Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ5154

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-06-2009
Datum publicatie
12-08-2009
Zaaknummer
67820/ KG ZA 09-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het arrondissementsparket voert een strafrechtelijk financieel onderzoek uit naar het handelen van een persoon en diens besloten vennootschap. Het onderzoek richt zich op drugstransacties en het witwassen van geld rondom een coffeeshop in Terneuzen. In het kader van het onderzoek zijn op door de officier van justitie rechtshulpverzoeken gericht aan de bevoegde autoriteiten te Zwitserland. Door de Zwitserse autoriteiten is op de ten name van eiser gestelde rekening bij de bank te Zwitserland beslag gelegd. Bij brief heeft eiser via zijn advocaat de officier van justitie van het arrondissementsparket verzocht dit beslag op te heffen. De officier van justitie, verbonden aan het onder het Openbaar Ministerie ressorterende Bureau Ontnemingswetgeving O. M., legt per brief aan de advocaat van eiser uit waarom vooralsnog niet tot opheffing van het beslag wordt overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2010, 18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

67820 / KG ZA 09-85

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 67820 / KG ZA 09-85

Vonnis van 9 juni 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Londen, Groot Brittannië,

eiser,

advocaten: mr. J.B. de Meester en mr. H.M. Dunsbergen te Goes,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Staat worden genoemd.

De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding;

de mondelinge behandeling op 28 mei 2009;

de pleitnota van [eiser];

de pleitnota van De Staat;

de door partijen overgelegde producties.

De feiten.

Het arrondissementsparket te Middelburg voert een strafrechtelijk financieel onderzoek uit naar het handelen van [W] en diens besloten vennootschap [C] Het onderzoek richt zich op drugstransacties en het witwassen van geld rondom de coffeeshop [P] in Terneuzen.

In het kader van het tegen [W] en [C] gerichte onderzoek zijn op 19 november 2007, 26 februari 2008 en 26 maart 2008 door Officier van Just[A] rechtshulpverzoeken gericht aan de bevoegde autoriteiten te Zwitserland.

Door de Zwitserse autoriteiten is op 30 juni 2008 op de ten name van [eiser] gestelde rekening [nummer] bij de Pictet Bank te Zwitserland beslag gelegd.

Bij brief van 10 februari 2009 heeft [eiser] via zijn advocaat aan Officier van Jus[B] van het arrondissementsparket Middelburg verzocht dit beslag op te heff[B] heeft bij brief van 20 maart 2009 aan de Zwitserse onderzoeksrechter, mevrouw mr. [C], bericht dat hij geen noodzaak ziet het beslag op de rekening van [eiser] bij de Pictet Bank te handhaven en verzocht dit op te heffen.

In reactie hierop heeft [C] bij brief van 24 maart 2009 aan Officier van Justitie [A], als indiener van de rechtshulpverzoeken, gevraagd het door [B] gedane verzoek te willen bevestigen. [A] weigert dit.

De Officier van Justitie [D], verbonden aan het onder het Openbaar Ministerie ressorterende B.O.O.M. (Bureau Ontnemingswetgeving OM), legt bij brief van 14 april 2009 aan de advocaat van [eiser] uit waarom vooralsnog niet tot opheffing van het beslag wordt overgegaan.

Het geschil.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat zal veroordelen tot volledige medewerking aan de opheffing van het beslag op de rekening van [eiser] met nummer [nummer] bij de Pictet Bank te Zwitserland en/of tot onmiddellijke vrijgave daarvan aan [eiser], met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

[eiser] voert daartoe aan dat de Staat gebonden is aan de door Officier van Justitie [B] aan de Zwitserse onderzoeksrechter gegeven instructie tot opheffing van het beslag. Daarnaast stelt [eiser] dat voor het beslag geen juridische basis bestond en bestaat. Subsidiair meent [eiser] dat de Staat op onrechtmatige wijze is teruggekomen op de instructie tot opheffing van het beslag.

