Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ4273

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
64393/ HA ZA 08-419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente is in de gelegenheid gesteld te reageren op het primaire verweer van de gedaagde tegen de onteigening, alsmede op de door gedaagde voorgestelde deskundigen. Gedaagde heeft primair gesteld dat de gemeente onvoldoende heeft getracht om hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen -en daarmee niet heeft voldaan aan artikel 17 Ow-, als gevolg waarvan de vordering afgewezen dient te worden dun op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. De gemeende vordert de onteigening bij vervroeging uit te spreken van de in de dagvaarding omschreven onroerende zaak. De gemeente heeft als schadeloosstelling een bedrag aan gedaagde als eigenaar aangeboden voor de afstand in eigendom van de voornoemde perceelsgedeelten, vrij van alle lasten en rechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

64393 / HA ZA 08-419

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 64393 / HA ZA 08-419

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE REIMERSWAAL,

zetelend te Kruiningen, gemeente Reimerswaal,

eiseres,

procureur mr. C.J. IJdema,

advocaat mr. W.J. Bosma te Breda,

tegen

[gedaagde],

wonende te Rilland, gemeente Reimerswaal,

gedaagde,

procureur mr. E.H.A. Schute,

advocaat mr. A.A. den Hollander te Middelharnis.

De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 oktober 2008

- de akte na tussenvonnis van de zijde van de gemeente

de antwoordakte na tussenvonnis van de zijde van [gedaagde]

de akte uitlating producties van de zijde van de gemeente.

De overwegingen

De gemeente is in de gelegenheid gesteld te reageren op het primaire verweer van [gedaagde] tegen de onteigening, alsmede op de door [gedaagde] voorgestelde deskundigen.

[gedaagde] heeft primair gesteld dat de gemeente onvoldoende heeft getracht om hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen - en daarmee niet heeft voldaan aan artikel 17 Ow -, als gevolg waarvan de vordering afgewezen dient te worden.

[gedaagde] erkent dat er meermalen contact is geweest tussen de vertegenwoordigers van Fortis (namens de gemeente) en [gedaagde]. Dit overleg heeft echter niet tot resultaat geleid, aangezien partijen ernstig verdeeld zijn over een aantal zaken.

[gedaagde] voert aan dat [K] er bij het verlenen van de goedkeuring van het onteigeningsbesluit vanuit is gegaan dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] geregeld is c.q. op korte termijn geregeld zou zijn. De gemeente is al sinds 2004 op de hoogte van het feit dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] moet worden geregeld en heeft ook toegezegd dit tijdig te doen. Desondanks is de ontsluiting tot op heden niet geregeld. Dit leidt tot de conclusie dat de noodzaak voor het aanleggen van de ontsluiting (de rotonde) en het instellen van onderhavige onteigeningsprocedure ontbreekt. Dit blijkt ook uit de dagelijkse gang van zaken, nu het kassencomplex reeds is gerealiseerd en de ontsluiting hiervan in de huidige situatie al voldoende is gewaarborgd. Nu de gemeente al sinds 2004 weet dat het voor het bedrijf van [gedaagde] noodzakelijk is om bepaalde aanpassingen te doen, en zij heeft nagelaten het nodige daarvoor te verrichten, heeft zij niet voldaan aan de wettelijke verplichting van artikel 17 Ow. Volgens [gedaagde] mag de onteigeningsprocedure niet worden begonnen, voordat de ontsluiting van zijn bedrijf op adequate wijze is geregeld.

[gedaagde] heeft verder de hoogte van de door de gemeente aangeboden schadevergoeding gemotiveerd betwist.

[gedaagde] heeft voorgesteld om als deskundigen te benoemen ing. L.L.M. Florijn, onteigeningsdeskundige, rentmeester en makelaar, kantoorhoudende te Druten, de heer J. van der Slikke, verbonden aan AcvastVanderSlikke rentmeesters, gevestigd te Ellemeet en als voorzitter één van de navolgende personen: mr. J. Vermeulen, verbonden aan het kantoor Van der Feltz Advocaten, gevestigd te Den Haag, mr. E. van der Schans of mr. J.F. de Groot, beiden verbonden aan het kantoor Houthoff Buruma, gevestigd te Amsterdam.

