Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ3188

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
12/994945-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heimelijke monsterneming in slachterij in het kader van opsporing strafbaar feit (handel in voor de menselijke gezondheid schadelijke waren). Monsterneming op verzoek van AID door toezichthoudend dierenarts zonder opsporingsbevoegdheden. Grensvlak toezicht - opsporing. Geen sprake van burger-pseudo-dienstverlening. Wel ongeoorloofde opsporing, niettemin OM ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 174
Wetboek van Strafrecht 219
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 1
Wetboek van Strafvordering 126ij
Wetboek van Strafvordering 126ff
Wetboek van Strafvordering 132a
Wetboek van Strafvordering 359a
Destructiewet
Destructiewet 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2009, 298
NBSTRAF 2009/298

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/994945-07

beslissing van de meervoudige economische kamer d.d. 22 juli 2009

in de strafzaak tegen

Porkland Holding BV,

gevestigd Sluisweg 20, 4675 RS Sint Philipsland,

ter terechtzitting verschenen, vertegenwoordigd door

[medeverdachte 1],

geboren op 15 januari 1967 te Haaren,

wonende Sluisweg 20, 4675 RS Sint Philipsland,

raadsman mr. Stassen, advocaat te Tilburg.

1. Onderzoek

1. Het onderzoek in de strafzaak tegen verdachte is aangevangen ter terechtzitting

van 27 september 2007 en daarna geschorst tot de terechtzittingen van 25 januari 2008 en

29 mei 2008.

2. Ter terechtzitting van 29 mei 2008 heeft de raadsman bij wijze van preliminair verweer gepleit tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wegens strijd met de bepalingen van de artikelen 126ij Sv (onbevoegde monsterneming in het kader van de opsporing door een toezichthoudend dierenarts, te beschouwen als burger-pseudo-dienstverlening) en 126 ff Sv (het zgn. doorlaatverbod).

De officier van justitie mr. Koopmans heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht om op een nadere terechtzitting een aantal getuigen te horen.

3. Het onderzoek is voortgezet ter terechtzitting van 28 mei 2009. Op die zitting zijn als getuigen gehoord:

(1) de heer [getuige 1] dierenarts, toezichthouder Voedsel en Waren Autoriteit (VWA);

(2) de heer [getuige 2], teamleider Algemene Inspectiedienst (AID);

(3) de heer [getuige 3], projectleider AID, en

(4) de heer [getuige 4], teamleider VWA.

Nadat de raadsman en de officier van justitie hun (nadere) standpunten over het preliminair verweer kenbaar hebben gemaakt, heeft de rechtbank na overleg met partijen besloten om eerst haar oordeel over het preliminair verweer te geven en daarna – zonodig – op een nader vast te stellen datum het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd, dat:

1.

zij - vanaf 12 februari 2007 Porkland Holding B.V. geheten- in/vanuit een door haar geëxploiteerd slachthuis, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 20 juni 2007 te Melderslo (gemeente Horst aan de Maas) en/of Cuyk (gemeente Cuijk) en/of Sint Philipsland (gemeente Tholen) en/of ander plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een hoeveelheid van een varken afkomstig vlees heeft verkocht en/of afgeleverd aan (een) vleeshandela(a)r(en) en/of (een) slager(s) en/of (een) consument(en), te weten:

-vlees afkomstig van een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 951843 (zaak 1) en/of

-vlees afkomstig van een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 432953 (zaak 1) en/of

-vlees afkomstig van een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 477780 (zaak 2) en/of

-vlees afkomstig van een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 956990 (zaak 2) en/of

-vlees afkomstig van een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 956992 (zaak 3) ,

wetende dat dat vlees bij consumptie voor de gezondheid van de mens schadelijk was,

immers was het (vlees van):

-varken "951843" door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit afgekeurd/ niet tot de slacht toegelaten omdat deze ziekelijk mager was en/of

-varken "432953 " door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit afgekeurd/ niet tot de slacht toegelaten omdat deze door een of meer disfunctionerende organen ziek was en/of

-varken "477780" door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit niet geschikt verklaard voor menselijke consumptie omdat deze een kapotte schouder had en/of

-varken "956990" door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit afgekeurd/ niet tot de slacht toegelaten omdat deze ziek was en/of

-varken "956992" door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit na bacteriologisch onderzoek afgekeurd/ niet geschikt verklaard voor menselijke consumptie omdat deze besmet was met een zogeheten type A-bacterie(Actinomyces pyogenes),

en/of hebbende Porkland en/of haar mededader(s) voornoemd(e) varken(s), althans delen daarvan, zonder toestemming en/of medeweten van de Voedsel- en Warenautoriteit en de voor deze handelende B.V. Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector voorzien of laten voorzien van het goedkeuringsmerk EEG 760, zulks terwijl Priland voornoemd en/of haar mededader(s) (telkens) dat schadelijk karakter van dat vlees bij het verkopen en/of afleveren heeft verzwegen;

art 174 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij -vanaf 12 februari 2007 Porkland Holding B.V. geheten- in/vanuit een door haar geexploiteerd slachthuis, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 20 juni 2007 te Melderslo (gemeente Horst aan de Maas) en/of te Sint Philipsland (gemeente Tholen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, een door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en Warenautoriteit afgekeurd varken danwel een door de keuringsdierenarts anderszins voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard varken (een zogeheten categorie 3 varken of uitlijner), te weten:

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 951843 (zaak 1, pagina 52 tot en met 98 van het proces-verbaal) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 432953 (zaak 1) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 477780 (zaak 2, pagina 99 tot en met 155 van het proces-verbaal) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 956990 (zaak 2) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 672654 (zaak2) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 672658 (zaak 2),

(telkens) zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken of heeft laten onttrekken aan verwerking, door dit destructiemateriaal (telkens) uit de destructiebakken/-tonnen te halen of te laten halen en/of (telkens) niet gescheiden (van goedgekeurd danwel in onderzoek zijnd vlees) te bewaren of te laten bewaren en/of dit destructiemateriaal (telkens) niet aan (personeel van) het verwerkingsbedrijf Rendac aan te bieden of aan te laten bieden;

(artikel 4 van de Destructiewet, strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 1e, van de Wet op de economische delicten)

art 4 lid 1 Destructiewet

3.

zij - vanaf 12 februari 2007 Porkland Holding B.V. geheten- in/vanuit een door haar geexploiteerd slachthuis, tezamen en in vereninging met anderen of een ander, althans alleen, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 20 juni 2007 te Melderslo (gemeente Horst aan de Maas) en/of Sint Philipsland (gemeente Tholen), in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met artikel 5, lid 3 inder 3, van de verordening (EG) nr. 854/2004, door vers vlees van een geslacht varken dat door de keuringsdierenarts van de Voedsel- en

Warenautoriteit ongeschikt was verklaard voor menselijke consumptie, in de

handel te brengen, te weten:

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 956992 (zaak 3) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 895561 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 733305 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 432459 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 434601 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 945992 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 432687 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 672562 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 850734 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het (VWA)onderzoeksnummer 655874 (zaak 4) en/of

-een varken voorzien van het slachtmerk(slachtbliknummer) 980757 (zaak 4);

(artikel 3, lid 4, van de Regeling vleeskeuring, via artikel 19 van de Landbouwwet strafbaar gesteld in artikel 1, onder 1e, van de Wet op de economische delicten art 3 lid 2 Regeling vleeskeuring)

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.1. Relevante feiten en omstandigheden

Uit de stukken van het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.

1. Na een voorbereidend onderzoek, in april 2006, heeft de AID (inspectie Noord) in augustus 2006 een opsporingsonderzoek tegen verdachte [medeverdachte 1] ingesteld. In maart 2007 is dit onderzoek overgedragen aan de AID (inspectie Zuid) en is het onderzoek uitgebreid naar de verdachten [medeverdachte] en Porkland Holding BV.

De verdenkingen richtten zich op overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 3 lid 2 van de Regeling vleeskeuring, artikel 4, leden 1 t/m 3, van de Destructiewet en de artikelen 219 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

De vermoedens betroffen:

- dat dood aangevoerde varkens (slachtdieren) buiten het zicht van de VWA werden geslacht en verwerkt;

- dat na levende keuring niet slachtwaardige varkens (dieren) buiten het zicht van de VWA werden geslacht en verwerkt;

- dat tijdens het slachtproces geslachte varkens werden afgekeurd en later buiten het zicht van de VWA verder werden verwerkt;

- dat na bacteriologisch onderzoek afgekeurde varkens buiten het zicht van de VWA werden verwerkt, en

- dat tijdens het keur- c.q. slachtproces varkens (dieren) werden verwijderd en buiten het zicht van de VWA werden verwerkt.

2. Naar aanleiding van de verklaringen van een ex-werknemer van Porkland van eind januari 2007 en CIE-informatie over de periode van het 1e kwartaal 2007, inhoudende dat op de slachtplaats van [medeverdachte 1] te Melderslo nog steeds dieren illegaal – zonder de verplichte levende en geslachte keuring – werden geslacht, is het onderzoek opnieuw geïntensiveerd. Bij de doorstart van het onderzoek, in maart 2007, hebben AID-ambtenaren van de inspectie Zuid zich intern beraden over de in te zetten opsporingsmethoden en methode(n) van de verdere bewijsgaring ten behoeve van de jegens verdachten bestaande verdenkingen. Het onderzoek had tot dusverre al enige verdenking opgeleverd dat Porkland illegaal slachtte, althans varkens onttrok aan destructie om deze dieren alsnog in de voedselketen te krijgen, maar het structurele karakter van die verboden handelingen was nog niet in beeld gebracht. Hiervoor waren meerdere waarnemingen en bevindingen nodig.

3. De ter zitting gehoorde getuigen [getuige 2], teamleider AID, en [getuige 3], seniorrechercheur AID, hebben verklaard dat in overleg met de officier van justitie verschillende technische mogelijkheden zijn onderzocht om aan het licht te brengen dat op structurele wijze materiaal aan het destructieproces werd onttrokken. Zo zou volgens de getuigen in eerste instantie zijn geopteerd voor het gebruik van tracers of markeermiddelen en het plaatsen van observatiecamera’s binnen de slachterij. Met een enkele doorzoeking op het bedrijf kon het structurele karakter niet worden aangetoond, omdat er dan onvoldoende referenties zouden zijn. Bovendien zouden voor het rechtvaardigen van een doorzoeking meer belastende feiten en omstandigheden bekend moeten zijn. De verschillende alternatieve methoden werden echter onvoldoende geacht, dan wel om technische redenen afgeraden.

