Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ6198

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
26-08-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
12/700106-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte schuldig aan poging doodslag, medeplegen van vrijheidsberoving en poging tot afpersing, het telen van hennep, medeplegen van het dwingen van een persoon de door hem gehuurde woning te laten verlaten, bedreiging en huiselijk geweld, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700106-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 augustus 2009

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte]

geboren op [1981]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in PI Zuid West – HvB Torentijd te Middelburg

raadsman mr. Kuijpers, advocaat te ’s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 augustus 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt.

1.

hij op of omstreeks 27 april 2009 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] één of meerma(a)l(en) met een mes, in elk geval met een (dergelijk) scherp voorwerp in de rug en/of in de achterzijde van het rechter bovenbeen en/of in de hand (rug) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 27 april 2009 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet samen met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] één of meerma(a)l(en) met een mes, in elk geval met een (dergelijk) scherp voorwerp in de rug en/of in de achterzijde van het rechter bovenbeen en/of in de hand (rug) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeente(n) Vlissingen en/of Veere, in elk geval in het arrondissement Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon,

genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft/is hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk die [slachtoffer] tegen zijn wil (achter) in een auto laten plaatsnemen en/of met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle gereden en/of aldaar die [slachtoffer] gedwongen uit te stappen en/of (vervolgens)

een (vuilnis)zak over het hoofd van die [slachtoffer] getrokken en/of die [slachtoffer] gedwongen in een greppel te gaan liggen en/of (daarna) die [slachtoffer] wederom gedwongen in de/een auto plaats te nemen en/of vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen gereden en/of die [slachtoffer] tegen zijn wil (in een kleine ruimte) in dat pand achter gelaten;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeente(n) Vlissingen en/of Veere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed dat geheel of ten dele toebehoorde aan die [slachtoffer] en/of aan een of meer ander(en) en/of het ter beschikking stellen van gegevens,

te weten

de afgifte van een geldbedrag door die [slachtoffer] verkregen uit een erfenis van de overleden vader van die [slachtoffer] en/of het ter beschikking stellen van de na(a)m(en) van (een) perso(o)n(en) die had(den) ingebroken bij de hennepkwekerij aan de Nieuwendijk te Vlissingen en/of wie de hennep had(den) meegenomen

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, samen met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] met een mobiele telefoon, in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of één of meer klap(pen) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegeven en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij mee moest naar Rotterdam en/of wat daar zou gaan gebeuren hij niet meer na zou kunnen vertellen en/of dat ze met spijkers in zijn voeten zouden gaan slaan en/of met een tang zijn nagels uit zouden trekken en/of opzettelijk die [slachtoffer] tegen zijn wil achter in een auto heeft laten plaatsnemen en/of met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle is gereden en/of aldaar die [slachtoffer] heeft gedwongen uit te stappen en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen op zijn knieën te gaan zitten en/of tegen die [slachtoffer] opzettelijk dreigend heeft gezegd "We gaan je dood maken, we gaan je begraven" en/of (vervolgens) een (vuilnis)zak over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen in een greppel te gaan liggen en/of een hoeveelheid zand over (het hoofd van) die [slachtoffer] heeft gegooid en/of (daarna) die [slachtoffer] wederom gedwongen in de/een auto plaats te nemen en/of

vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen is gereden en/of die [slachtoffer] tegen zijn wil (in een kleine ruimte) in dat pand heeft achter gelaten;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 3 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeente(n) Vlissingen en/of Veere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag door die [slachtoffer] verkregen uit een erfenis van de overleden vader van die [slachtoffer], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de na(a)m(en) van (een) perso(o)n(en) die had(den) ingebroken bij de hennepkwekerij aan de Nieuwendijk te Vlissingen en/of wie die hennep had (den) meegenomen,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, samen met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] met een mobiele telefoon, in elk geval met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of één of meer klap(pen) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegeven en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij mee moest naar Rotterdam en/of wat daar zou gaan gebeuren hij niet meer na zou kunnen vertellen en/of dat ze met spijkers in zijn voeten zouden gaan slaan en/of met een tang zijn nagels uit zouden trekken en/of opzettelijk die [slachtoffer] tegen zijn wil achter in een auto heeft laten plaatsnemen en/of met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle is gereden en/of aldaar die [slachtoffer] heeft gedwongen uit te

stappen en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen op zijn knieën te gaan zitten en/of tegen die [slachtoffer] opzettelijk dreigend heeft gezegd "We gaan je dood maken, we gaan je begraven" en/of (vervolgens) een (vuilnis)zak over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen in een greppel te gaan liggen en/of een hoeveelheid zand over (het hoofd van) die [slachtoffer] heeft gegooid en/of (daarna) die [slachtoffer] wederom gedwongen in de/een auto plaats te nemen en/of vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen is gereden en/of die [slachtoffer] tegen zijn wil (in een kleine ruimte) in dat pand heeft achter gelaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 3 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

A.

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeente(n) Vlissingen en/of Veere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/zijn/heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] gezegd -zakelijk weergegeven- dat hij mee moest naar Rotterdam en/of wat daar zou gaan gebeuren hij niet meer na zou kunnen vertellen en/of dat ze met spijkers in zijn voeten zouden gaan slaan en/of met een tang zijn nagels uit zouden trekken en/of opzettelijk dreigend die [slachtoffer] (tegen zijn wil) achter in een auto laten plaatsnemen en/of met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle gereden en/of aldaar die [slachtoffer] gedwongen uit te stappen en/of die [slachtoffer] gedwongen op zijn knieën te gaan zitten en/of tegen die [slachtoffer] opzettelijk dreigend heeft gezegd "We gaan je dood maken, we gaan je begraven" en/of (vervolgens) een (vuilnis)zak over het hoofd van die [slachtoffer] getrokken en/of die [slachtoffer] gedwongen in een greppel te gaan liggen en/of een hoeveelheid

zand over (het hoofd van) die [slachtoffer] gegooid en/of (daarna) die [slachtoffer] wederom gedwongen in de/een auto plaats te nemen en/of vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen gereden en/of die

[slachtoffer] tegen zijn wil (in een kleine ruimte) in dat pand achter gelaten;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

B.

hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 mei 2009 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met een mobiele telefoon, in elk geval met

een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of één of meer klap(pen) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegeven en/of waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 april 2009 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, een of meerma(a)l(en) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