Hij voert aan dat, gelet op de problematiek, alsmede gelet op het feit dat in Zeeland, gezien het aantal bewoners van deze provincie, slechts een beperkt aantal deskundigen beschikbaar is en de kans bestaat dat deze deskundigen, direct of indirect, bepaalde relaties hebben met de provincie en/of de gemeente en alle schijn van betrokkenheid moet worden vermeden, het ervoor pleit om in dit geval, waar het met name om de zogenaamde complexwaarde gaat, ook deskundigen van buiten de provincie Zeeland te benoemen.

De gemeente stelt voorop dat de rechtbank slechts heeft te toetsen of [K] in redelijkheid tot goedkeuring van de onteigening kon besluiten. De gemeente ziet niet in waarom hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd tot het oordeel zou moeten en kunnen leiden dat [K] in redelijkheid niet tot goedkeuring van het raadsbesluit tot onteigening zou hebben kunnen overgaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] en Fortis herhaaldelijk overleg hebben gevoerd over de minnelijke aankoop van de gronden in kwestie en dat Fortis dit overleg mede namens de gemeente heeft gevoerd. De verschillende besprekingen die hebben plaatsgevonden en de verscheidene aanbiedingen die zijn gedaan hebben echter niet tot minnelijke overeenstemming over de aankoop van de gronden geleid, als gevolg waarvan de gemeente zich genoodzaakt zag tot dagvaarding over te gaan, teneinde de infrastructuur en bijkomende werken waarvoor thans wordt onteigend binnen afzienbare termijn te kunnen realiseren.

Het belang om spoedig tot realisatie van deze infrastructuur over te gaan geldt in casu des te meer, nu het glastuinbouwgebied dat zal worden ontsloten door middel van deze infrastructuur, reeds is gerealiseerd. Mitsdien bestaat er een dringende behoefte om zo spoedig mogelijk een deugdelijke veilige ontsluiting aan te leggen. De gemeente stelt gemotiveerd dat de huidige - tijdelijke- ontsluiting niet voldoet aan de eisen die daar uit het oogpunt van veiligheid aan kunnen worden gesteld. Daarnaast voert de gemeente gemotiveerd aan dat de realisatie van de nieuwe verkeersontwikkeling van vitaal belang is voor de verkeersafwikkeling van het achtergelegen glastuinbouwgebied. Daarmee staat zowel de noodzaak als de urgentie van onderhavige onteigening vast. Dat het glastuinbouwgebied reeds is gerealiseerd en in gebruik is genomen doet dan ook niet af aan de noodzaak en urgentie van onderhavige onteigening, aldus de gemeente. [K] heeft bovendien ook reeds getoetst aan de noodzaak en urgentie van onderhavige onteigening.

Ten aanzien van hetgeen [gedaagde] ten grondslag legt aan zijn stelling dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichting van artikel 17 Ow voert de gemeente het volgende aan. [gedaagde] heeft dit verweer - overigens zonder succes - reeds in de administratieve fase naar voren gebracht. [K] zag in dit verweer geen aanleiding om goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening te onthouden, nu dit bezwaar van planologische aard is en derhalve in het kader van de bestemmingsplanprocedure naar voren had kunnen - en moeten - worden gebracht. Dit is lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

De gemeente betwist dat zij heeft toegezegd dat zij niet tot onteigening zou overgaan, alvorens de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] zou zijn geregeld. Zij voert gemotiveerd aan dat, wat er ook zij van de stelling van [gedaagde] op dit punt, zij de gevolgen die de aanleg van onderhavige infrastructuur voor de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] heeft, wel degelijk in kaart heeft gebracht. Vaststaat dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] in voldoende mate is gewaarborgd.

Tenslotte stelt de gemeente dat uit de stellingen van partijen blijkt dat zij ook verdeeld zijn over de hoogte van de schadeloosstelling die voor de gronden in kwestie zal moeten worden voldaan. Dit betekent dat, zelfs indien de ontsluiting thans reeds volledig geregeld zou zijn overeenkomstig de wensen van [gedaagde], dit nog niet tot minnelijke overeenstemming in het kader van artikel 17 Ow zou hebben geleid. Immers, partijen zouden in dat geval nog altijd verdeeld zijn over de hoogte van de schadeloosstelling die in verband met de onteigening zal moeten worden voldaan.