Uit het dossier blijkt dat op 22 maart 2007 een bevel is verkregen tot het uitoefenen van bevoegdheden in een besloten plaats (het beoogd plaatsen van opnameapparatuur in de slachterij)

4. Uiteindelijk is in overleg met de officier van justitie gekozen voor DNA-onderzoek om voldoende feiten en omstandigheden ter ondersteuning van de verdenking in verband met het illegale slachtproces in beeld te krijgen. Daarbij is bedacht om gebruik te maken van de aan de toezichthoudend dierenarts bij de VWA toekomende bevoegdheid tot het nemen van monsters. De monsterneming moest zich specifiek richten op het nemen van haar- en vleesmonsters van dode, afgekeurde, varkens en destructiemateriaal, omdat deze producten normaal niet in het voedselproces terecht komen. Ook is besloten dat de monsterneming buiten het zicht van het bedrijf moest gebeuren, om reden dat een transparant onderzoek niet veel bewijsmateriaal zou opleveren. Deze methode van bewijsgaring is door de AID niet als een bijzondere opsporingsmethode aangemerkt.

Na overleg tussen de teamleider en de projectleider van de AID (de getuigen [getuige 2] en [getuige 3]) met de officier van justitie over het DNA-onderzoek en de daarbij voorgestelde inzet van de dierenarts ten behoeve van de monsterneming is, met instemming van de officier van justitie, besloten om daartoe de medewerking te vragen aan de leiding van de VWA waaronder de slachterij ressorteert.

Tijdens een overleg tussen de AID en de VWA, waarbij namens de AID aanwezig waren: de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] en namens de VWA: de getuige [getuige 4] en mevrouw [kringdirecteur], kringdirecteur VWA, is door de AID gevraagd of de VWA wilde meewerken aan een strafrechtelijk onderzoek tegen [medeverdachte 1] en Porkland. Er is uitgelegd welke handelingen de dierenarts binnen de slachterij diende te verrichten (namelijk het nemen van monsters van haren en vleesresten) en wat de bedoeling van de monsterneming was (namelijk DNA-onderzoek ten behoeve van de bewijsgaring in verband met de lopende verdenkingen jegens [medeverdachte 1] en Porkland). De leiding van de VWA heeft hiermee ingestemd op voorwaarde dat de dierenarts hier ook mee zou instemmen, gelet op het heimelijke karakter van de monsterneming. Teamleider VWA [getuige 4] heeft op zijn beurt de toezichthoudend dierenarts van de slachterij te Melderslo, de heer [getuige 1] benaderd met de vraag of deze bereid was hieraan mee te werken. [getuige 1] heeft verklaard dat hij rond april of mei 2007 hierover is benaderd.

5. Uit het dossier blijkt dat [getuige 1] op 12 en 19 april 2007 door de AID is gehoord over de wijze van werken binnen de slachterij te Melderslo en over het daarop uitgeoefende toezicht door de VWA. Vervolgens is op 23 april 2007 [medewerker], hoofd planner bij Rendac te Son, gehoord over de verwerking van slachtafval afkomstig van Porkland.

6. De slachterij, meer in het bijzonder de afvoer van destructiemateriaal naar Rendac, is vanaf 4 mei 2007 opnieuw gemonitoord. Al het afgevoerde destructiemateriaal is daarbij geïnventariseerd en vergeleken met de totale aanvoer van dieren en afgekeurde dieren op de slachterij. Bij een tussentijdse analyse op 13 juni 2007 is de conclusie getrokken dat in de periode van 4 mei tot 13 juni 2007 vermoedelijk zes kadavers en negentien karkassen niet ter destructie zijn aangeboden, en dat in de periode van 22 mei tot 13 juni 2007 vermoedelijk acht kadavers en veertien karkassen niet ter destructie zijn aangeboden.

7. Ter uitvoering van het voorgenomen DNA-onderzoek zijn door de toezichthoudend VWA-dierenarts [getuige 1] op verschillende slachtdata (vanaf 15 mei 2007 tot en met 19 juni 2007) haar- en vleesmonsters genomen van varkens die niet geslacht mochten worden en van varkens die al dood waren, waarna hij deze monsters ter inbeslagname heeft overgedragen aan de AID. Daarnaast heeft hij van zijn bevindingen over die slachtdata telkens per e-mail aan de AID gerapporteerd. Dierenarts [getuige 1] heeft als getuige ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer twee weken na zijn gesprek met de AID is begonnen met monsterneming. Van zijn bevindingen tijdens de slachtdagen en over het nemen van de monsters bracht hij steeds per e-mail verslag uit aan de AID. De genomen monsters werden door de AID opgehaald op zijn kantoor. De dierenarts heeft de haarmonsters in de stal genomen. Hij heeft naar eigen zeggen alleen vastzittende haren van het betreffende dier genomen. Hij selecteerde de daarvoor in aanmerking komende varkens aan de hand van de aanvoerlijst, noteerde de oornummers op een papiertje en hij vergeleek bij monsterneming het door hem geselecteerde oornummer met het oornummer van het varken. Hij nam slechts twee monsters tegelijkertijd. Daartoe nam hij twee zakjes mee. Hij stopte het ene zakje in zijn linker broekzak en het andere in zijn rechter broekzak. Daarna heeft hij de monsterzakjes ter identificatie van de monsters individueel gekenmerkt met de datum van de monstername, het oornummer en het slachtnummer van het varken. De vleesmonsters van de afgekeurde dieren nam hij in de slachthal of in één van de koelcellen, zoals dat ook bij een reguliere monstername gebeurt, aldus de dierenarts.