Nieuwendijk) ongeveer 250, in elk geval een grote (handels) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) (handels) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

(ter berechting gevoegd parketnummer: 715114-09)

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Middelburg opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, [slachtoffer 2], een of meerma(a)l(en) met kracht aan/bij de haren heeft getrokken en/of die [slachtoffer 2] een of meerma(a)l(en) met

kracht op de grond heeft gegooid, en/of die [slachtoffer 2] een of meerma(a)l(en) op/tegen het lichaam heeft geschopt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

(ter berechting gevoegd parketnummer: 715114-09)

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Middelburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een sjaal, in elk geval een dergelijk voorwerp rond de keel van die [slachtoffer 2] heeft aangetrokken en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik

vermoord je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

(ter berechting gevoegd parketnummer: 715114-09)

hij op of omstreeks 15 maart 2009 te Middelburg, in elk geval in het arrondissement Middelburg [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, via een aan die [slachtoffer 2] gezonden sms-bericht, haar de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven-, dat als zij met de politie mee zou gaan, hij, verdachte, haar en de kinderen zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

(ter berechting gevoegd parketnummer: I 708571-08)

hij op of omstreeks 31 augustus 2008, in de gemeente Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen het door die [slachtoffer 3] gehuurde

appartement aan de Scheldestraat te verlaten, in elk geval iets te doen, niet te doen of te dulden,

immers is/heeft verdachte samen met zijn mededader(s), althans alleen,:

- in de voor de nachtrust bestemde tijd en/of gewapend met een honkbalknuppel

het appartement van die [slachtoffer 3] binnengedrongen, en/of

- met een honkbalknuppel op een muur in dat appartement geslagen, en/of

- die [slachtoffer 3] dreigend gesommeerd het appartement te verlaten, en/of

- die [slachtoffer 3] naar buiten geduwd, en/of

- diens eigendommen op straat gezet;

art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

9.

(ter berechting gevoegd parketnummer I 708139-08)

hij op of omstreeks 20 september 2008 in de gemeente Middelburg opzettelijk met volle kracht tegen/op het hoofd van zijn echtgenote, [slachtoffer 2], heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel (gebroken bovenkaak/jukbeen), heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 9 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat hij op of omstreeks 20 september 2008 in de gemeente Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote, [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) tegen/in het gezicht, althans tegen en/of op het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 9 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 20 september 2008 in de gemeente Middelburg opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, [slachtoffer 2],

(met volle kracht) tegen/op het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken bovenkaak/jukbeen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1 tot en met 4

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2, 3 meer subsidiair (met uitzondering van het slaan van spijkers in zijn voeten en het met een tang uittrekken van zijn nagels) en 4 ten laste gelegde en baseert zich daarbij op de gedetailleerde aangifte van [slachtoffer] en zijn latere verklaringen, die consistent en verifieerbaar zijn. Deze verklaringen vinden bevestiging in het sporenonderzoek, de bevindingen van de verbalisanten op de plaats delict, de verklaringen van getuigen en de kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte. Met betrekking tot feit 1 primair gaat de officier van justitie er van uit dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. Naast het hiervoor genoemde baseert de officier van justitie zich met betrekking tot feit 3 meer subsidiair en 4 ook op het onderzoek naar de mastgegevens waaruit blijkt dat de gsm van zowel verdachte als ook van zijn medeverdachte op tijdstippen die aangever in zijn verklaringen heeft genoemd heeft aangestraald op een paal in Westkapelle, terwijl zij hebben verklaard die nacht thuis in Vlissingen te zijn geweest.

Feiten 5 tot en met 7

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde, en wel in die zin dat hij zijn vrouw op de grond heeft gegooid en haar tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, en baseert zich daarbij op de aangifte, de constatering van verbalisanten dat zij letsel heeft, en de verklaring van verdachte dat zij hebben geduwd en getrokken.

Verder acht hij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vrouw heeft bedreigd door aan het sjaaltje dat zij rond haar nek had te trekken, zoals onder 6 aan hem is ten laste gelegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van getuigen, dit alles in samenhang bezien met de sms die verdachte kort daarop aan het slachtoffer heeft gestuurd.

De officier van justitie acht ook het onder 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekentenis van verdachte ter terechtzitting. Gelet op hetgeen voorafgegaan is aan deze sms is de officier van justitie van mening dat dit zeer bedreigend kan overkomen.

Feit 8

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 8 ten laste gelegde en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaringen van getuigen, en het feit dat verdachte en zijn medeverdachten hebben bekend daar aanwezig te zijn geweest.

Feit 9

De officier van justitie acht het onder 9 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer 2], het feit dat zij heeft verklaard dat er een operatie nodig was om het letsel te herstellen en dat zij er een litteken aan over zal houden, en de bekentenis van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1 tot en met 4

De verdediging is van mening dat de rechtbank ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokken is bij deze feiten. Het staat voor de verdediging wel vast dat er iets is gebeurd met [slachtoffer]. Zij wijst echter op het feit dat alleen aangever verklaart over de betrokkenheid van verdachte bij de steekpartij, de gijzeling, afpersing en de hennepkwekerij aan de Nieuwendijk te Vlissingen. In het dossier bevindt zich geen steunbewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten. Verder merkt zij op dat de verklaringen van aangever [slachtoffer] onderling nogal wisselen en aantoonbaar niet kloppen voor wat betreft de betrokkenheid van verdachte. Voor wat betreft het technische onderzoek naar de mastgegevens merkt de verdediging op dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn mobiele telefoon kwijt was en dat deze nog in het uitzendbureau of in de auto van zijn broer lag.

Feit 8

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen met betrekking tot het slaan met de honkbalknuppel. Verdachte ontkent deze te hebben meegenomen en als hij hem al heeft meegenomen dan toch zeker niet om er mee te slaan. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Zij merkt daarbij op dat het enkele feit dat het slachtoffer in zijn onderbroek naar buiten is gestuurd al dreigend is. Zij merkt verder nog op dat zij de overtuiging heeft dat het slachtoffer wraak wil nemen voor het feit dat hij onder deze omstandigheden is buiten gezet en daarom liegt over (het slaan met) de honkbalknuppel.

