Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6375

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/1087
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kenbaarheid parkeerbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/1277
FutD 2009-1892
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht, enkelvoudige

belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1087

Uitspraakdatum:

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Middelburg, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser op 26 augustus 2008 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, ten bedrage van € 50,80 (hierna: de aanslag).

Verweerder heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2008 gehandhaafd.

Eiser heeft met een brief van 13 november 2008 aan verweerder op de uitspraak op bezwaar gereageerd. Verweerder heeft de brief als beroepschrift aan de rechtbank doorgezonden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2009 te Middelburg.

Eiser is daar verschenen. Namens verweerder is verschenen J. Coolbergen-Cortie. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De aanslag is opgelegd voor het parkeren van het bij eiser in gebruik zijnde voertuig met kenteken [nummer] op 26 augustus 2008 om 14:16 uur op de locatie ‘Dam en omgeving’ te Middelburg, nadat door een parkeercontroleur was vastgesteld dat in het voertuig geen bewijs van betaling van parkeerbelasting in de vorm van een parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was. Ter plaatse was op de datum in geding parkeerbelasting verschuldigd.

3. Geschil

Tussen partijen is de kenbaarheid van de parkeerbelasting ter plaatse in geschil.

Eiser heeft aangevoerd dat op de plaats op de Dam waar hij heeft geparkeerd (ter hoogte van de percelen met huisnummer 30 en volgende, iets voorbij Bakkerij Pieter Bliek) geen aankondiging van een betaaldparkeerzone zichtbaar en daarmee kenbaar was. Hij heeft de bebording in de nabijheid van de aanvang van de betreffende weghelft op het scheidsvlak Lange Delft (einde voetgangersgebied)/Dam in de rijrichting Dam, nagelopen. Bij afwezigheid van borden is er geen plicht om te betalen. Aan de andere kant van de rijweg op het midden van het Damplein, waar een vierkant parkeerterrein is ingericht, staan wel borden en een automaat. Aan de kant waar eiser heeft geparkeerd, ontbreken dergelijke borden. Ook bij het binnenrijden van de stad heeft eiser geen borden gezien.

Verweerder heeft de aanslag gehandhaafd. De auto was geparkeerd op een locatie waar betaald parkeren geldt. Door middel van borden en parkeerautomaten is dit aangegeven. Op alle ingangswegen van Middelburg richting centrum staan deze borden en ook in de omgeving van de Dam staan parkeerautomaten en verschillende kleinere borden die aangeven dat er voor parkeren betaald moet worden.

4. Beoordeling van het geschil

Eiser heeft zijn auto op dinsdag 26 augustus 2008 om 14:16 geparkeerd op de locatie ‘Dam en omgeving’ in het centrum van Middelburg. Niet in geschil is dat ter plaatse op die datum voor parkeren moest worden betaald. Voorts staat vast dat vanaf de plaats waar eiser zijn auto heeft geparkeerd, op korte afstand, namelijk midden op het Damplein, een parkeerautomaat met aanduiding zichtbaar was.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 19 oktober 2007 van het Gerechtshof te Amsterdam (vindplaats www.rechtspraak.nl onder LJN-kenmerk BB7488) mag van algemene bekendheid worden geacht dat een auto parkeren in het centrum van vrijwel elke grotere plaats verschuldigdheid van parkeerbelasting met zich brengt. Dit geldt ook voor de provinciehoofdstad van Zeeland.

Voor zover daar bij eiser op 26 augustus 2008 in Middelburg toch nog enige twijfel over heeft bestaan, had van hem mogen worden verwacht dat hij gericht onderzoek had gedaan naar eventuele verschuldigdheid van parkeergeld. Dan volstaat niet dat slechts wordt bezien of op slechts enkele meters afstand van de plaats waar de auto is geparkeerd een bord staat waaruit is af te leiden dat ter plaatse voor parkeren betaald moet worden maar er mag dan, gelet ook op het tijdstip van parkeren, verwacht worden dat bij personen die met de situatie ter plaatse bekend zijn, wordt geïnformeerd of voor de gekozen parkeerplaats betaald moet worden. De onderzoeksplicht kan ook inhouden dat geparkeerde auto’s op dezelfde locatie worden beoordeeld op de aanwezigheid van een parkeerkaartje. Eiser heeft dit ten onrechte nagelaten.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat bij eiser omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting op de plaats en het tijdstip als hiervoor vermeld redelijkerwijs geen misverstand heeft kunnen bestaan. De bestreden uitspraak houdt in rechte stand en het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier, en op 20 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op: 20 augustus 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.