De Staat voert primair tot haar verweer aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Volgens de Staat is een inhoudelijke beoordeling van het beslag voorbehouden aan de Zwitserse rechter, omdat het onderhavige beslag is gelegd op grond van Zwitsers recht en op grond van een eigen beoordeling door de Zwitserse onderzoeksrechter naar aanleiding van de Nederlandse rechtshulpverzoeken. Dit brengt volgens De Staat tevens met zich mee dat niet middels een klaagschrift ex artikel 552a Sv tegen het beslag kan worden opgekomen.

De beoordeling.

[eiser] wil opkomen tegen het (laten voortduren van het) gelegde beslag op zijn rekening bij de Pictet Bank te Zwitserland en de beslissing van het Openbaar Ministerie om dat beslag niet op te heffen.

Het verweer van de Staat dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen slaagt. Echter, anders dan de Staat aanvoert, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval de rechtsgang van artikel 552a Sv voor [eiser] wel openstaat. Dit artikel biedt aan [eiser] als belanghebbende de mogelijkheid om zich schriftelijk te beklagen over het beslag en/of de beslissing van het Openbaar Ministerie om het beslag niet op te heffen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient het er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor gehouden te worden dat in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek tegen [W] en ter uitvoering van een door de Nederlandse autoriteiten aan de Zwitserse autoriteiten verzonden rechtshulpverzoek beslag is gelegd op de rekening van [eiser] bij de Pictet Bank in Zwitserland.

Niet relevant is dat het beslag in het buitenland is gelegd. Ook over een beslag dat in het buitenland is gelegd naar aanleiding van een door de Nederlandse autoriteiten verzonden rechtshulpverzoek kan op de voet van artikel 552a Sv worden geklaagd.

Ook het feit dat het Openbaar Ministerie in het rechtshulpverzoek niet reeds bij voorbaat om inbeslagneming van de bankrekening van [eiser] heeft verzocht, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter er niet aan in de weg dat de Nederlandse beklagprocedure wordt gevolgd. Uit de thans beschikbare informatie blijkt immers dat het beslag is gelegd ter uitvoering van de Nederlands rechtshulpverzoeken en dat dit beslag alleen kan worden opgeheven na daartoe verkregen toestemming van het Openbaar Ministerie. In dit verband wordt nog gewezen op de brief van de Zwitserse onderzoeksrechter, [C], van 10 maart 2009, waarin zij bevestigt op de bankrekening van [eiser] bij de Pictet Bank beslag te hebben gelegd, dit in afwachting van het antwoord van de Nederlandse autoriteiten in hoeverre dit noodzakelijk is. Ook de inhoud van de brief van Officier van Justitie mr. Ament van 14 april 2009 laat er geen twijfel over bestaan dat het Openbaar Ministerie over de opheffing beslist.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [eiser] nog aangevoerd dat de procedure van artikel 552a Sv niet op onderhavige situatie van toepassing is, omdat er geen sprake zou zijn van een beslag, maar slechts van een blokkade. In het licht van de thans beschikbare informatie en gelet op het feit dat namens [eiser] zelf herhaaldelijk om opheffing van het beslag is gevraagd, is dit echter niet aannemelijk en moet er vooralsnog vanuit worden gegaan dat er sprake is van een strafrechtelijk beslag, waarbij overigens de Staat zich op het standpunt stelt dat het hier handelt om een anderbeslag, als bedoeld in artikel 94a, derde en vierde lid Sv.

Kortom, naar het oordeel van de voorzieningenrechter handelt het hier niet anders dan om een vordering tot opheffing van een beslag waarvoor de rechtsgang van artikel 552a Sv is aangewezen. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter in kort geding is alleen plaats als in geval van onverwijlde spoed geen tijdige voorziening via artikel 552a Sv te verkrijgen is. Dat dit het geval zou zijn is gesteld noch gebleken. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld en/of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat in dit concrete geval de rechtsgang van artikel 552a Sv aan [eiser] onvoldoende rechtsbescherming biedt.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, betekent dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Op de overige stellingen van partijen behoeft dus niet te worden ingegaan.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

vast recht € 262,--,

- salaris advocaat € 1.054,--,

Totaal € 1.316,--.

De beslissing.

De voorzieningenrechter:

verklaart zich niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen,

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.316,--,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2009