Feit 5, 6, 7 en 9

De verdediging refereert zich ten aanzien van deze feiten aan het oordeel van de rechtbank. Zij merkt nog wel op dat deze feiten niet zijn gepleegd vanuit een criminele inborst van verdachte, maar in de relatiesfeer, waarbij het wel eens goed mis gaat. Ten aanzien van feit 9 merkt zij nog op dat verdachte zijn vrouw met de vlakke hand heeft geslagen en niet opzettelijk haar kaak heeft gebroken. Dat dit is gebeurd, is aan de omstandigheden van de situatie te wijten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1, 2, 3 en 4

[slachtoffer] heeft op 2 mei 2009 aangifte gedaan van poging doodslag dan wel poging moord op 27 april 2009 en wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing gepleegd in de nacht van 1 op 2 mei 2009, door verdachte, zijn broer [medeverdachte] en een derde niet nader genoemde Turkse man. De aanleiding voor deze strafbare feiten zou gelegen zijn in het feit dat een in de kelder van de woning van aangever gevestigde hennepkwekerij in de nacht van 26 op 27 april 2009 geript is.

Betrouwbaarheid verklaringen aangever [slachtoffer]

[slachtoffer] is naast zijn aangifte nog tweemaal verhoord door de politie. Hij heeft daarbij steeds uitgebreid en gedetailleerd zijn verhaal verteld . Later is hij ook nog in het bijzijn van de raadslieden van de verdachten en de officier van justitie gehoord door de rechter-commissaris . Ook toen is [slachtoffer] bij zijn verklaring gebleven. Hij heeft op hoofdpunten telkens consistent verklaard. Dat [slachtoffer] na zijn aangifte op ondergeschikte punten anders heeft verklaard doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van zijn verklaringen. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte en latere verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en kunnen worden gebruikt voor het bewijs, nu deze in belangrijke mate worden ondersteund door ander bewijs in het dossier. Zijn verklaringen worden op onderdelen ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Bovendien vinden de verklaringen van [slachtoffer] steun in de uitkomsten van het technisch onderzoek in zijn woning , in het uitzendbureau Actief aan de Scheldestraat te Vlissingen , de auto van medeverdachte [medeverdachte] en in een duinpan nabij de Joossesweg te Westkapelle. De rechtbank ziet gelet op het hiervoor overwogene anders dan de verdediging geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer].

Feit 1

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij in de nacht van 26 op 27 april 2009 lag te slapen in zijn woning aan de Nieuwendijk te Vlissingen toen hij wakker werd van een knal. Toen hij om 04.00 uur opstond om te gaan werken hoorde hij iemand het pand uitgaan en rook hij een sterke weedlucht, terwijl dit normaal niet te ruiken was. Hij heeft daar verder geen aandacht aan besteed en verliet de woning om naar zijn werk te vertrekken. Toen hij buiten kwam zag hij verdachte en zijn broer aan komen rennen. Zij riepen “wat is er gebeurd?” Verdachte stak [slachtoffer] vervolgens met een mes in zijn rug en been. Op 2 mei 2009 is door een Ggd-arts geconstateerd dat [slachtoffer] twee gapende, scherpgerande wonden had aan zijn rug en been.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 26 op 27 april 2009 rond 04.30 uur samen met zijn broer de post is gaan halen bij onder andere de woning van [slachtoffer]. Zij zagen aan de achterzijde van de woning [slachtoffer] lopen. De broer van verdachte is naar [slachtoffer] toegelopen en zij zijn samen naar binnen gegaan. Verdachte heeft verder verklaard dat hij die nacht niet binnen in de woning is geweest. Hij is in de auto blijven zitten en niet uitgestapt.

[medeverdachte], de broer van verdachte en tevens medeverdachte, heeft in eerste instantie verklaard dat hij die nacht thuis was . Daarna heeft hij zich telkens op zijn zwijgrecht beroepen.

Voor de rechtbank staat vast dat verdachte en zijn broer die nacht op de Nieuwendijk te Vlissingen zijn geweest. Dit wordt tevens bevestigd door de verklaring van [getuige 1]. Hij heeft op 27 april 2009 aangifte gedaan van bedreiging door drie mannen. [getuige 1] heeft onder andere verklaard dat hij op 27 april 2009 omstreeks 04.00 uur over de Nieuwendijk te Vlissingen liep toen ter hoogte van de belwinkel iemand naar hem riep vanuit een raamopening boven de belwinkel. Hij is verder gelopen en in zijn auto gestapt. Korte tijd later werd hij achtervolgd door drie mannen in een auto. Eén van deze mannen herkende hij als zijnde de eigenaar van de vroegere belwinkel op de Nieuwendijk te Vlissingen. Op 5 mei 2009 heeft de politie [getuige 1] geconfronteerd met een drietal foto’s . Op foto 2 herkende hij de man die hem in de nacht van 27 april 2009 aanriep. Deze man was later nog in zijn winkel geweest samen met zijn broer, althans hij vertelde hem dat het zijn broer was. [getuige 1] herkende deze man op foto 3. Deze man had vroeger de belwinkel.

[medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij vroeger een belwinkel heeft gehad aan de Nieuwendijk te Vlissingen. Bij het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] (zie voetnoot 16) zijn drie foto’s gevoegd, genummerd 1 tot en met 3. Op grond van haar waarneming ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat fotonummer 2 een foto van verdachte is en fotonummer 3 een foto van zijn broer [medeverdachte].

Uit vorenstaande blijkt dat verdachte - in tegenstelling tot wat hij heeft verklaard – wel degelijk in de woning van [slachtoffer] is geweest. [getuige 1] heeft hem immers boven uit het raam zien hangen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niet uit de auto is geweest kennelijk leugenachtig is en tegen beter weten in is afgelegd om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs bezigen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

Poging doodslag of poging zware mishandeling

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag zal moeten worden vastgesteld of er sprake is geweest van handelingen waarmee verdachte ten minste de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van deze handelingen zou kunnen overlijden. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke handelingen niet zijn bewezen, nu uit het strafdossier niet is vast te stellen en ook anderszins niet is gebleken op welke manier of met welke kracht verdachte heeft gestoken en bovendien niet blijkt of door het handelen van verdachte de reële kans heeft bestaan dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden.

