Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ4434

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
03-08-2009
Zaaknummer
63035/ HA ZA 08-256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in mei 2005 conservatoir beslag doen leggen op de handelsvoorraad van gedaagde 1, ter verhaal van een op dat moment bij deze rechtbank aanhangige vordering. In december 2007 heeft eiseres op grond van het vonnis van 28 september 2005 executoriaal derdenbeslag doen leggen onder gedaagde 2. Op 12 december 2007 heeft eiseres het beslagexploit laten betekenen aan gedaagde 1. Op 20 december 2007 heeft gedaagde 2 een verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a Rv afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

63035 / HA ZA 08-256

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63035 / HA ZA 08-256

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Middelburg,

eiseres,

advocaat mr. K.M. Moeliker,

tegen

1. [gedaagde 1],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

advocaat gedesisteerd,

2. [gedaagde 2],

wonende te Valthermond,

gedaagde,

advocaat mr. C.J. IJdema.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [ gedaagde 2] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 30 juli 2008

het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2008.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiseres] heeft op 30 mei 2005 conservatoir beslag doen leggen op de handelsvoorraad van [gedaagde 1], ter verhaal van een op dat moment bij deze rechtbank aanhangige vordering. Bij vonnis van deze rechtbank van 28 september 2005 is [gedaagde 1] onder meer veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van in totaal € 36.489,-- vermeerderd met de proceskosten van in totaal € 781,60. Op 5 december 2007 heeft [eiseres] op grond van dit vonnis executoriaal derdenbeslag doen leggen onder [ gedaagde 2]. Op 12 december 2007 heeft [eiseres] het beslagexploit laten betekenen aan [gedaagde 1].

2.2. Op 20 december 2007 heeft [ gedaagde 2] een verklaring derdenbeslag als bedoeld in artikel 476a Rv afgelegd.

Het geschil

[eiseres] vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - [ gedaagde 2] te veroordelen een schriftelijke en door hem ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen van hetgeen hij aan [gedaagde 1] verschuldigd is of zal worden;

[ gedaagde 2] te veroordelen tot af- en overdracht van hetgeen hij aan [gedaagde 1] verschuldigd is

of zal worden;

te verklaren voor recht dat [ gedaagde 2] en [gedaagde 1] jegens [eiseres] onrechtmatig hebben

gehandeld door goederen aan het op 30 mei 2005 ten laste van [gedaagde 1] gelegd beslag te onttrekken;

[ gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de hierdoor door

[eiseres] geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat, met wettelijke rente;

[ gedaagde 2] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen hetgeen waartoe [gedaagde 1] bij vonnis

van 28 september 2005 jegens [eiseres] is veroordeeld, als voorschot op deze schadevergoeding;

[gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 7.878,75 met wettelijke rente;

[ gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten,

waaronder de beslagkosten, met wettelijke rente.

3.2. [eiseres] stelt dat [ gedaagde 2] in zijn verklaring derdenbeslag van 20 december 2005 ten onrechte heeft verklaard dat hij ten tijde van de beslaglegging geen geld aan [gedaagde 1] verschuldigd was en dat hij op dat moment van [gedaagde 1] slechts in bewaring had “2 dozen inhoudende enig textiel en serviesgoed, 1 vloerkleed, 2 paar ski’s en 1 boorkoffer + boormachine”. Volgens [eiseres] was [ gedaagde 2] op het moment van de beslaglegging wel degelijk één of meer bedragen aan [gedaagde 1] verschuldigd en had hij op dat moment veel meer zaken van [gedaagde 1] onder zich dan zijn vermeld in de verklaring. Zij stelt dat [gedaagde 1], kort na de beslaglegging op 30 mei 2005, de beslagen goederen met behulp van derden heeft overgebracht naar de loods van [ gedaagde 2] aan het [adres] te Valthermond. [ gedaagde 2] heeft die goederen in bewaring genomen terwijl hij wist dat er beslag op rustte. De goederen dienden daarom op 5 december 2007 nog in zijn bezit te zijn. Indien dat niet het geval was, had [ gedaagde 2] de verkoopopbrengst van de goederen onder zich moeten houden en aan [eiseres] moeten afdragen. [ gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben onrechtmatig gehandeld door de goederen aan het beslag te onttrekken en zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiseres] hierdoor lijdt. 3.3. Voorts stelt [eiseres] een vordering te hebben op [gedaagde 1] uit hoofde van een in 2004 tussen hen gesloten overeenkomst. In die overeenkomst hebben zij bepaald dat alle schulden uit de door hen tot 30 juni 2004 uitgeoefende onderneming [G.] voor rekening van [gedaagde 1] kwamen. [eiseres] is echter nadien door verschillende schuldeisers van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma aangesproken tot betaling van schulden van die vennootschap. Zij is gedwongen om die schuldeisers tot een bedrag van € 7.878,75 te voldoen. Gelet op de overeenkomst is [gedaagde 1] in hun onderlinge verhouding draagplichtig voor deze schulden.