8. Het materiaal van de door de dierenarts genomen monsters (het zogenaamde basismateriaal) is door het Dr. Van Haeringen Laboratorium te Wageningen vergeleken met monsters genomen van het door Rendac afgevoerde materiaal (het vergelijkingsmateriaal). Het laboratorium heeft op 25 mei 2007 en 5, 11 en 13 juni 2007 gerapporteerd omtrent deze vergelijking. De tussentijdse analyse op 13 juni 2007 op basis van 30 monsters basismateriaal en 40 monsters vergelijkingsmateriaal leerde dat vier monsters afkomstig van vier afgekeurde karkassen geen DNA-match vertoonden met het vergelijkingsmateriaal.

9. Ter ondersteuning van de monitoring en met het oog op het doen stoppen van mogelijke misdrijven zijn wederom bevelen tot het opnemen en onderzoek telecommunicatie aangevraagd (eerstens op 8 mei 2007) en verkregen. Er is getapt vanaf 21 mei 2007. Op 21 en 29 mei 2007 en 13 juni 2007 zijn gesprekken afgeluisterd met betrekking tot (de levering van) slechte kwaliteit varkens. Op 23 mei 2007 is een gesprek afgeluisterd waarin verdachte [medeverdachte] desgevraagd aangeeft hart te kunnen verkopen, hetgeen Porkland niet is toegestaan.

10. De tactische recherche heeft de officier van justitie op 14 juni 2007 verzocht bij de rechter-commissaris te vorderen dat in de woning van [medeverdachte 1] in Sint Philipsland en in de slachterij te Melderslo een doorzoeking ter inbeslagneming wordt verricht.

Op 20 juni 2007 zijn bedoelde doorzoekingen ter inbeslagneming verricht en zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte] als verdachten aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van overtreding van artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 3 lid 2 van de Regeling vleeskeuring, artikel 4, leden 1 t/m 3, van de Destructiewet en de artikelen 219 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de dierenarts [getuige 1] - zijnde een toezichthouder zonder bijzondere opsporingsbevoegdheden - met instemming van de officier van justitie door de AID is ingezet om door middel van heimelijke monsterneming in het bedrijf van verdachte [medeverdachte 1] bewijs te verzamelen in het kader van de opsporing van strafbare feiten. De dierenarts was daartoe niet bevoegd, omdat hij slechts toezichthoudende bevoegdheden had. Volgens de raadsman is hier sprake geweest van burger-pseudo-dienstverlening als bedoeld in artikel 126ij Sv. De officier van justitie had deze dienstverlening in een schriftelijke overeenkomst tussen het OM en de dierenarts moeten vastleggen, zoals voorgeschreven in leden 4 en lid 5 van artikel 126ij Sv. Dit is niet gebeurd. Ook verder is niets op papier gezet over de afspraken met de dierenarts of over wijze van monsterneming dan wel de richtlijnen, protocollen of waarborgen die daarbij in acht moesten worden genomen en er is geen enkel toezicht geweest op de werkwijze van de dierenarts. Achteraf is dan ook niet meer te controleren hoe hij te werk is gegaan en of er mogelijk al dan niet opzettelijk vergissingen zijn gemaakt.

Het OM heeft in dit geval gehandeld in strijd met zijn eigen beleidsregels over toepassing van bijzondere opsporingsmethoden, genoemd in de “Aanpassing aanwijzing opsporingsbevoegdheden” (Strcrt 24 november 2004, nr. 227, pag 26). Daarin is onder het “doel van de aanwijzing” het volgende bepaald:

“Het openbaar ministerie heeft op grond van artikel 148 Sv het gezag en de verantwoordelijkheid over de opsporing. Deze lijn is in de Wet BOB consequent doorgetrokken. Dit betekent dat bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel van het openbaar ministerie. Het doel van deze aanwijzing is te bewerkstelligen dat in de praktijk van de opsporing en de vervolging op uniforme wijze uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in de Wet BOB.”

Het belang van de verdachte is gelegen in het feit dat de rechter en de verdediging moeten kunnen toetsen of de door de politie verrichte opsporingshandelingen op een rechtmatige wijze hebben plaatsgehad.

Ook in het geval de dierenarts wèl over bijzondere opsporingsbevoegdheden zou beschikken zou het OM hebben gehandeld in strijd met het “fair play”-beginsel, omdat in dit geval sprake was van een heimelijke actie ter vergaring van DNA-materiaal van de eigendommen van verdachte.

Daar komt bij, dat de dierenarts pas is ingezet nadat het opsporingsonderzoek een aantal periodes had stilgelegen terwijl de opsporingsinstanties er in die periodes al vanuit gingen dat er door de slachterij onder andere vlees op de markt werd gebracht dat een gevaar vormt voor de volksgezondheid. De opsporingsambtenaren hadden in die periodes de plicht om tot inbeslagneming over te gaan. Een dergelijke handelwijze is in strijd met het doorlaatverbod als bedoeld in artikel 126ff Sv.

