wordt gemaakt op het bestaande planologische regime brengen niet mee dat dient te worden gekozen voor een bestemmingsplanprocedure. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 19 van de WRO is ervan afgezien het projectbegrip te definiëren en is in dat artikel geen grens opgenomen voor het toepassingsbereik daarvan (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 311, nr. 6, p. 15). Indien wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 19, eerste lid, van de WRO staat het verweerder vrij toepassing te geven aan de in dat artikellid neergelegde zelfstandige projectprocedure. Een nadere motivering van die keuze is niet vereist (Afdeling, uitspraak van 7 december 2005, LJN: AU7569).

13. Zoals ook de Afdeling meermalen heeft uitgesproken (onder meer op 15 juli 2009, LJN: BJ2649) dient verweerder te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan, waarvoor vrijstelling en bouwvergunning is gevraagd. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

14. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat voorafgaand aan de aanvraag om vrijstelling ten behoeve van het in geding zijnde bouwplan mogelijke andere locaties voor de kazerne zijn overwogen. Er is voor deze locatie gekozen omdat deze de meest geschikte is om te kunnen voldoen aan de opkomsttijden uit de leidraad “Repressieve basis brandweerzorg”.

Nu verzoeker dit niet gemotiveerd heeft betwist, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat er niet is gebleken van alternatieven in vorenbedoelde zin.

15. Ten behoeve van het in geding zijnde project is opgesteld de Ruimtelijke Onderbouwing van 28 juni 2007. De voorzieningenrechter constateert dat hierin nauwelijks aandacht wordt besteed aan de relatie met het geldende bestemmingsplan. Ook wordt niet gemotiveerd waarom het te realiseren project voor wat betreft ruimtelijke uitstraling past in de omgeving. Aldus is niet aan de vereisten van een goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WRO voldaan.

De voorzieningenrechter neemt echter in aanmerking dat in het vigerende bestemmingsplan de grond bestemd is voor gebouwen ten dienste van handel en nijverheid en voor gebouwen ten dienste van openbare nutsbedrijven. Gezien de aard van het gebruik vormt een brandweerkazerne daarop een niet ingrijpende inbreuk. Voorts wordt het op de bestemmingsplankaart aangegeven bouwvlak door de bouw van de kazerne slechts aan één zijde - de westelijke zijde, die niet grenst aan de woning [adres] - in beperkte mate overschreden. De bouwhoogte blijft ruim onder de in het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter de mogelijkheid aanwezig dat genoemde omissie in de beslissing op bezwaar afdoende wordt hersteld. Ervan uitgaande dat verweerder in zijn beslissing op bezwaar alsnog in een goede ruimtelijke onderbouwing zal voorzien, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen wegens de geconstateerde gebreken in de ruimtelijke onderbouwing.

16. Er is vrijstelling verleend voor het bouwplan voor de kazerne, zoals dat in de bouwtekeningen en situatieschets bij de bouwaanvraag is opgenomen. Daaruit blijkt dat het vergunde bouwplan het bouwblok zoals dat in het bestemmingsplan is opgenomen overschrijdt. Nu die tekeningen bij de verleende vrijstelling en bouwvergunning behoren, is daarmee, anders dan verzoeker heeft gesteld, gegeven dat de vrijstelling ook op de overschrijding van het bouwblok ziet.

17. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 november 2008, LJN: BG3410) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden en verzoeker de mogelijkheid heeft dat antwoord te verkrijgen.

De stelling van verzoeker dat de rioolbuis en de verzamelput onder het perceel, kadastraal bekend Terneuzen BC 135 zijn eigendom zijn, heeft verzoeker niet onderbouwd. Vergunninghoudster heeft deze stelling ter zitting gemotiveerd weersproken. Van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter is voor wat betreft deze rioolvoorzieningen, aldus geen sprake.