Ten aanzien van de door [gedaagde] voorgestelde deskundigen wijst de gemeente erop dat slechts één van deze deskundigen kantoor houdt in Zeeland. Het ligt naar de mening van de gemeente meer in de rede om de leden van de vaste deskundigencommissie van de rechtbank te benoemen, nu deze deskundigen op de hoogte zijn van de lokale prijzen, welke prijzen partijen tot op heden nu juist verdeeld hebben gehouden. De onafhankelijkheid van de leden van deze deskundigencommissie is gewaarborgd. Anders dan [gedaagde] lijkt te suggereren is immers niet gebleken van het bestaan van aanknopingspunten dan wel schijn van betrokkenheid tussen de gemeente en deze deskundigen. Het feit dat deze deskundigencommissie, eerder, in vergelijkbare zaken heeft geadviseerd kan geen reden zijn om te twijfelen aan de objectiviteit en onafhankelijkheid van deze deskundigen.

De rechtbank stelt voorop dat (naar vaste jurisprudentie) artikel 17 Ow vereist, dat pogingen om hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, worden ondernomen nadat een definitief besluit tot onteigening is gevallen en voordat tot dagvaarding wordt overgegaan, in casu respectievelijk 24 december 2007 en 26 augustus 2008. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 april 1998 (NJ 1999, 24) blijkt dat tekst, geschiedenis noch strekking van artikel 17 Ow zich ertegen verzetten dat bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan het voorschrift van artikel 17 Ow heeft voldaan, mede acht wordt geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het besluit tot onteigening tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de gemeente tussen 24 december 2007 en 26 augustus 2008 moet hebben getracht het te onteigenen in der minne van [gedaagde] te verkrijgen en dat de rechtbank bij haar oordeel acht mag slaan op de periode vanaf april 2005 tot aan 26 augustus 2008.

Uit de brief van 9 juli 2008 namens de gemeente aan [gedaagde] (productie 1 bij de dagvaarding)

- waarvan de inhoud door [gedaagde] niet is betwist - blijkt dat de gemeente vanaf 28 april 2005 herhaaldelijk gesprekken heeft gevoerd met [gedaagde] en zijn raadsman over de minnelijke aankoop van de betreffende perceelsgedeelten. [gedaagde] erkent ook dat er meermalen contact is geweest tussen Fortis (namens de gemeente) en [gedaagde]. Voorts blijkt uit voornoemde brief dat de gemeente bij brieven van 26 september 2005, 4 augustus 2006, 10 januari 2007, 16 februari 2007 en 29 mei 2007, schriftelijke biedingen heeft gedaan om de betreffende perceelsgedeelten door minnelijke overeenstemming te verwerven. Bij brief van 9 juli 2008 heeft de gemeente een finaal aanbod gedaan van € 221.418,75 k.k., zijnde een bedrag van € 7,35 per m2. Dit aanbod is door [gedaagde] niet aanvaard.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de gemeente niet voldoende serieus heeft onderhandeld. Er moet van worden uitgegaan dat de gemeente in de periode tussen de goedkeuring van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding en de periode daarvoor, op redelijke wijze voldoende pogingen heeft ondernomen om met [gedaagde] tot een minnelijke overeenkomst te komen.

Hetgeen [gedaagde] ter onderbouwing van zijn stelling heeft aangevoerd, namelijk dat de gemeente er tot op heden niet voor heeft gezorgd dat de ontsluiting is geregeld, leidt evenmin tot de conclusie dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 17 Ow. De gemeente heeft gemotiveerd aangevoerd welke maatregelen er zijn c.q. zullen worden ondernomen, zodanig dat de ontsluiting van het bedrijf van [gedaagde] is gewaarborgd. Zij stelt verder dat de uit te voeren wegverbreding van de [adres] nog niet is gerealiseerd, omdat de grond waarop deze komt te liggen eveneens betrokken is in onderhavige onteigening. De gemeente heeft tenslotte aangevoerd dat indien en voorzover [gedaagde] door onderhavige onteigening desondanks zou worden beperkt in zijn bedrijvigheid, hetgeen door de gemeente overigens wordt betwist, daarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van de schadeloosstelling.

Gelet op het gemotiveerde verweer van de gemeente heeft de gemeente verder de noodzaak en de urgentie van de onteigening voldoende aangetoond.

Het primaire verweer van [gedaagde] tot afwijzing van de vordering zal derhalve worden verworpen.

voorts

De op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen.