Wel acht de rechtbank op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat er sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Medeplegen

Om te kunnen spreken van medeplegen moet er sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de uitvoering van het delict. Hoewel verdachte en zijn broer samen naar de woning van [slachtoffer] zijn gereden, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de broer van verdachte wist of kon weten dat verdachte de bedoeling had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het enkele feit dat hij ter plekke aanwezig was vormt geen bewijs van betrokkenheid als medepleger. Niet gebleken is dat de broer van verdachte zich van het handelen van verdachte kon distantiëren. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen en in vereniging met zijn broer op 27 april 2009 heeft gepoogd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 27 april 2009 heeft gepoogd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes in zijn rug en been te steken.

Feit 2 en 3

Op 2 mei 2009 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een in de nacht van 1 op 2 mei 2009 gepleegde vrijheidsberoving en poging tot afpersing. Aangever heeft verklaard dat op vrijdag 1 mei 2009 ’s middags [medeverdachte] en een niet nader genoemde Turkse man bij hem langs kwamen. De Turkse man wilde weten wie de hennepkwekerij in de woning van aangever had geript en dacht dat aangever over die informatie beschikte. Toen aangever zei dat hij dat niet wist, zei de man dat hij mee moest naar Rotterdam en dat hij hetgeen daar zou gebeuren niet zou kunnen navertellen. Aangever werd bang. [medeverdachte] en de Turkse man zijn vervolgens weggegaan. Rond 17.15 uur kwamen zij weer terug. Aangever moest in de auto van [medeverdachte], een zilvergrijze BMW X5, stappen. Zij zeiden dat ze hem mee zouden nemen naar Rotterdam. Zij zijn vervolgens via Goes naar het uitzendbureau van [medeverdachte] gereden. In het uitzendbureau is aangever geslagen door de Turkse man en [verdachte]. Na enige tijd zijn ze met zijn vieren (verdachte, [medeverdachte], de Turkse man en aangever) in de auto gestapt en via Vlissingen naar Koudekerke gereden en vervolgens naar Zoutelande en Westkapelle. Vanaf Zoutelande kreeg aangever zijn jas over zijn hoofd zodat hij niets meer zag. Bij een betonnen dijk stopten ze en werd aangever verteld dat hij levend begraven zou worden. Vervolgens zijn ze weer terug gereden. Aangever kon toen zien waar ze naar toe reden. Zij zijn vanuit Westkapelle richting Zoutelande gereden langs discotheek De Hooizolder. Ze zijn verder gereden naar de duinen en hebben daar de auto rechts op een parkeerterrein gezet. Links daarnaast is een pad. Eén van de mannen pakte een schop en vuilniszakken uit de kofferbak van de auto. Aangever moest van alle drie de mannen meekomen en hij kon niet wegkomen. Vervolgens moest aangever met verdachte, [medeverdachte] en de Turkse man meelopen het pad op. Een eindje verderop was een schuin pad naar boven met aan het eind een kleine oppervlakte met duingras. Aangever moest gaan zitten en de Turkse man begon te graven, hetgeen niet goed lukte. Ongeveer anderhalve meter naar rechts was reeds een gleuf in de grond. Aangever kreeg een blauwe vuilniszak over zijn hoofd en moest in die gleuf gaan liggen. Hij voelde vervolgens dat ze zand over hem heen schepten. Om lucht te krijgen heeft aangever een gat in de zak getrokken. Ineens begonnen ze aangever weer uit te graven. Vervolgens zijn ze terug gereden naar het uitzendbureau en moest aangever naar achteren om te slapen. De deur naar voren werd door de verdachten afgesloten. Aangever heeft de rest van de nacht doorgebracht in het uitzendbureau op een matras in een ruimte onder de trap. De achterdeur bleek afgesloten met knippen die aangever zelf kon openen. De volgende morgen hoorde hij aan de achterzijde van het uitzendbureau een man praten. Hij is de tuin ingelopen en heeft de man verteld wat hem was overkomen die nacht en heeft hem gevraagd of hij de politie wilde bellen. Vervolgens heeft aangever gevraagd of hij over de schutting in zijn tuin mocht klimmen. Dit wordt bevestigd door de achterbuurman, de heer [getuige 2] . Hij heeft verklaard dat er over de schutting ineens een man kwam die bont en blauw zag. Deze man vertelde een warrig verhaal over dat hij was meegenomen naar Westkapelle en in een put was gegooid. Hij vroeg of hij over de schutting mocht klimmen.

Aangever heeft verder verklaard dat verdachte op 1 mei 2009 zijn mobiele telefoon heeft afgepakt nadat aangever de persoon die de hennep had gestolen niet kon bellen, omdat hij niet wist wie dat was. Verdachte heeft vervolgens de telefoon op zijn hoofd kapot geslagen.

Op 3 mei 2009 heeft aangever verder nog verklaard dat zijn vader onlangs is overleden en dat hij een erfenis krijgt. [medeverdachte] wist hiervan. Op de avond van 1 mei 2009 waren ze er bij aangever op aan het hameren dat hij dit geld aan verdachte en zijn broer moest afgeven. Aangever moest een contract opstellen dat verdachte het geld kon ophalen bij de notaris. Het geld zou verdeeld worden tussen verdachte en de Turkse man.

Op 5 juni 2009 heeft aangever, nadat hij door een verbalisant werd geconfronteerd met een printlijst van zijn telefoon, verklaard dat verdachte, nadat hij de telefoon had afgepakt, alle nummers uit het geheugen van de telefoon heeft gebeld om na te gaan of aangever iemand had gebeld om te vertellen wat er was gebeurd . Uit de printlijst blijkt dat één keer is gebeld naar de werkgever van aangever, de heer [getuige 3]. [getuige 3] heeft verklaard dat hij op dinsdag 28 april 2009 door het nummer van [slachtoffer] werd gebeld en dat een hem onbekende man hem aansprak.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door het technisch onderzoek op de plaatsen delict. Uit de beschrijving van de plaats delict door de aangever leidt de politie af dat het delict heeft plaatsgevonden aan de Joossesweg te Westkapelle . Ter plaatse zag een verbalisant vanaf de parkeerplaats tegen de duinen rechtsaf een pad lopen. Hij heeft dit pad uitgelopen en zag dat er aan het eind van dit pad links, schuin omhoog een breder pad liep richting de duinen. Na ongeveer vier à vijf meter zag verbalisant aan de rechterzijde een smal paadje dat uitkwam op een grasveld. Aan de linkerzijde van dit veld lag een greppel. Ongeveer drie à vier meter van het pad lagen twee lichtblauw gekleurde vuilniszakken. In één van deze zakken zat een gat. Op het gras in de greppel lag een hoop zand. Iets verder zag hij een kuil. Verbalisant heeft de plaats delict veiliggesteld voor forensisch technisch onderzoek.

