Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ4927

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
Awb 07/633
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit. Uitbreiding minicamping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/633

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam]

wonende te Veere,

en

de commanditaire vennootschap De Heksenketel C.V.,

gevestigd te Veere,

eisers,

gemachtigde mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 4 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 14 april 2009, 29 april 2009, 12 mei 2009 en 20 mei 2009, gelijktijdig met een aantal andere beroepszaken tussen partijen, behandeld ter zitting. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [Naam], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. J.M. den Boer, M. Dekker, P.S. Kluijfhout, W.J. van Tatenhove en mr. J.C. Waverijn. Het onderzoek is op 2 juni 2009 gesloten.

II. Overwegingen

1. Verweerder heeft op 4 april 2006 aan eiseres [Naam] een tijdelijke ontheffing verleend voor het exploiteren van een minicamping van vijf kampeereenheden aan [adres}. Bij brief van 29 augustus 2006 heeft eiseres [Naam] toestemming gevraagd de minicamping uit te mogen breiden tot vijftien eenheden.

2. Op 31 oktober 2006 heeft verweerder besloten in principe in te stemmen met het verzoek om uitbreiding van de minicamping. Hierbij heeft verweerder de voorwaarde opgenomen dat van deze toestemming, evenals van de ontheffing zelf, eerst gebruik kan en mag worden gemaakt als op het perceel een landbouwschuur is gerealiseerd en paardenhouderij-activiteiten worden uitgevoerd.

3. Bij brief van 2 november 2006 hebben eisers tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres [Naam] niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 31 oktober 2006 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit, hoewel door eiseres [Naam] en eiseres De Heksenketel bezwaar is gemaakt, slechts betrekking heeft op het bezwaar van eiseres [Naam]. Er is nog geen besluit genomen op het bezwaar van eiseres De Heksenketel. Ingevolge artikel 7:1, tweede lid, van de Awb kan tegen een besluit op bezwaar beroep worden ingesteld. Nu een dergelijk besluit ten aanzien van eiseres De Heksenketel nog niet is genomen, staat de weg van beroep tegen het besluit op bezwaar van 4 juli 2007 niet voor eiseres De Heksenketel open. Het beroep van eiseres De Heksenketel is niet-ontvankelijk.

De rechtbank overweegt voorts het volgende

5. Van de zijde van verweerder is ter zitting betoogd dat er geen belang meer is bij de behandeling van het beroep van eiseres [Naam]. De rechtbank stelt vast dat aan het besluit van 31 oktober 2006 voorwaarden zijn verbonden, welke voorwaarden, wanneer zou komen vast te staan dat er sprake is van een besluit als bedoeld in de Awb, zouden kunnen worden getoetst. Daarin is een voldoende belang gelegen voor de behandeling van dit beroep.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Het derde lid bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 29 augustus 2006 naar inhoud en strekking voldoende concreet om te worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht van betekenis dat verweerder in genoemde brief expliciet wordt gevraagd om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de minicamping.

8. Verweerders brief van 31 oktober 2006 is een reactie op het verzoek van 29 augustus 2006. Het betreft een toewijzing van het verzoek en is daarmee gericht op rechtsgevolg, zij het onder de voorwaarde dat pas van de toestemming gebruik kan worden gemaakt wanneer de landbouwschuur is gerealiseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 31 oktober 2006 dan ook aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat in de brief is vermeld dat ‘in principe’ toestemming is verleend, maakt dit niet anders. Van de zijde van verweerder is ter zitting betoogd dat het hier gaat om een beantwoording van een principe-verzoek, gelijk te stellen met de situatie dat in het kader van vooroverleg wordt gevraagd aan te geven welke bouwmogelijkheden zich voordoen op een bepaald perceel. De rechtbank is van oordeel dat de in het geding zijnde situatie zich niet op één lijn laat stellen met een vooroverleg in bouwzaken aangezien bij vooroverleg nog geen sprake is van een aanvraag, hetgeen hier wel het geval is.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiseres [Naam] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

10. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres [Naam]. Ten aanzien van de zittingen op 14 april, 29 april en 12 mei zal de rechtbank, analoog aan het bepaalde in artikel 8:44, van de Awb, 0,5 punt per zitting toekennen, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht. Voor het indienen van het beroepschrift alsmede het verschijnen ter zitting van 20 mei 2009 zullen 2 punten toegekend worden, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt per punt € 322,- vergoed. Dit leidt tot een vergoeding van

€ 1.127,-.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep van de commanditaire vennootschap De Heksenketel C.V. niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige gegrond;

vernietigt het besluit op bezwaar van 4 juli 2007;

draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

bepaalt dat de gemeente Veere aan eiseres [Naam] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- (tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres [Naam] begroot op € 1.127,- (elfhonderdzevenentwintig euro), te betalen door de gemeente Veere aan eiseres [Naam].

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en op 4 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 4 juni 2009