Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6370

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-08-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/550
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM7751, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

spoedhalve bestuursdwang, hennepkwekerij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/550

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terneuzen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes,

gevestigd te Goes,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 20 mei 2005 (lees: 2008) van verweerder (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 9 juli 2009 behandeld ter zitting. Voor eiser is zijn gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G.J. Goemaat. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Op 16 januari 2008 heeft verweerder een hennepkwekerij laten verwijderen uit een woning aan [adres] te [plaats]. Bij de ontmanteling is volgens verweerder toepassing gegeven aan het convenant voor de gezamenlijke aanpak van hennepkwekerijen van 8 juni 2006 (hierna: het convenant), ondertekend door Politie Zeeland, het Openbaar Ministerie, de Zeeuwse gemeenten, Delta Netwerkbedrijf B.V. (hierna: Delta) en de Zeeuwse woningcorporaties.

2. Bij besluit van 21 januari 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij als huurder van de woning aan [adres] te [plaats] als overtreder van de Bouwverordening Goes wordt aangemerkt en dat in verband met overlast door stank en geluid, verontreiniging van het bouwwerk, de brandonveilige situatie en de kans op het uitbreken van legionella spoedeisende bestuursdwang is toegepast zonder eiser in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze te geven.

3. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn eerder ingenomen standpunt. Het is volgens verweerder aannemelijk dat het exploiteren van een illegale hennepkwekerij hinder oplevert in de vorm van overlast en brandgevaar als bedoeld in de artikelen 6.4.1 en 7.3.2. van de Bouwverordening Goes. Het elektriciteitsnet van een woning is geschikt voor regulier gebruik. Apparatuur voor een hennepkwekerij behoort daartoe in de regel niet. Vanwege de ernst en het acute gevaar van de situatie was het gerechtvaardigd dat is afgezien van het stellen van een begunstigingstermijn om eiser in de gelegenheid te stellen zelf de nodige maatregelen te treffen.

5. Eiser bestrijdt dat de woning als hennepkwekerij is gebruikt. Hij heeft slechts erkend dat hij enkele planten voor eigen gebruik had staan. Hij is van mening dat niet is gemotiveerd waarom de bestuursdwang spoedeisend was. Er was geen sprake van overlast. Er blijkt niet dat er klachten waren. Eiser heeft baat bij het gebruiken van softdrugs als middel tegen de chronische pijn waaraan hij lijdt. Hij heeft niet geknoeid aan de elektrische installatie en geen stroom buiten de meter om gebruikt. Eiser bestrijdt dan ook dat er sprake was van een onveilige situatie. Gelet op het feit dat de politie Zeeland de organisatorische leiding heeft, bestaat er geen discretionaire bevoegdheid meer voor het bestuursorgaan.

6. Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang.

Artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend wordt door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

7. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:24 van de Awb luidt:

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.

3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

8. Het convenant is niet gepubliceerd. Er is daarom geen sprake van een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Het convenant is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een werkafspraak om een vaste gedragslijn te volgen. Elk bestuursorgaan dat bij convenant is betrokken, houdt zijn eigen bevoegdheid. De bepalingen van de Awb met betrekking tot bestuurdwang worden door het convenant dan ook niet opzij gezet.

Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag een bestuursorgaan een vaste gedragslijn die niet is neergelegd in een beleidsregel volgen, mits het bestuursorgaan de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert.

9. In het bestreden besluit en in het verweerschrift spreekt verweerder in algemene termen over een hennepkwekerij, maar de beschrijving van de specifieke situatie in de woning van eiser ontbreekt. Die beschrijving ontbreekt ook in het ontruimingsrapport van 17 januari 2008 van de ambtenaar van de milieupolitie.

10. Het uitermate summiere rapport van de ambtenaar van de milieupolitie geeft geen inzicht en duidelijkheid over een brandgevaarlijke situatie in de woning van eiser. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure is van de zijde van verweerder naar voren gebracht dat de milieuambtenaar de woning van eiser niet is binnengetreden. Uit het dossier blijkt ook niet dat de milieuambtenaar bevoegd was om de woning binnen te treden. De rechtbank stelt dan ook vast dat de milieuambtenaar de situatie in eisers woning niet heeft kunnen beoordelen. Ter zitting van de rechtbank is namens verweerder bevestigd dat die beoordeling en de besluitvorming tot ontruiming achteraf plaatsvindt. Er is geen gericht onderzoek gedaan naar de elektriciteitsvoorziening. Er was geen medewerker van Delta aanwezig bij de ontruiming, zodat een deskundige beoordeling van de (on)veiligheid van de elektriciteitsvoorziening ontbreekt. Er zijn alleen foto’s van de politie. Overlast door stank en overlast door dealen als gevolg van een in werking zijnde hennepkwekerij in eisers woning is niet vastgesteld.

11. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om te kunnen vaststellen dat er ten tijde hier in geding van een zodanig ernstige overtreding van de bouwverordening door eiser sprake was dat verweerder geen ander middel restte dan spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Verweerder heeft daarom ten onrechte van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een beslissing tot toepassing van bestuursdwang te (laten) nemen alvorens die bestuursdwang uit te voeren. De beoordeling van verweerder achteraf, naar de rechtbank begrijpt om te zien of de kosten van de toegepaste bestuursdwang aan de overtreder, in casu eiser, in rekening moeten worden gebracht, vermag niet als gevolg te hebben dat de feitelijke toepassing van bestuursdwang geacht moet worden te hebben plaatsgehad overeenkomstig de (wettelijke) voorschriften daaromtrent. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 125 van de Gemeentewet en de artikelen 3:2, 7:12, eerste lid, en 5:24 van de Awb genomen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

13. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- (honderdvijfenveertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door verweerder aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes als voorzitter en mr. W.M.P. van Alphen en mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer als griffier en op 20 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 20 augustus 2009