De gemeente vordert de onteigening bij vervroeging uit te spreken van de in de dagvaarding omschreven onroerende zaak.

Niet weersproken is dat op het perceel rechten van hypotheek rusten ten gunste van

De naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V., statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudend te (5612 AA) Eindhoven aan het Fellenoord 15;

De coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK “BEVELAND” U.A., gevestigd te (4462 GL) Goes aan de Livingstoneweg 13,

De gemeente heeft als schadeloosstelling voor de onteigening aan [gedaagde] als eigenaar aangeboden een bedrag van € 221.418,75 voor de afstand in eigendom van de voornoemde perceelsgedeelten, vrij van alle lasten en rechten. Deze schadeloosstelling omvat alle schades in verband met de onteigening, met uitzondering van eventuele belastingschade in verband met de onteigening.

Nu [gedaagde] de aangeboden schadeloosstelling als zijnde ongenoegzaam heeft verworpen zal de rechtbank overeenkomstig het bepaalde van artikel 54j, juncto artikel 27, lid 2 Ow drie deskundigen benoemen en hun opdragen de schadeloosstelling voor [gedaagde] te begroten, alsmede een rechter-commissaris benoemen om, vergezeld van de griffier, bij de opneming aanwezig te zijn.

Ten aanzien van de persoon van te benoemen deskundigen overweegt de rechtbank als volgt.

Hetgeen [gedaagde] ten grondslag legt aan zijn voorstel met betrekking tot de persoon van de te benoemen deskundigen komt neer op de stelling dat de kans bestaat dat de leden van de vaste deskundigencommissie van deze rechtbank niet onafhankelijk zijn in hun oordeel en dat het, gelet op de problematiek van de zaak, de voorkeur verdient om een deskundige van buiten de provincie Zeeland te benoemen.

De gemeente heeft deze stelling van [gedaagde] gemotiveerd betwist. De rechtbank kan zich vinden in het gemotiveerde verweer van de gemeente en ziet om die reden aanleiding om de leden van de vaste deskundigencommissie van de rechtbank tot deskundige te benoemen. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de deskundigen mr. J.G. de Vries Robbé, de heer A. Josiasse en de heer G.N.A. Roovers, zich bereid en in staat hebben verklaard om als deskundige op te treden, beslist de rechtbank als volgt.

De rechtbank zal het voorschot voor [gedaagde] als eigenaar overeenkomstig het bepaalde in artikel 54i, tweede lid Ow vaststellen op 90% van de aangeboden schadeloosstelling.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een som als zekerheid voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling te bepalen.

Tenslotte zal een nieuws-/advertentieblad worden aangewezen overeenkomstig het in de Onteigeningswet bepaalde.

De beslissing

De rechtbank

spreekt vervroegd de onteigening uit ten name van en ten behoeve van de gemeente van:

de perceelsgedeelten, zijnde terrein (akkerbouw), plaatselijk bekend [adres], ongenummerd te Rilland, gemeente Reimerswaal, sectie en nummer [sectie nummer] ter grootte van in totaal 3.01.25 ha;

stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] als eigenaar vast op € 199.276,90;

alvorens verder te beslissen

benoemt tot deskundigen mr. J.G. de Vries Robbé, 2585 AN ’s-Gravenhage, Javastraat 22, dhr. A. Josiasse, 4331 PT Middelburg, Penninghoeksingel 69 en dhr. G.N.A. Roovers, 4331 HW Middelburg, Loskade 31 en verzoekt hen de schadeloosstelling te begroten,

benoemt tot rechter-commissaris om, vergezeld van de griffier, bij de opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de te onteigenen onroerende zaak tegenwoordig te zijn, mr. S.M.J. van Dijk, rechter in deze rechtbank,

bepaalt dat de opneming op een nader in overleg met partijen en deskundigen te bepalen datum en tijdstip zal plaatsvinden. De griffier zal hiertoe het initiatief nemen.

wijst aan als nieuwsbladen, waarin de griffier tijd en plaats van de opneming door de deskundigen zal aankondigen de Provinciale Zeeuwse Courant en BN/De Stem, editie voor Zeeland,

bepaalt dat de gemeente de deskundigen uiterlijk twee weken voor de opneming in het bezit zal stellen van een afschrift van de processtukken,

houdt iedere verdere beslissing aan.