De door verzoeker gestelde omstandigheid dat genoemd perceel door verjaring zijn eigendom is geworden, kan eveneens niet als een privaatrechtelijke belemmering als vorenbedoeld worden aangemerkt, reeds omdat deze wijziging in de eigendom niet kadastraal is vastgelegd. Bovendien is de uitkomst van een eventuele privaatrechtelijke procedure ongewis, nu de stelling van verzoeker dat hij het perceel door daartoe strekkende daden in bezit heeft genomen, door vergunninghoudster gemotiveerd is ontkend.

18. Vaststaat dat de lozing van water afkomstig van verzoekers eigendommen plaatsvindt via de rioolbuis en de verzamelput op het perceel BC 135. Door de bouw van de kazerne op dit perceel zal verzoeker daar geen gebruik meer van kunnen maken. Bij het bouwplan is echter voorzien in de aanleg van een vervangende afwatering vanaf het perceel van verzoeker. Uit de door verweerder bij de stukken overgelegde tekening “Aanpassing- riool-23-01-2008” blijkt dat naast de bestaande afwatering die om de kazerne heen zal worden omgelegd, een nieuwe afwatering rechtstreeks wordt aangesloten op het hoofdriool aan de Haringkaker. Blijkens de brief van het waterschap Zeeuws-Vlaanderen van 12 maart 2008 worden hierdoor de huidige (voorzieningenrechter: waaronder die van verzoeker) afwaterende belangen op het te verwijderen hemelwaterriool en de te dempen (voormalige) waterloop ter plaatse van het perceel Terneuzen BC 135 voldoende gewaarborgd.

19. In het bouwplan is voorzien in een uitrit voor de brandweerwagen aan de voorzijde van de kazerne uitkomend op de Weststraat. Blijkens een bij de stukken aanwezig rapport van Veilig Verkeer Nederland van juli 2007 zal een uitrit midden in een bocht van een haakse aansluiting van wegen de verkeersveiligheid niet ten goede komen.

Met betrekking hiertoe heeft verweerder erop gewezen dat deze uitrit alleen zal worden gebruikt door het blusvoertuig bij een calamiteit en in het geval van een oefening. De uitweg vanaf het terrein van de kazerne voor het overige verkeer van en naar de brandweerkazerne loopt vanaf de achter het gebouw gelegen parkeerplaats naar de Haringkaker. Er zal dus beperkt gebruik gemaakt worden van de uitrit. Voorts is gebleken dat de uitrit op de Weststraat zal uitkomen op een punt ongeveer vijf meter voor de aansluiting op de Hoofdplaatseweg en dat het verkeer van de Weststraat voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Hoofdplaatseweg. In die situatie zal het verkeer op de Weststraat wegens die voorrangssituatie ter hoogte van de uitrit de snelheid reeds hebben moeten verminderen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegezegd dat adequate waarschuwingsvoorzieningen aangebracht zullen worden om het verkeer te attenderen op de uitrukkende brandweerwagen. Onder deze omstandigheden, met name het beperkte gebruik van de uitrit, kan ervan worden uitgegaan dat de verkeersveiligheid ter plaatse door de aanwezigheid van de uitrit niet in onaanvaardbare mate in het geding zal komen.

20. Dat een uitrit vanaf de westzijde van het kazerneterrein op de Hoofdplaatseweg, zoals door verzoeker voorgesteld, uit oogpunt van verkeersveiligheid minder wenselijk is, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk. De Hoofdplaatseweg is een weg met doorgaand verkeer met een vrijliggend fietspad, waarop op korte afstand van elkaar reeds twee wegen, te weten de Haringkaker en de Weststraat, uitwegen. Een daartussen in gelegen derde uitweg zou een extra gevaarpunt opleveren.

21. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de gronden van verzoeker geen doel treffen. In aanmerking nemende dat het gebrek van het ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing zoals eerder overwogen in bezwaar kan worden hersteld, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier, en op 27 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 27 augustus 2009