Door een en ander zijn de belangen van verdachte zeer ernstig geschaad. De verzuimen zijn van dien aard dat het OM in zijn vervolging niet¬ ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Zij heeft het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Het onderzoek is gestart in augustus 2006 naar aanleiding van CIE-info daterend uit april 2006. Op dat moment bestond er louter en alleen verdenking op grond van de Destructiewet en de Regeling vleeskeuring. In september 2006 is via de VWA informatie binnen gekomen over het aantreffen van ongestempelde karkassen die mogelijk afkomstig waren van Porkland. Op dat moment is de verdenking uitgebreid naar een verdenking wegens overtreding van artikel 174 Sr. Deze verdenking vergt een ander onderzoek dan een onderzoek betreffende overtredingen van de Destructiewet en de Regeling vleeskeuring. Vervolgens heeft in de periode tussen 17 november 2006 en 28 november 2006 een monitoring plaatsgevonden. Er zijn taps toegepast en observaties verricht om inzicht te krijgen in de modus operandi met name met betrekking tot de handelingen in de slachterij. Hierbij werden enkel wat onregelmatigheden ontdekt. Weliswaar versterkte hierdoor de verdenking wegens overtreding van de Destructiewet en de Regeling vleeskeuring, maar dit leidde niet tot een nadere verdenking op grond van artikel 174 Sr. De AID en het OM wisten niet precies wat de gevolgen waren van de onregelmatigheden. Wel wilden zij weten wat er gebeurd was, maar op dat moment was er niet veel meer bewijs dan de onregelmatigheden in de administratie.

Nadat in januari 2007 de ex-werknemer van Porkland een getuigenverklaring aflegde kwam de verdenking op grond van artikel 174 Sr in een stroomversnelling. Door deze verklaring werd de verdenking dat materiaal aan destructie onttrokken werd en alsnog voor menselijke consumptie werd gebruikt, harder. Toen kwam artikel 174 Sr nadrukkelijk in beeld. Er zijn mogelijkheden gezocht om een vinger aan de pols te krijgen en bewijs te vergaren. Dat was niet eenvoudig. Artikel 174 Sr betreft een zeer ernstig delict en er moest grondig onderzoek gedaan worden. Diverse mogelijkheden zijn de revue gepasseerd en uiteindelijk is besloten tot inzet van de dierenarts [getuige 1]. Een doorzoeking vóór de inzet van de dierenarts zou alleen hebben plaatsgehad in het kader van de Destructiewet en de Regeling vleeskeuring.

Het OM heeft geen gebruik gemaakt van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126ij Sv – daar is zelfs geen moment aan gedacht - maar van de toezichthoudende bevoegdheden van de dierenarts tijdens de opsporing. De dierenarts was aangewezen als toezichthouder op het slachtproces in de slachterij Porkland. In die hoedanigheid was hij als handhaver bevoegd om onderzoek te doen en monsters te nemen, niet alleen op basis van nationale regelgeving, maar met name ook op basis van de Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 226 van 25.6.2004, blz. 83). Geen rechtsregel verbiedt om de resultaten van dergelijke monsternemingen in het kader van toezicht in het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken, ongeacht of de betrokken toezichthouder al dan niet als bijzonder opsporingsambtenaar is aangewezen. Deze monsterneming in het kader van toezicht kan ook op heimelijke wijze gebeuren, omdat nergens is bepaald dat een betrokkene daarover vooraf in kennis moeten worden gesteld. Het OM heeft door de gebruikte methode van bewijsgaring nimmer beoogd de verdachte te benadelen. Er is geen misbruik gemaakt van de bevoegdheden van de dierenarts.

De wijze van bewijsgaring is niet in strijd met de rechtspraak van het EHRM (Saunders) en de daarop bekende jurisprudentie. De verdachte is immers niet verplicht inlichtingen te verschaffen of bepaalde, bij de AID nog niet bekende, stukken over te leggen. De varkens waren al op het bedrijf en de monsters zijn onafhankelijk van de wil van verdachte genomen. Daarbij ging het alleen om waarheidsvinding.

De werkzaamheden van de dierenarts kunnen al sowieso niet onder de vigeur van artikel 126ij Sv vallen, omdat die werkzaamheden betrekking zouden moeten hebben op het afnemen van goederen van verdachte dan wel het verlenen van diensten aan verdachte. Pseudo-koop of –dienstverlening veronderstelt fysiek contact met verdachte voor het afnemen van goederen of dienstverlening aan verdachte. In dit geval zijn uitsluitend monsters genomen en daar was verdachte op geen enkele wijze bij betrokken. De monsters werden niet genomen van verdachte, maar van “goederen”. Er behoefde aan verdachte niet te worden gevraagd om die goederen ter beschikking te stellen. Van die goederen mochten zowel in het kader van toezicht als in het kader van opsporing (op basis van de Wed) monsters genomen worden.