Op 2 mei 2009 omstreeks 14.00 uur hebben forensische onderzoekers de plaats delict aan de Joossesweg te Westkapelle onderzocht op sporen . Zij hebben drie blauwe plastic zakken aangetroffen waarvan er twee nog ingevouwen waren en één gescheurd was. De grond nabij deze zakken was omgewoeld. Op de rand van de verdieping van de duinpan lag zand op de vegetatie. De vegetatie onder het zand was nog intact, waardoor zij concludeerden dat het zand recent op de vegetatie was gegooid. Iets verderop was een kuil. Het zand rond de kuil lag op de vegetatie, maar deze was ook nog intact, waardoor geconcludeerd werd dat dit zand er ook nog niet lang lag. In de zakken van het jack van aangever troffen de onderzoekers zand aan.

Het Nederlands Forensisch Instituut (verder NFI te noemen) heeft een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek verricht aan een aantal veiliggestelde goederen . De conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek aan de plastic zak met nummer AAAW9442NL is dat het daarop aangetroffen bloedspoor afkomstig kan zijn van

[slachtoffer]. De kans dat het aangetroffen DNA-profiel van een ander is, is één op de één miljard. Voorts heeft het NFI de vuilniszak onderzocht op dactyloscopische sporen . Op de plastic zak (AAAW9442NL) werden na behandeling dactyloscopische sporen zichtbaar, die zijn gemerkt als NFI-02 tot en met NFI-11. De dienst IPOL van het Korps landelijke politiediensten heeft deze dactyloscopische sporen vervolgens onderzocht . Het spoor NFI-08 dat is aangetroffen op een vuilniszak is geïdentificeerd als zijnde een afdruk van de rechterduim van [medeverdachte], geboren op 23 maart 1979.

De in de duinen aangetroffen (industriële) vuilniszakken zijn soortgelijk aan de vuilniszakken die zijn aangetroffen in het uitzendbureau .

Op 2 mei 2009 hebben de forensische onderzoekers eveneens een onderzoek ingesteld in het uitzendbureau van [medeverdachte] aan de Scheldestraat te Vlissingen . In een kleine ruimte in het uitzendbureau werd een matras en moltondeken aangetroffen met daarop bloedsporen. De binnenplaats werd aan drie zijden begrensd door muren van omliggende panden en was aan de achterzijde afgezet met een houten schutting. Op de binnenplaats werd in een container een blauwe vuilniszak aangetroffen. Bij nader onderzoek werd in deze vuilniszak een kapotte Nokia gsm aangetroffen .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 1 op 2 mei 2009 bij zijn vrouw in Middelburg heeft geslapen. Zijn broer heeft eveneens verklaard dat hij die nacht thuis heeft geslapen en niet weg is geweest . [medeverdachte] heeft verder bij de politie verklaard dat hij in een grijze BMW X5 rijdt, die op naam staat van zijn bedrijf [bedrijfsnaam] .

De vrouw van verdachte heeft verklaard dat zij de avond van 1 mei 2009 samen met verdachte in de woning aan de Hogeweg te Vlissingen is geweest, maar dat zij tegen middernacht is weg gegaan en dat verdachte daar is gebleven. Zij heeft haar man omstreeks 02.30 uur die nacht nog een sms-bericht gestuurd. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat het nummer van de mobiele telefoon van haar man [tel.nummer] is .

Uit de historische printgegevens blijkt onder meer dat het telefoonnummer [tel.nummer] op

2 mei 2009 om 01:01:57 een GSM-mast in Westkapelle heeft aangestraald . Verdachte ontving op dat moment een sms-bericht van zijn vrouw [slachtoffer 2] . Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, de echtgenote zich hierin heeft vergist, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk.

De politie heeft verder onderzoek gedaan naar het telefoonverkeer van een aantal personen. In de nacht van 1 op 2 mei 2009 om 01.22 uur is er telefonisch contact tussen de telefoon van [medeverdachte], nummer [tel. nummer 2], en de telefoon van [persoon 1], nummer [tel. nummer 3] . De telefoon van [medeverdachte] heeft daarbij aangestraald op de zendmast te Westkapelle.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn telefoon vrijdagavond 1 mei 2009 kwijt is geraakt. Hij vermoedde dat deze in de auto van zijn broer of bij [persoon 2] lag. Bij de politie heeft hij echter verklaard dat hij zijn telefoon is verloren op de dag van zijn aanhouding. Verdachte is op 2 mei 2009 omstreeks 17.19 uur aangehouden door de politie . De telefoon van verdachte is tijdens het onderzoek noch bij zijn broer noch bij [persoon 2] aangetroffen. Ook blijkt uit de verklaringen van zijn broer en [persoon 2] niet dat zij in het bezit waren van de telefoon van verdachte. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte, dat hij zijn telefoon is kwijt geraakt, daarom ongeloofwaardig. Verdachte heeft er alle belang bij om dat te verklaren, waarbij opvalt dat ook zijn broer niet meer beschikte over de telefoon met nummer [tel. nummer 2].

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte en zijn broer dat zij niet in de nacht van 1 op 2 mei 2009 niet in Westkapelle zijn geweest, gelet op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, kennelijk leugenachtig zijn en tegen beter weten in zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze kennelijk leugenachtige verklaringen voor het bewijs bezigen.

Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank het onder 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat zij niet bewezen acht dat gepoogd is aangever te dwingen het geld uit een erfenis af te geven, nu behalve de verklaring van aangever daarvoor geen steun te vinden is in het dossier. Verdachte dient van de onder 3 primair ten laste gelegde voltooide afpersing vrij te worden gesproken nu noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aangever goederen dan wel de namen van de personen die de hennepkwekerij zouden hebben geript, heeft afgegeven.

Feit 4

Vast staat dat [medeverdachte] de woning aan de [adres hennepkwekerij] te Vlissingen huurde van mevrouw [verhuurster] en dat hij deze onderverhuurde aan [slachtoffer] . Op de begane grond van deze woning is een hennepkwekerij gevestigd geweest die, toen de politie op 2 mei 2009 onderzoek in het pand verrichtte, bleek te zijn ontmanteld. In de schuur van deze woning werden naast goederen ten behoeve van de inrichting van een hennepkwekerij 250 lege potten aangetroffen.

