Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6373

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/1075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

spoedhalve bestuursdwang, hennepkwekerij, brandgevaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/1075

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

gevestigd te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 6 oktober 2008 (het bestreden besluit).

Het beroep is op 9 juli 2009 behandeld ter zitting. Voor eiser is mr. H.A.C. Klein Hesselink verschenen ter vervanging van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. Arens. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Op 21 april 2008 is een hennepkwekerij aangetroffen in een woning aan [adres] te [plaats]. Eiser is eigenaar en bewoner van deze woning. Verweerder heeft op dezelfde datum de hennepkwekerij laten verwijderen. Bij de ontmanteling is volgens verweerder toepassing gegeven aan het convenant voor de gezamenlijke aanpak van hennepkwekerijen van 8 juni 2006 (hierna: het convenant), ondertekend door Politie Zeeland, het Openbaar Ministerie, de Zeeuwse gemeenten, Delta Netwerkbedrijf B.V. (hierna: Delta) en de Zeeuwse woningcorporaties.

2. Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij overtreder is van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, het bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening en dat de brandonveilige situatie onmiddellijk optreden noodzakelijk maakte. De kosten van de bestuursdwang komen voor rekening van eiser.

3. Tegen het besluit van 22 april 2008 heeft eiser bezwaar gemaakt.

4. In het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt. Het gebruik als kwekerij is volgens verweerder in strijd met het bestemmingsplan. Uit de rapportage van de ontruiming blijkt duidelijk dat de elektriciteitsvoorziening niet voldeed aan de eisen van het bouwbesluit. Door de illegale aftap en de aansluiting van apparatuur van de hennepkwekerij is er sprake van buitengewoon hoge temperaturen van de elektriciteitsleidingen. De brandgevaarlijke situatie noopte tot direct optreden, zodat er geen ruimte was om betrokkene een termijn te gunnen om zelf een einde aan de illegale situatie te maken. Er kan niet worden volstaan met het uitzetten van de lampen, omdat de overtreding dan weer kan worden voortgezet. Verder kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat een hennepkwekerij in een woonbuurt overlast veroorzaakt als bedoeld in artikel 7.3.2 van de gemeentelijke bouwverordening, aldus verweerder.

5. Eiser bestrijdt dat er sprake was van acuut brandgevaar. Gezien het aantal mensen dat op 21 april 2008 is binnengetreden was de gemeente volledig voorbereid om een wietplantage te ontmantelen. Indien er brandgevaar bestond, dan had verweerder de minst vergaande vorm van interventie moeten treffen en de elektriciteit kunnen uitschakelen. Voor zover er dan nog een situatie bestond die in strijd zou zijn met enige bepaling had verweerder gewoon een aanschrijving de deur uit kunnen doen en een termijn kunnen stellen. Het gevaar van legionella-besmetting is wel erg ver gezocht. Dat is onvoldoende grond om bestuursdwang toe te passen. Verweerder heeft geen wettelijke bevoegdheid. Het convenant ontbeert een wettelijke status en kan de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet opzij zetten.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

7. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang.

Artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend wordt door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

8. Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:24 van de Awb luidt:

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.

3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

9. Het convenant is niet gepubliceerd. Er is daarom geen sprake van een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Het convenant is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een werkafspraak om een vaste gedragslijn te volgen. Elk bestuursorgaan dat bij het convenant is betrokken, houdt zijn eigen bevoegdheid. De bepalingen van de Awb met betrekking tot bestuurdwang worden door het convenant dan ook niet opzij gezet.

10. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder een toelichting gegeven op de gang van zaken bij de ontmanteling van een hennepkwekerij: Verweerder krijgt van de politie bericht dat het vermoeden bestaat dat op een bepaald adres een hennepkwekerij wordt geëxploiteerd. Dat vermoeden wordt gestaafd door een piekmelding van Delta. Delta doet wat betreft het piekverbruik geen onderzoek naar een adres, maar naar een blok woningen. Dat gebeurt op verzoek van de politie. De politie doet verder onderzoek. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt een datum voor een inval gepland. Vervolgens wordt uitvoering gegeven aan de werkafspraken van het convenant. Door de ter plaatse aanwezige medewerkers van bouw- en woningtoezicht wordt, na overleg met een medewerker van Delta, beoordeeld of er aanleiding bestaat om over te gaan tot spoedeisende bestuursdwang. De teamleider is gemandateerd om het betreffende besluit te ondertekenen. Indien de kwekerij niet in werking is, wordt afgezien van spoedeisende bestuursdwang.

De rechtbank vermag niet in te zien dat de hierboven geschetste gang van zaken in strijd is met hetgeen de Awb voorschrijft ten aanzien van de toepassing van bestuursdwang.

11. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) mag een bestuursorgaan een vaste gedragslijn die niet is neergelegd in een beleidsregel volgen, mits het bestuursorgaan de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert.

12. Vaststaat dat in de woning van eiser een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. Onweersproken is dat eiser daarmee heeft gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening en het bouwbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder dan ook bevoegd om handhavend op te treden. Die bevoegdheid van verweerder wordt niet ontleend aan het convenant, zoals eiser stelt, maar aan de Woningwet, de Gemeentewet en de Awb. In het besluit van 22 april 2008 heeft verweerder die wettelijke grondslag ook vermeld.

13. Vervolgens is aan de orde of in de woning van eiser brandgevaar bestond als gevolg van de in werking zijnde hennepkwekerij, zodat hem geen termijn behoefde te worden gegund om zelf een einde te maken aan de illegale situatie.

14. Blijkens het ontruimingsrapport met bijbehorende foto’s waren er transformatoren op hout gemonteerd, open aansluitingen en veel samengebonden elektriciteitsdraden. In een verklaring veiligheidsrisico van 22 juni 2009, door Delta opgesteld op verzoek van verweerder, en een algemene notitie veiligheidsrisico’s van elektrotechnische aansluitingen bij illegale hennepkwekerijen is uiteengezet dat door overbelasting van het ondeugdelijke materiaal en door onvoldoende beveiliging vonkvorming en oververhitting kan ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de genoemde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er brandgevaar bestond, hetgeen voldoende grondslag opleverde voor spoedeisend optreden. De vraag of er gevaar voor legionella-besmetting bestond, kan daarom buiten beschouwing blijven.

15. Indien zou zijn volstaan met het afsluiten van de elektriciteit zou de kans bestaan dat eiser zijn illegale activiteiten zou voortzetten, waardoor opnieuw brandgevaar zou ontstaan. De rechtbank verwerpt daarom het standpunt van eiser dat het voldoende zou zijn geweest om de elektriciteit uit te schakelen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de jurisprudentie van de Afdeling (LJN: BD8872).

16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om spoedseisende bestuursdwang toe te passen bij de ontmanteling van deze hennepkwekerij. Het beroep is daarom ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes als voorzitter en mr. W.M.P. van Alphen en mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen als griffier en op 20 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 20 augustus 2009