In dit verband dient ook nog gewezen te worden op de jurisprudentie over het zogenaamde Schutznorm-vereiste. Hieruit blijkt dat de verdachte in beginsel geen beroep toekomt op schending van normen voorzover die normen jegens een ander dan de verdachte zijn geschonden. Daarbij is niet bepalend in het kader van welk onderzoek beweerdelijk onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden, maar of daardoor op verdachtes rechtens te respecteren belangen inbreuk is gemaakt. Bij niet naleving van de bepalingen inzake monsterneming komt een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het OM niet toe aan de verdachte, omdat die bepalingen niet in het leven zijn geroepen die strekken tot bescherming van zijn belang.

Het subsidiariteitsbeginsel is niet geschonden, want het gebruik van een toezichthouder in de uitoefening van zijn functie is voor de verdachte minder ingrijpend en belastend dan wanneer er jegens hem gebruik zou worden gemaakt van bevoegdheden in het kader van de Wet BOB.

De doorzoeking op 20 juni 2007 heeft primair plaatsgevonden naar aanleiding van een getapt telefoongesprek tussen [medeverdachte] en [vleeshandelaar] over twee stinkende varkens op 18 juni 2007. Dat blijkt ook het proces-verbaal van de aanvraag tot de doorzoeking. Er waren toen weliswaar al enkele DNA-resultaten bekend, maar het merendeel van die resultaten zijn pas in augustus 2007 binnen gekomen.

In de periode waar de verdediging op doelt kon nog met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld dat er door verdachte voor de volksgezondheid schadelijk vlees op markt werd gebracht. Wat er verder van de stelling van de verdediging over het doorlaatverbod ook zij, de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juli 2002 (LJN: AD9915) nadrukkelijk bepaald dat uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 126 ff Sv niet blijkt dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van een verdachte. Dit betekent, dat verdachte zich niet op de niet (juiste) naleving van het verbod op doorlaten kan beroepen voor zijn betoog dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging en dat een dergelijk verweer slechts kan worden verworpen.

3.4. Het oordeel van de rechtbank

1. De rechtbank stelt vast dat de dierenarts [getuige 1] als toezichthouder in dienst van de VWA, niet was aangesteld als bijzonder opsporingsambtenaar (BOA). Verder staat vast dat de dierenarts, op verzoek van de AID en met instemming van de officier van justitie, in het kader van de opsporing van strafbare feiten gedurende een periode van ruim een maand op een heimelijke manier haar- en vleesmonsters heeft genomen in de slachterij Porkland op de (slacht-)dagen dat hij daar als keuringsarts tijdens de Ante Mortem-keuring toezicht hield.

2. De vraag is of de dierenarts in dit geval (in het kader van zijn toezichthoudende taak tijdens het slachtproces) bevoegd was tot het nemen van monsters ten behoeve van de opsporing. Voor het antwoord op die vraag vindt de rechtbank steun in het standpunt van de regering op kamervragen betreffende het wetsvoorstel Derde tranche Awb.

De Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 1995-1996 23700 en 24040, nr 188b) houdt voor zover hier van belang het volgende in.

“De vraag naar het onderscheid tussen opsporing en toezicht is in beginsel

eenvoudig te beantwoorden. De bevoegdheden die aan een opsporingsambtenaar

toekomen zijn in de strafvorderlijke wetgeving geregeld, terwijl de Awb op de

uitoefening van de opsporingstaak niet van toepassing is (vgl. artikel 1:6 Awb).

(…) Vragen in verband met de afgrenzing tussen opsporing en toezicht kunnen ontstaan indien de toezichthouder bij de uitoefening van zijn taak stuit op feiten die aanwijzingen voor een strafbaar feit kunnen opleveren dan wel op zichzelf strafbaar zijn. In hoeverre heeft dat gevolgen voor de mogelijkheid zijn bevoegdheden uit te oefenen?

Het feit dat de toezichthouder een strafbaar feit constateert, brengt uiteraard niet met zich mee dat hij zijn werkzaamheden moet beëindigen. Zijn taak is in eerste instantie gericht op het bevorderen van de naleving van de wet, en hij zal met dat doel veelal maatregelen in de bestuursrechtelijke sfeer nemen om voor de toekomst een betere naleving te bevorderen. Met dat doel kan hij bijvoorbeeld een waarschuwing geven, verdere controle in de toekomst in het vooruitzicht stellen, of de intrekking van een vergunning overwegen. In verband daarmee zal hij ook van zijn bevoegdheden als toezichthouder gebruik kunnen maken.

Het behoort echter niet tot de taak van de toezichthouder zelfstandig een strafrechtelijke afdoening van een overtreding voor te bereiden. Indien de toezichthouder derhalve van mening is dat een dergelijke afdoening in aanmerking komt, zal hij rapport moeten uitbrengen aan een opsporingsambtenaar, en het aan die ambtenaar moeten overlaten tot opsporing over te gaan. Zoals aangegeven, is de Awb ingevolge artikel 1:6 op die opsporing niet van toepassing: zij wordt door de regels van strafvordering beheerst. De toezichthouder zal zijn bevoegdheden niet meer mogen gebruiken voor zover zij uitsluitend gericht zijn op de strafvorderlijke afdoening.