In de woning van medeverdachte [medeverdachte] aan de Hogeweg te Vlissingen heeft op 7 mei 2009 een doorzoeking plaatsgevonden .Tijdens deze doorzoeking zijn diverse facturen aangetroffen van goederen die bestemd zijn voor de inrichting van een hennepkwekerij. Hoewel uit deze bescheiden niet kan worden afgeleid dat de gekochte goederen ten behoeve van de inrichting van de hennepkwekerij aan de [adres hennepkwekerij] te Vlissingen waren, leidt de rechtbank hieruit wel af dat [medeverdachte] zich bezig hield met het kweken van hennep. Tijdens de insluitingfouillering van [medeverdachte] op 4 mei 2009 werd in zijn portefeuille een brief aangetroffen waaruit blijkt dat hij aan mevrouw [verhuurster] € 1.450,00 huur per maand betaalde . [slachtoffer] echter betaalde maar € 350,00 huur per maand aan [medeverdachte] .

Verder zijn er getuigenverklaringen waaruit blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte zich bezig hielden met het opzetten van hennepkwekerijen. De rechtbank merkt daarbij wel op dat zij niet hebben verklaard dat verdachte en zijn broer ook een hennepkwekerij hebben ingericht aan de [adres hennepkwekerij] te Vlissingen.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij op de hennepkwekerij in zijn woning moest passen voor verdachte, dat verdachte de hennepkwekerij verzorgde en aan hem had verteld dat er 250 planten stonden . Dit was vanaf februari/maart 2009 . De eerste keer dat hij daar binnen kwam stonden de hennepplanten er al.

Daarbij komt dat, vlak nadat de hennepplantage volgens aangever was geript, verdachte en zijn broer [medeverdachte] bij het pand aanwezig waren. De verklaring van verdachte dat hij daar was omdat zijn broer de post op wilde halen , acht de rechtbank gelet op het tijdstip waarop zij daar waren (omstreeks 04.00 ’s nachts) in combinatie met het feit dat [medeverdachte] heeft ontkend ter plaatse te zijn geweest , ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er, op basis van hetgeen hiervoor en ook ten aanzien van feit 1 tot en met 3 is overwogen, vanuit dat het rippen van de hennepplantage van de gebroeders [naam verdachten] de aanleiding vormde voor de onder 1 tot en met 3 bewezenverklaarde feiten.

Dit alles in onderlinge samenhang bezien maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte en zijn broer zich schuldig hebben gemaakt aan het telen van hennep in de woning aan de [adres hennepkwekerij] te Vlissingen. De rechtbank overweegt daarbij nog dat [slachtoffer] later ook nog heeft verklaard dat verdachte na het incident op 27 april 2009 de hennepkwekerij samen met een niet nader genoemde man heeft opgeruimd. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank het onder 4 aan verdachte ten laste gelegde, te weten het medeplegen van telen van hennep, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5 en 6

[slachtoffer 2] heeft op 16 maart 2009 aangifte gedaan tegen haar man. Zij heeft onder andere verklaard dat zij op 15 maart 2009 door hem is mishandeld in haar woning. Op 19 maart 2009 heeft zij tegenover een verbalisant verklaard dat zij in haar aangifte dingen heeft overdreven. Zij is vervolgens nogmaals gehoord op 23 maart 2009 en heeft toen verklaard dat verdachte haar heeft geschopt en dat zij daardoor op de grond is gevallen, maar dat hij haar niet op de grond heeft gegooid, zoals zij eerder had verklaard. Ook heeft hij aan haar haar getrokken. Verder heeft zij verklaard dat verdachte wel aan haar sjaal heeft getrokken maar dat dit was om haar tegen te houden en niet om haar te verwurgen. Tijdens haar eerste verklaring heeft zij gezegd dat verdachte haar sjaal, die zij rond haar nek had, vastpakte en vervolgens aantrok, waardoor haar keel werd dichtgeknepen en dat hij daarbij riep: “ik vermoord je”.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ook bij de politie ontkend dat hij zijn vrouw heeft mishandeld. Verder bevindt zich in het dossier geen bewijs dat de verklaring van aangeefster ondersteund dat zij door verdachte is mishandeld. Een aantal buren van het slachtoffer hebben verklaard dat zij haar hebben horen gillen en schreeuwen, maar zij hebben niets gezien. De rechtbank zal verdachte dan ook bij gebrek aan bewijs vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde.

Verdachte heeft verder ook ten stelligste ontkend de sjaal van aangeefster te hebben aangetrokken en haar daarbij te hebben bedreigd. Hij sluit echter niet uit dat hij haar sjaal heeft vastgepakt om haar tegen te houden. Nu zich in het dossier met betrekking tot het dreigend door verdachte toevoegen van de woorden “ik vermoord je” enkel de verklaring van aangeefster bevindt, en zij daar in haar latere verklaring op is teruggekomen, is naar het oordeel van de rechtbank dit deel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend te bewijzen. Zij is verder van oordeel dat het enkele vastpakken van de sjaal zoals bewezen geen bedreiging in de zin van artikel 285 van het wetboek van strafrecht oplevert. Verdachte zal derhalve ook van feit 6 op de dagvaarding worden vrijgesproken.

Feit 7

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting ;

- de aangifte van [slachtoffer 2] ;

- het proces-verbaal van bevindingen .

Feit 8

Op 31 augustus 2008 heeft [slachtoffer 3] aangifte gedaan van zware mishandeling, gepleegd in de nacht van 30 op 31 augustus 2008 in zijn appartement aan de Scheldestraat te Vlissingen. Hij heeft verklaard dat hij lag te slapen en dat hij wakker werd omdat hij een hevige pijn aan zijn rug voelde. Hij zag dat er vier Turkse mannen in zijn kamer stonden. Hij herkende een van deze mannen als [verdachte], de eigenaar van de kamer. [verdachte] had een honkbalknuppel in zijn handen. Hij heeft verder verklaard dat hij door [verdachte] uit bed is getrokken en dat een andere Turkse man hem vervolgens van de trap heeft geduwd. Onder aan de trap kreeg hij een duw en viel buiten op de stoep. Hij mocht niet meer binnen. De twee andere mannen hadden zijn bezittingen in plastic zakken gedaan en buiten op straat gezet.