3.4. [ gedaagde 2] betwist dat de door hem op 20 december 2007 afgelegde verklaring derdenbeslag niet correct zou zijn. [eiseres] dient haar stellingen op dit punt te bewijzen. Volgens [ gedaagde 2] staat niet vast dat de op 30 mei 2005 in beslag genomen handelsvoorraad aan [gedaagde 1] in eigendom toebehoorde. Uit het proces-verbaal van beslaglegging blijkt immers dat [b[bezitter] stelt deze voorraad van [gedaagde 1] te hebben gekocht. [bezitter] wordt als bezitter tevens vermoed rechthebbende te zijn. [eiseres] dient daarom ook op dit punt bewijs te leveren. [ gedaagde 2] betwist voorts dat er in 2005 beslagen goederen door [gedaagde 1] zijn overgebracht naar zijn loods. Hij heeft alleen goederen van hemzelf uit de loods in Noordhoek gehaald. Het betrof een partij wierook die [gedaagde 1] in consignatie zou verkopen. [K.] en [bezitter] hebben hierbij geholpen. De door [eiseres] overgelegde verklaringen van [K.] en [bezitter] zijn ingegeven door hun eigen belang. [ gedaagde 2] heeft getracht voor [gedaagde 1] vorderingen op hen te incasseren. De vordering op [K.] van € 60.000,-- is afgewezen omdat de administratie van [gedaagde 1] niet op orde was. De procedure tegen [bezitter], over een vordering van € 13.000,--, loopt nog. [ gedaagde 2] betwist dat hij op de hoogte was van het gelegde beslag toen hij de partij wierook uit de loods van [gedaagde 1] weghaalde in 2005. [eiseres] heeft geen feiten gesteld waaruit volgt dat [ gedaagde 2] zou weten dat [eiseres] beslag had gelegd op de zaken die hij voor [gedaagde 1] in bewaring had genomen. Van onrechtmatig handelen c.q. hoofdelijke aansprakelijkheid door [ gedaagde 2] is geen sprake. [eiseres] heeft hiervoor onvoldoende feiten gesteld.

