Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ5338

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
Awb 08/1164
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag, vereenvoudigde afdoening, detentie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/1164

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. S.J. Nijssen, advocaat te Zierikzee,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag van 21 mei 2008 van eiser om bijstand ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten.

Bij uitspraak van 14 augustus 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 26 november 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 23 juni 2008 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 8 juli 2009 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Eiser heeft op 21 mei 2008 bij verweerder een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Verweerder heeft eiser bij brief van 13 juni 2008 verzocht om op 19 juni 2008 om 10.00 te verschijnen bij de afdeling sociale zaken van de gemeente Terneuzen. Tevens is hem verzocht dan een overzicht te verstrekken van verrichte sollicitaties, afschrift nr. 54 van zijn privé-bankrekening en afschriften van zijn spaarrekening over de periode 21 februari 2008 tot en met 21 mei 2008 mee te nemen. Eiser heeft hier niet aan voldaan. Bij besluit van 23 juni 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling gelaten. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

2. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 19 juni 2008 niet in de gelegenheid was om de door verweerder gevraagde stukken over te leggen aangezien hij in de periode van 16 juni 2008 tot en met 27 juni 2008 een straf moest uitzitten. De stukken heeft hij, zodra hij in vrijheid was gesteld op 30 juni 2008, alsnog aan verweerder overgelegd. Verweerder weigerde deze stukken in behandeling te nemen. Eiser is van mening dat verweerder vanwege de bijzondere omstandigheden zijn aanvraag alsnog in behandeling had moeten nemen.

De rechtbank overweegt het volgende.

3. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4. Eiser heeft niet betwist dat de door verweerder gevraagde gegevens van belang zijn om te kunnen bepalen of hij voor verstrekking van bijstand in aanmerking komt. Vast staat dat eiser de gevraagde gegevens niet op 19 juni 2008 heeft verstrekt of om uitstel heeft gevraagd.

5. De aard en inhoud van het besluit van 23 juni 2008, strekkende tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand, brengen mee dat bij de heroverweging in bezwaar van dat besluit in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het besluit van 23 juni 2008 alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat de aanvrager redelijkerwijs niet in staat is geweest om die informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken.

6. Uit de stukken blijkt dat eiser in het weekend van 14 en 15 juni 2008 in Middelburg heeft verbleven. Op 16 juni 2008 is hij, toen hij op weg was naar Sas van Gent, door de politie aangehouden en in gijzeling is genomen in verband met niet betaalde verkeersboetes. Deze gijzeling heeft geduurd van 16 juni 2008 tot en met 27 juni 2008. Eiser heeft op 30 juni 2008 gegevens aan verweerder verstrekt.

7. Naar het oordeel van de rechtbank geven deze omstandigheden geen aanleiding geven om een uitzondering op bovengenoemd uitgangspunt te maken. De omstandigheden die ertoe geleid hebben dat eiser niet heeft voldaan aan het verzoek van verweerder vermeld in de brief van 13 juni 2008 liggen geheel in eisers risicosfeer. Toen eiser werd aangehouden, had hij in ieder geval dienen te regelen dat zijn belangen werden behartigd, waartoe behoort de verzorging van zijn post en in het bijzonder de voortgang van de behandeling van zijn aanvraag om bijstand van 21 mei 2008. De voorzieningenrechter heeft destijds hierover opgemerkt dat eiser over deze aanvraag al overleg had met zijn advocaat.

8. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bevoegd was om de aanvraag van eiser buiten behandeling te stellen en dat verweerder daarvan niet op onredelijke wijze gebruik heeft gemaakt. Andere bijzondere omstandigheden, anders dan zijn detentie, heeft eiser niet aangevoerd.

9. De conclusie is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een kostenveroordeling.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier, en op 13 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 13 augustus 2009