De verklaring van aangever wordt in grote lijnen ondersteund door de verklaring van [getuige 4] . Hij heeft verklaard dat hij op 30 augustus 2008 bij [slachtoffer 3] bleef slapen. Hij werd op enig moment wakker en zag dat er vier Turkse mannen in de slaapkamer stonden. Eén van de mannen had een honkbalknuppel in zijn handen. De andere mannen riepen dat zij de straat op moesten. Hij heeft verder verklaard dat hij samen met [slachtoffer 3] van de trap is geduwd en op straat is gezet. Al hun bezittingen zijn vervolgens ook op straat gegooid.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 3] een kamer van hem huurde in zijn pand aan de Scheldestraat te Vlissingen. Hij is op 30 augustus 2008 naar het appartement gegaan omdat er overlast zou zijn. Hij is het appartement binnen gegaan, alwaar [slachtoffer 3] en nog een persoon lagen te slapen. Hij heeft [slachtoffer 3] wakker gemaakt en gesommeerd het appartement te verlaten. Samen met zijn broer en zwagers heeft hij vervolgens al hun spullen gepakt en buiten op de stoep voor de woning gezet. Ter terechtzitting heeft hij deze verklaring bevestigd .

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8 ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van het tweede gedachtenstreepje, te weten het slaan met de honkbalknuppel op de muur, nu enkel aangever daarover heeft verklaard. Hoewel verdachte ontkent een honkbalknuppel bij zich te hebben gehad en geweld te hebben gebruikt acht de rechtbank, gelet op de verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige 4], wel wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer van de trap is geduwd en dat in ieder geval één van de mannen een honkbalknuppel bij zich had toen zij in de slaapkamer waren.

Feit 9

[slachtoffer 2] heeft op 20 september 2008 aangifte gedaan van mishandeling door haar man [verdachte] op diezelfde dag voor haar woning te Middelburg. Zij heeft verklaard dat hij met volle kracht tegen de linkerkant van haar hoofd heeft gestompt, hetgeen veel pijn deed. Op 21 september 2008 heeft zij tegenover de politie verklaard dat ten gevolge van de mishandeling door haar man haar linker bovenkaak gebroken is en dat zij hieraan geopereerd moet worden. Aangeefster heeft geen toestemming gegeven om haar medische gegevens vrij te geven. Verdachte heeft zowel bij de politie als ook ter terechtzitting verklaard dat hij zijn vrouw [slachtoffer 2] op 20 september 2008 een klap in het gezicht heeft gegeven met de vlakke hand.

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 20 september 2008 te Middelburg zijn vrouw een klap in het gezicht heeft gegeven. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is hoe dit feit te kwalificeren is.

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zijn vrouw zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een gebroken bovenkaak/jukbeen. De rechtbank acht dit niet wettig en overtuigend bewezen. In het dossier bevindt zich enkel de verklaring van aangeefster dat zij door de handeling van haar man een gebroken bovenkaak heeft opgelopen. Verder is er geen steunbewijs, bijvoorbeeld medische gegevens, waaruit blijkt dat zij ook daadwerkelijk een gebroken bovenkaak heeft gehad.

De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd zijn vrouw zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zoals subsidiair aan hem is ten laste gelegd. Verdachte heeft verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om zijn vrouw enig letsel, laat staan zwaar lichamelijk letsel, toe te brengen. Hij heeft bekend haar met de vlakke hand een klap te hebben gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aldus te handelen zich niet willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zijn vrouw zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

Tot slot wordt verdachte meer subsidiair verweten dat hij zijn vrouw heeft mishandeld, ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel dan wel enig lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank niet wettig en overtuigend dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, nu er daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier zit. Dat zij ten gevolge van het handelen van verdachte wel enig letsel heeft bekomen blijkt uit de opmerking van de verbalisant onder de aangifte en nadere verklaring van het slachtoffer. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vrouw heeft mishandeld door haar tegen het hoofd te slaan, waardoor zij lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1. subsidiair

hij op 27 april 2009 te Vlissingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes,

in de rug en in de achterzijde van het rechter bovenbeen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeenten Vlissingen en Veere, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk die [slachtoffer] tegen zijn wil achter in een auto laten plaatsnemen en met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle gereden en aldaar die [slachtoffer] gedwongen uit te stappen en vervolgens een vuilniszak over het hoofd van die [slachtoffer] getrokken en die [slachtoffer] gedwongen in een greppel te gaan liggen en daarna die [slachtoffer] wederom gedwongen in de auto plaats te nemen en vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen gereden en die [slachtoffer] tegen zijn wil in dat pand achter gelaten;

3. subsidiair

hij in de nacht van 1 op 2 mei 2009 in de gemeenten Vlissingen en Veere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] te dwingen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de na(a)m(en) van (een) perso(o)n(en) die had(den) ingebroken bij de hennepkwekerij aan de Nieuwendijk te Vlissingen en wie die hennep had (den) meegenomen,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, samen met zijn mededaders, die [slachtoffer] met een mobiele telefoon, op het hoofd heeft geslagen en één of meer klappen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gegeven en opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij mee moest naar Rotterdam en wat daar zou gaan gebeuren hij niet meer na zou kunnen vertellen en opzettelijk die [slachtoffer] tegen zijn wil achter in een auto heeft laten plaatsnemen en met die auto die [slachtoffer] naar een plaats in de duinen nabij Westkapelle is gereden en aldaar die [slachtoffer] heeft gedwongen uit te stappen en die [slachtoffer] heeft gedwongen op zijn knieën te gaan zitten

en vervolgens een vuilniszak over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken en die [slachtoffer] heeft gedwongen in een greppel te gaan liggen en een hoeveelheid zand over (het hoofd van) die [slachtoffer] heeft gegooid en daarna die [slachtoffer] wederom heeft gedwongen in de/een auto plaats te nemen en/of vervolgens met die [slachtoffer] naar een pand aan de Scheldestraat te Vlissingen is gereden en die [slachtoffer] tegen zijn wil in dat pand heeft achter gelaten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 april 2009 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk, heeft geteeld in een pand aan de [adres hennepkwekerij], hennepplanten zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,;