(…) In het geval dat dezelfde functionaris zowel met toezicht als met opsporing is belast (…) zijn ook gevallen denkbaar dat de functionaris in zijn hoedanigheid van toezichthouder over bevoegdheden beschikt die hij niet bezit in zijn hoedanigheid van opsporingsambtenaar. Dat kan het geval zijn indien de wetgeving aan een toezichthouder meer bevoegdheden heeft toegekend, of indien het strafrecht nog niet toestaat dat van opsporingsbevoegdheden gebruik wordt gemaakt. Dan wordt de vraag van belang of de ambtenaar zijn toezichtsbevoegdheden mag blijven uitoefenen indien hij bij zijn onderzoek in het kader van het toezicht stuit op feiten die aanwijzingen voor een strafbaar feit kunnen opleveren dan wel op zichzelf een strafbaar feit zijn. Het antwoord op die vraag moet hetzelfde zijn als in het geval de bevoegdheden van toezichthouder en opsporingsambtenaar over twee personen zijn verdeeld. De toezichthoudende bevoegdheden mogen ook in dit geval verder worden gebruikt, mits dit niet geschiedt met het uitsluitende doel een strafvorderlijke afdoening voor te bereiden.”

3. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de dierenarts [getuige 1] aan wie geen opsporingsbevoegdheden waren toegekend, in dit geval niet bevoegd was tot het nemen van haar- en vleesmonsters, omdat dit geschiedde uitsluitend ten behoeve van het opsporingsonderzoek. Dit blijkt genoegzaam uit het dossier en de diverse ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaringen. In dit verband verdient nog opmerking dat per april 2007 een periode van verzwaard (‘volledig’) toezicht door de VWA juist was afgesloten, omdat er inmiddels weer voldoende vertrouwen in de werkwijze van het bedrijf van [medeverdachte 1] was verkregen. Verder is de uiteindelijke beslissing van de VWA van 31 juli 2007 tot intrekking van de erkenningen en sluiting van de slachterij blijkens de daarin opgenomen overwegingen niet gebaseerd op de vóór 20 juni 2007 verkregen monsters.

4. De rechtbank deelt evenwel niet de opvatting van de verdediging dat hier sprake was van pseudo-burger-dienstverlening als bedoeld artikel 126ij Sv. In die situatie wordt immers verondersteld dat de met het oog op de opsporing ingeschakelde burger contact heeft met de verdachte over de aan verdachte te verlenen diensten. Daarvan was - gelet op het heimelijke karakter van de monstermening - in het onderhavige geval geen sprake. Wel staat vast dat in dit geval de wettelijke voorschriften met betrekking tot de toegestane opsporingsmethoden zijn overtreden door op onderhavige wijze een niet-opsporingsambtenaar in te zetten in het onderzoek.

5. Vervolgens is de vraag of het OM, door het onjuist gebruik maken van deze opsporingsmethode tijdens het opsporingsonderzoek (zoals bedoeld in artikel 132a Sv), vanwege de (eventuele) schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde in de onderhavige zaak nog een vervolgingsbevoegdheid toekomt.

6. Ingevolge het in artikel 1 Sv neergelegde legaliteitsbegingsel heeft strafvordering alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. De inzet van burgers in de opsporing van strafbare feiten is geregeld in titel VA Sv. Het is de ondubbelzinnige keuze van de wetgever geweest om buiten de aldaar voorziene vormen, bijstand door burgers niet toe te staan. Dit houdt mede verband met het vereiste van zorgvuldigheid en controleerbaarheid in het kader van de opsporing. Niet voor niets wordt bij de inzet van burgers voorzien in een tussen de burger en het OM te sluiten overeenkomst, waarin over en weer de rechten en plichten alsmede de wijze van uitvoering wordt vastgelegd en op basis waarvan de officier van justitie de inzet van de burger controleert. Schending van de onderhavige voorschriften raakt de bevoegdheid tot opsporing en vervolging van strafbare feiten in de kern.

7. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de bevoegdheid van de dierenarts [getuige 1] weldegelijk in overweging is genomen, maar dat daarbij in het geheel geen overweging is geweest of daarbij mogelijk sprake zou zijn van een bijzondere opsporingsmethode. Aldus staat vast dat welbewust is overgegaan tot de inzet van een niet-opsporingsambtenaar bij de opsporing van strafbare feiten op een wijze die niet is voorzien in het Wetboek van Strafvordering. Dit is verder niet gepaard gegaan met een schriftelijke vastlegging van hetgeen van de dierenarts werd verlangd en de voorwaarden waaronder de bijstand aan de opsporing werd verleend. Evenmin is gebleken van controle anderszins door het OM op de wijze waarop de dierenarts is ingezet. Op grond van de vooronderstelde deskundigheid ter zake van het nemen van monsters, heeft de dierenarts de vrije hand gekregen om heimelijk zijn werkzaamheden te verrichten ten dienste van de opsporing.

8 Verdachte [medeverdachte 1] was gehouden om de dierenarts [getuige 1] als toezichthouder toe te laten tot zijn bedrijf. Voor zover de dierenarts tegelijkertijd werd ingeschakeld ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten, is er een situatie ontstaan dat [medeverdachte 1] door de verplichte toelating van de toezichthouder tevens gedwongen is mee te werken aan zijn strafrechtelijke vervolging.