De beoordeling

Nu gesteld noch gebleken is dat tegen de conservatoire beslaglegging onder [gedaagde 1] rechtsmiddelen zijn aangewend, moet ervan worden uitgegaan dat de in beslag genomen goederen eigendom van [gedaagde 1] waren. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] op dit punt bewijs dient te leveren, wordt dan ook gepasseerd.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] haar stelling dat de op 30 mei 2005 in conservatoir beslag genomen handelsvoorraad enige tijd nadien is overgebracht naar de loods van [ gedaagde 2] voldoende feitelijk onderbouwd. Zo heeft zij ter gelegenheid van de comparitie een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 september 2005 overgelegd, waarin zij tegenover de politie verklaart dat zij op 15 juli 2005 telefonisch van [gedaagde 1] heeft vernomen dat die de (in beslag genomen) handelsvoorraad had verkocht voor € 25.000,--. Verder heeft zij een brief overgelegd d.d. 28 april 2006 waarin [ gedaagde 2] namens [gedaagde 1] schrijft dat hij zijn groothandelsactiviteiten had verplaatst van Oud Gastel naar Klundert, bij Ad [bezitter] en dat daar eind 2005 abrupt een einde aan is gekomen omdat hij door omstandigheden moest stoppen met zijn bedrijf in Nederland. Ten slotte heeft zij twee schriftelijke verklaringen overgelegd van de heren [K.] en [bezitter]. [K.] verklaart dat [gedaagde 1] hem half juli 2005 in paniek heeft opgebeld en zei dat de loods in Noordhoek zo snel mogelijk leeg gehaald moest worden. [K.] heeft daarna geholpen om de goederen uit de loods naar de loods van [ gedaagde 2] in Valthermond te brengen. Van daaruit heeft [ gedaagde 2] volgens [K.] de verkoop van de goederen voor [gedaagde 1] voortgezet. [bezitter] verklaart ook dat de goederen in de loods in Noordhoek na de beslaglegging zijn overgebracht naar de loods van [ gedaagde 2] in Valthermond, van waaruit de verkoop daarna doorging. De verklaringen van [K.] en [bezitter] zijn echter niet onder ede ter zitting afgelegd en worden door [ gedaagde 2] betwist. Zij leveren daarom, ook in combinatie met de hiervoor genoemde stukken, onvoldoende bewijs van de stellingen van [eiseres]. [eiseres] zal daarom worden toegelaten (aanvullend) bewijs van haar stellingen op dit punt te leveren. 4.3. Indien uit de bewijslevering volgt dat de op 30 mei 2005 in conservatoir in beslag genomen handelsvoorraad inderdaad is overgebracht naar de loods van [ gedaagde 2] en aldus in zijn bezit is gekomen, staat vast dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Hij dient dan de daaruit voor [eiseres] voortvloeiende schade te vergoeden. Tevens komt de dan vraag aan de orde of [ gedaagde 2] ten tijde van het leggen van het executoriaal derdenbeslag (op 5 december 2007) nog steeds in het bezit was van de handelsvoorraad, dan wel de in de plaats daarvan getreden verkoopopbrengst. Indien dat het geval is, heeft [ gedaagde 2] een onjuiste verklaring derdenbeslag afgelegd en daarmee onrechtmatig gehandeld en dient hij alsnog af te dragen wat hij aan [gedaagde 1] verschuldigd is of was. Indien dat niet het geval is, heeft [ gedaagde 2] jegens [eiseres] onrechtmatig gehandeld door mee te werken aan de opslag van de handelsvoorraad van [gedaagde 1], indien hij van het conservatoir beslag op de hoogte was. Hij heeft dan immers willens en wetens goederen aan het beslag onttrokken en daarmee de verhaalsmogelijkheden van [eiseres] gefrustreerd. [ gedaagde 2] dient in dat geval de door [eiseres] geleden schade te vergoeden. Gelet op de betwisting door [ gedaagde 2], zal [eiseres] tevens dienen te bewijzen dat [ gedaagde 2] ten tijde van het leggen van het executoriaal derdenbeslag (op 5 december 2007) nog steeds in het bezit was van de handelsvoorraad, dan wel de in de plaats daarvan getreden verkoopopbrengst of dat hij van het conservatoir beslag op de hoogte was toen de handelsvoorraad van [gedaagde 1] of de verkoopopbrengst daarvan in zijn bezit kwam of was. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld dit bewijs te leveren.

4.4. De vordering op [gedaagde 1] tot betaling aan [eiseres] van € 7.878,75 zal met de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen, nu hiertegen geen verweer is gevoerd. 4.5. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen de som van € 7.878,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag ingang van 19 februari 2008 tot de dag der voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- laat [eiseres] toe, desgewenst door middel van getuigen, te bewijzen dat:

1. [gedaagde 1] en/of [ gedaagde 2] de op 30 mei 2005 in conservatoir beslag genomen handelsvoorraad van [gedaagde 1] enige tijd nadien heeft/hebben overgebracht naar de loods van [ gedaagde 2];

2. [ gedaagde 2] ten tijde van het leggen van het executoriaal derdenbeslag (op 5 december 2007) in het bezit was deze handelsvoorraad van [gedaagde 1], dan wel de daarvoor in de plaats getreden verkoopopbrengst er van;

3. dat [ gedaagde 2] van het conservatoir beslag op de hoogte was toen de handelsvoorraad van [gedaagde 1] of de verkoopopbrengst daarvan in zijn bezit kwam of was;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden op een nader te bepalen tijdstip in het gerechtsgebouw te Middelburg aan de Kousteensedijk 2, tegenover mr. J. de Graaf;

verwijst de zaak naar de rolzitting van deze rechtbank van woensdag 11 februari 2009 voor dagbepaling enquête;

bepaalt dat [eiseres] indien mogelijk tevoren per brief aan de griffie van de rechtbank, maar uiterlijk op genoemde rolzitting , de verhinderdata van alle betrokkenen dient op te geven alsmede het aantal getuigen dat zij voornemens is te doen horen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.