7.

hij op 15 maart 2009 te Middelburg, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, via een aan die [slachtoffer 2] gezonden sms-bericht, haar de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven-, dat als zij met de politie mee zou gaan, hij, verdachte, haar en de kinderen zou vermoorden;

8.

hij op of omstreeks 31 augustus 2008, in de gemeente Vlissingen, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 3], door geweld en enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld gericht tegen die [slachtoffer 3] wederrechtelijk heeft gedwongen het door die [slachtoffer 3] gehuurde appartement aan de Scheldestraat te verlaten,

immers is/heeft verdachte samen met zijn mededaders,:

- in de voor de nachtrust bestemde tijd en gewapend met een honkbalknuppel

het appartement van die [slachtoffer 3] binnengedrongen, en

- die [slachtoffer 3] dreigend gesommeerd het appartement te verlaten, en

- die [slachtoffer 3] naar buiten geduwd, en

- diens eigendommen op straat gezet;

9. meer subsidiair

hij op 20 september 2008 in de gemeente Middelburg opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, [slachtoffer 2],

met volle kracht tegen/op het hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan deze enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aanzienlijk lagere straf bepleit dan door de officier van justitie gevorderd, gelet op de door haar bepleite vrijspraak voor de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 27 april 2009 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Dergelijke geweldsmisdrijven getuigen van een ernstig gebrek aan respect van verdachte voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van andere mensen en hun materiële bezittingen.

Verdachte heeft zich daarnaast in de nacht van 1 op 2 mei 2009 samen met zijn broer en nog een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gijzeling en poging tot afpersing van [slachtoffer]. Deze gijzeling was bedoeld om het slachtoffer ertoe de namen te geven van de personen die de hennepkwekerij in de kelder van zijn woning in de nacht van 27 april 2009 hebben geript. Verdachte en zijn medeverdachten zijn in de vroege avond van 1 mei 2009 naar het slachtoffer toegegaan en hebben hem gedwongen met hen mee te gaan. Toen het slachtoffer geen namen wilde/kon noemen van de personen die de hennepkwekerij hebben geript zijn zij met hem naar de duinen bij Westkapelle gereden. Aldaar is een begin gemaakt met het levend begraven van het slachtoffer. Er is die avond en nacht veel geweld gebruikt tegen het slachtoffer enkel en alleen om te proberen de winst van de hennepkwekerij veilig te stellen. Niet alleen bevat hennep de voor de gezondheid schadelijke stof THC, het kweken ervan gaat veelal gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, hetgeen het onderhavige feitencomplex illustreert.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Hij heeft door zijn handelwijze een grove inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich slechts laten leiden door geldelijk gewin en daarbij totaal geen rekening gehouden met de gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer. De gijzeling is voor het slachtoffer een uitermate beangstigende en bedreigende ervaring geweest. Uit zijn verklaringen bij de politie komt naar voren dat hij doodsbang was omdat hij dacht dat hij het niet zou overleven.

Voorts heeft verdachte zijn vrouw per sms-bericht bedreigd en haar een klap in het gezicht gegeven ten gevolge waarvan zij letsel heeft opgelopen.

Een dergelijke mate van huiselijk, relationeel getint geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, maar de ervaring leert, dat slachtoffers van een dergelijke mate van huiselijk geweld daarvan nog geruime tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden.

Tot slot heeft verdachte [slachtoffer 3], een huurder, midden in de nacht op hardhandige en dreigende wijze gedwongen de gehuurde woning te verlaten.

Naast de ernst van de gepleegde feiten spreekt in het nadeel van verdachte dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens geweldsmisdrijven.

Voorts heeft de rechtbank ten nadele van verdachte laten meewegen dat verdachte ten aanzien van het overgrote deel van de bewezenverklaarde feiten, gelet op zijn ontkennende houding, geen enkel inzicht in zijn beweegredenen heeft gegeven en er ook geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien.

De reclassering heeft op 30 juli 2009 een rapport over verdachte uitgebracht, waaruit blijkt dat verdachte al jarenlang overbelast is. In 2005 is bij hem de diagnose gesteld dat hij een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische en rigide trekken heeft. Onder druk kan hij impulsief, agressief en gewelddadig reageren. De reclassering acht een behandeltraject met een gedwongen karakter noodzakelijk. Zij adviseert een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht en de bepaling “ook als dat inhoudt een behandeling bij de Waag”.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten.

Nu de rechtbank verdachte voor een deel van de feiten vrijspreekt zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op dergelijke feiten niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Zij ziet geen aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren gepast is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 6.372,70 voor de feiten 1 tot en met 3.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen en dat de rechtbank aan verdachte tevens zal opleggen de verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer conform artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging is, gelet op de door haar bepleite vrijspraak voor deze feiten, niet toegekomen aan de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 2 mei 2009.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft ter zitting opgemerkt dat zich in het dossier geen beslaglijst bevindt. Hij heeft gevorderd dat de in beslag genomen gsm’s, voor zover deze zijn uitgelezen, retour zullen worden gegeven aan de rechthebbenden. Verder heeft hij opgemerkt dat het beslag op de overige in beslag genomen goederen, waaronder het mes, dient te worden gehandhaafd voor technisch onderzoek, omdat er in deze zaak nog meer verdachten zijn.

De verdediging heeft geen opmerkingen over de in beslag genomen goederen gemaakt.

De rechtbank heeft bij gebreke van enige kennisgeving van inbeslagneming of een beslaglijst in het dossier niet kunnen constateren óf en zo ja welke goederen er in beslag genomen en nog niet terug gegeven zijn. De rechtbank is derhalve niet in staat enige beslissing te nemen met betrekking tot deze vordering van de officier van justitie.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 47, 57, 282, 284, 300, 302, 304 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 3 primair, 5, 6 en 9 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 3 subsidiair, 4, 7, 8 en 9 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

feit 3 subsidiair: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 7: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 8: medeplegen van een ander door geweld en enige andere feitelijkheid en door bedreiging met geweld, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

feit 9 meer subsidiair: Mishandeling, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn echtgenote;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], per adres

[p/a], van € 6.372,70 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 mei 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 6.372,70 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 66 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart zich niet in staat tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de in beslag genomen goederen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenbeek, voorzitter, mr. Van Unnik en mr. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2009.