9 Het heimelijke karakter van de gevraagde opsporingshandelingen zorgde verder voor een extra druk bij de uitvoering ervan. De regelmatig onoverzichtelijke omstandigheden in de slachterij, zoals daarover ook is verklaard door de dierenarts [getuige 1] verhoogden het risico op fouten en onzorgvuldigheden. De opsporingsverrichtingen van [getuige 1] zijn op dit punt echter niet te beoordelen, door de wijze van werken in dit geval. De verdediging is hierdoor ernstig benadeeld.

10. De rechtbank acht in dit verband verder van belang dat de heimelijke monsterneming door de dierenarts in belangrijke mate bepalend is geweest voor de beslissing tot vervolging van verdachte voor de thans tenlastegelegde feiten. Uit de verklaring van de officier van justitie blijkt immers dat het OM op basis van de resultaten van het onderzoek uit 2006 (nog) geen reden zag om jegens verdachte [medeverdachte 1] in te grijpen. Er waren op dat moment al wel verdenkingen wegens overtredingen van de Destructiewet, de Regeling vleeskeuring en (vanaf september 2006) ook wegens overtreding van artikel 174 Sr, maar ook na de verklaringen van de ex-werknemer van Porkland van begin 2007 zag het OM nog onvoldoende grond tot onmiddellijk ingrijpen. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat een doorzoeking vóór de inzet van de dierenarts alleen zou hebben plaatsgehad in het kader van de Destructiewet en de Regeling vleeskeuring. Er bestond op dat moment namelijk onvoldoende verdenking met betrekking tot de overtreding van artikel 174 Sr. Met andere woorden: de inzet van de dierenarts, in de periode van mei en juni 2007, was nodig om de strafzaak in de aan de rechtbank voorgelegde omvang “vlot te trekken”.

11. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige, niet te repareren schending van beginselen van behoorlijk procesrecht, niet zonder gevolgen mag blijven voor de beoordeling van de zaak. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat die gevolgen niet zover dienen te strekken dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte.

12. Niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

13. Bij haar oordeel dat het verweer niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging acht de rechtbank van belang dat het handelen van verdachte gedurende het onderzoek niet mede is bepaald door de inzet van de dierenarts in de opsporing en dat ook ander bewijs is aangedragen ter ondersteuning van de verdenking van overtreding van artikel 174 Sr, dat los van de gewraakte monsterneming is verkregen. De vervolging rust derhalve niet uitsluitend op de gewraakte inzet van de dierenarts.

Verder moet in aanmerking worden genomen dat de onrechtmatige inzet van een niet-opsporingsambtenaar hier heeft plaatsgehad op het grensvlak van toezicht en opsporing. De toezichthoudend dierenarts is in het kader van zijn toezichthoudende taak bevoegd tot het nemen van monsters ter uitvoering van zijn toezichthoudende taak en het was goed voorstelbaar geweest dat de VWA onder omstandigheden eigener beweging voor een dergelijk controlemiddel had gekozen. De daaruit verkregen resultaten zouden dan in beginsel ook beschikbaar zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat in dit geval sprake is geweest van een aan het OM toe te rekenen verkeerde beoordeling van diens inzet, zonder dat op enigerlei wijze sprake is geweest van kwade opzet.

14. Voor wat betreft het door de verdediging geuite verwijt dat is gehandeld in strijd met het doorlaatverbod zoals neergelegd in artikel 126 ff Sv door, gegeven de bestaande verdenkingen in de periode van augustus 2006 tot en met maart 2007 en daarna, niet eerder over te gaan tot inbeslagneming van vlees dat schadelijk zou zijn voor de volksgezondheid, merkt de rechtbank allereerst op dat de eventuele schending van dit verbod niet de belangen van de verdachte raakt. Verder is het aan opsporingsambtenaren en het OM om te beoordelen in hoeverre er een zodanige verdenking bestaat dat tot strafvorderlijk ingrijpen kan worden overgegaan. Het tijdstip en de wijze waarop in dit geval tot ingrijpen is overgegaan is door AID en de officier van justitie in nauw overleg bepaald. Hiervóór is reeds aangegeven dat de verdenking ter zake van het overtreden van artikel 174 Sr in dit geval lastig hard te maken was. Zowel het belang van verdachte als het belang van de volksgezondheid zijn daarbij gediend door zorgvuldig onderzoek naar mogelijke overtredingen. Gegeven de feiten en omstandigheden zoals hierboven uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat sprake is geweest van het bewust en in strijd met een verplichting tot inbeslagname op de markt laten komen van schadelijk vlees.

15. Een en ander in ogenschouw genomen, moet bij de afweging van het belang van de maatschappij bij vervolging en berechting van verdachte in deze strafzaak enerzijds en het belang van de verdediging bij volledig rechtmatig en behoorlijk optreden van politie en justitie anderzijds, voorrang worden gegeven aan het belang van het OM bij vervolging van een ernstig feit als overtreding van artikel 174 Sr.

4. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

- bepaalt dat het onderzoek van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen terechtzitting;

- beveelt de oproeping van verdachte tegen de nadere terechtzitting, met afschrift aan de raadsman.

Deze beslissing is gegeven door mr. Sinack, voorzitter, mrs. Reinarz en Schröder, rechters, in tegenwoordigheid van Francke en mr. De Jonge, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juli 2009.

Mr. Schröder is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.