Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ4441

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
Awb 09/536
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet werk en bijstand. Woonplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/536 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[Naam],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,

te Terneuzen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan afgewezen (hierna: het bestreden besluit).

Verzoekster heeft hiertegen een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft zij bij schrijven van 2 juli 2009, ingekomen op 3 juli 2009, de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 16 juli 2009 behandeld ter zitting. Verzoekster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. G.A.A.M. de Kort. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek genoegzaam is gebleken dat verzoekster niet haar woonplaats heeft op het door haar opgegeven adres [adres]. Daarmee heeft verzoekster niet voldaan aan haar plicht om inlichtingen te verstrekken en is het niet mogelijk gebleken om het recht op bijstand van verzoekster vast te stellen, aldus verweerder.

3. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij wel degelijk woonplaats heeft op het door haar opgegeven adres. Zij heeft daartoe verklaringen overlegd. Verder heeft zij verklaard dat zij vanwege eerdere afwijzingen van aanvragen om bijstand financiële problemen ondervindt en inmiddels is afgesloten van de openbare nutsvoorzieningen. Ook heeft zij betalingsachterstanden.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5. In artikel 40, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

6. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te

verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

7. Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder onderzoek laten instellen door een sociaal rechercheur naar de feitelijke woonplaats van verzoekster. Reden hiertoe vormde het onderzoek naar aanleiding van eerdere aanvragen om bijstand van verzoekster en het gegeven dat verzoekster op het aanvraagformulier vermeld heeft veel weg te zijn, afgesloten te zijn van de levering van energie en dat zij mogelijk haar huis wordt uitgezet.

8. In het kader van het onderzoek heeft verzoekster tegenover de sociaal rechercheur verklaard dat zij overdag op het adres [adres] verblijft, hetgeen blijkens de door verzoekster overlegde verklaring van 14 april 2009 het adres van haar stiefouders betreft.’s Nachts verblijft verzoekster op het adres [adres]. De sociaal rechercheur heeft vervolgens in de periode van 8 juni 2009 tot en met 19 juni 2009 door middel van het aanbrengen van merktekens op de woning de aanwezigheid van verzoekster onderzocht. Daarbij is gebleken dat de merktekens in de periode van 13 juni 2009 tot en met 19 juni 2009 niet verbroken zijn. Vervolgens is op 19 juni 2009 een bezoek gebracht aan de woning [adres]. Van de stiefvader van verzoekster is toen vernomen dat verzoekster zich daar niet bevond en dat onbekend was waar verzoekster op dat moment verbleef. Verweerder heeft aan de gegevens uit het onderzoek de conclusie verbonden dat verzoekster geen feitelijk verblijf houdt op het adres [adres].

9. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij in de periode van 13 juni 2009 tot en met 19 juni bij haar buurman heeft verbleven in verband met psychische problemen. In verband daarmee heeft zij ook wel bij haar stiefouders overnacht. Verzoekster staat voor haar klachten onder behandeling van het Regionaal Geestelijke-gezondheidszorg Centrum Zeeuws-Vlaanderen (RGC) en zij krijgt inmiddels medicatie. Haar beide kinderen verblijven in pleeggezinnen in Raamsdonksveer en Terneuzen. Omdat verzoekster gedurende een lange periode geen inkomsten heeft, kan zij haar schuldproblemen niet oplossen. Verzoekster heeft een verklaring van haar buurman, die op [adres] woont, overgelegd waarin is vermeld dat verzoekster regelmatig bij hem verblijft. Die verklaring acht de voorzieningenrechter in lijn met hetgeen verzoekster ter zitting heeft verklaard. Er is geen aanleiding om aan de ter zitting door verzoekster afgelegde verklaring te twijfelen.

10. Onder deze omstandigheden moet naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan de afwezigheid van verzoekster in de periode van 13 juni 2009 tot en met 19 juni 2009 en mogelijk ook de afwezigheid van verzoekster in de periode vanaf 8 juni 2009 niet het gewicht worden toegekend dat verweerder daaraan gehecht wil zien. Aannemelijk is dat verzoekster in moeilijke persoonlijke omstandigheden verkeert. Tegen de achtergrond van de psychische klachten en het feit dat zij al geruime tijd geen middelen van bestaan heeft, is begrijpelijk dat eiseres steun zoekt bij derden. Dat zij met regelmaat niet op het adres [adres] verblijft, is dan voorstelbaar. Hiervan uitgaande is voldoende aannemelijk dat verzoekster niet beoogd heeft om haar feitelijke woonplaats aan [adres] 34 prijs te geven.

11. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande voorshands tot de conclusie dat verzoekster haar woonplaats heeft behouden en dat zij, anders dan verweerder heeft gesteld, haar plicht om inlichtingen op dit punt te verstrekken, niet heeft geschonden. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit naar verwachting van de voorzieningenrechter geen stand zal kunnen houden in de bezwaarprocedure. Er is dan ook aanleiding het bestreden besluit te schorsen en verweerder op te dragen verzoekster, gelet op haar financiële situatie, per 16 juli 2009 voorschotten te verstrekken.

12. De voorzieningen ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,- uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;

schorst het besluit van 23 juni 2009, waarbij de aanvraag van verzoekster om bijstand is afgewezen, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

treft de voorlopige voorziening dat aan verzoekster per 16 juli 2009 gedurende de periode van 3 juli 2009 tot en met zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, voorschotten worden verstrekt als had zij recht op bijstand ingevolge de WWB;

bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 41,- (eenenveertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan de griffier.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2009 door mr. G.H. Nomes als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 24 juli 2009