Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ1812

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
62113/ HA ZA 08-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser] is in verband met zijn werk gedetacheerd in Dubai. In Nederland heeft hij geen andere woon- of verblijfplaats dan de woning aan de [adres] te Domburg, gemeente Veere, hierna: de woning, waarvan hij sinds oktober 1999 eigenaar is.

Op 17 december 1998 is door de gemeente de Gebruiksverordening tweede woningen Veere, hierna: de Verordening, vastgesteld. Deze Verordening is onder meer van toepassing verklaard op de kern van Domburg, waar de woning zich bevindt.

De Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2. Verbodsbepaling

Het is de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

Onder het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken van een tot bewoning bestemd gebouw als tweede woning, wordt in elk geval verstaan het beschikbaar hebben of houden van zodanig gebouw ten behoeve van zichzelf of van een ander, zonder dat hij of die ander zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft en er een redelijke termijn is verstreken, na welke het beschikbaar hebben of houden niet meer geacht kan worden te geschieden met het doel het gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als hoofdverblijf.

Als criterium voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in een gebouw heeft geldt of hij of een ander gedurende een aaneengesloten periode van 180 dagen ten minste 2/3 van die tijd zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft.”

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van de gemeente tot betaling van

€ 27.173,41 vermeerderd met wettelijke rente. Hij stelt daartoe dat de gemeente ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op betaling van dwangsommen voor iedere keer dat zij bewoning van de woning heeft geconstateerd. Bewoning van de woning is volgens [eiser] geen overtreding van artikel 2 van de Verordening. Van een overtreding kan naar zijn mening slechts sprake zijn indien die bewoning gedurende een periode van 180 dagen korter is geweest dan 120 dagen. De gemeente was, volgens [eiser], zeer wel op de hoogte van het feit dat hij onder protest betaald heeft gelet op het door hem tegen de besluiten van 19 maart 2003 en 15 juli 2004 aangetekende bezwaar en (hoger) beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

62113 / HA ZA 08-150

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 62113 / HA ZA 08-150

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

[eiser ],

wonende te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),

eiser,

advocaat mr. J. Boogaard,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VEERE,

zetelend te Domburg,

gedaagde,

advocaat mr. U.T. Hoekstra.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 juni 2008

de conclusie van repliek

de conclusie van dupliek

de akte houdende uitlating producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] is in verband met zijn werk gedetacheerd in Dubai. In Nederland heeft hij geen andere woon- of verblijfplaats dan de woning aan de [adres] te Domburg, gemeente Veere, hierna: de woning, waarvan hij sinds oktober 1999 eigenaar is.

Op 17 december 1998 is door de gemeente de Gebruiksverordening tweede woningen Veere, hierna: de Verordening, vastgesteld. Deze Verordening is onder meer van toepassing verklaard op de kern van Domburg, waar de woning zich bevindt.

De Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2. Verbodsbepaling

Het is de rechthebbende op een tot permanente bewoning bestemd gebouw verboden dit gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

Onder het gebruiken, in gebruik geven of laten gebruiken van een tot bewoning bestemd gebouw als tweede woning, wordt in elk geval verstaan het beschikbaar hebben of houden van zodanig gebouw ten behoeve van zichzelf of van een ander, zonder dat hij of die ander zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft en er een redelijke termijn is verstreken, na welke het beschikbaar hebben of houden niet meer geacht kan worden te geschieden met het doel het gebouw te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als hoofdverblijf.

Als criterium voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in een gebouw heeft geldt of hij of een ander gedurende een aaneengesloten periode van 180 dagen ten minste 2/3 van die tijd zijn hoofdverblijf in dat gebouw heeft.”

Bij besluit d.d. 19 maart 2003 heeft de gemeente [eiser] aangeschreven de woning niet langer in strijd met artikel 2 van de Verordening te gebruiken. Voor iedere geconstateerde overtreding van artikel 2 is [eiser] een dwangsom aangezegd van € 113,45 per dag met een maximum van € 13.613,41. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. Het daartegen bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank ingestelde beroep is bij uitspraak d.d. 17 februari 2004 ongegrond verklaard. Het door [eiser] ingestelde hoger beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is ongegrond verklaard.

Nadat het maximum bedrag aan dwangsommen volgens het besluit d.d. 19 maart 2003 was verbeurd, heeft B&W van de gemeente op 15 juli 2004 een nieuw besluit tot oplegging van een last onder dwangsom genomen, waarbij het maximaal te verbeuren bedrag op € 30.000,-- werd gesteld. [eiser] heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen dit besluit. Zowel het bezwaar als het beroep werd ongegrond verklaard.

De gemeente heeft over de periode maart 2003 tot en met oktober 2007 ter zake verbeurde dwangsommen betaling verlangd van een totaalbedrag van € 27.173,41. Dit bedrag is door [eiser] (in gedeelten) aan de gemeente betaald.

Het geschil

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van de gemeente tot betaling van

€ 27.173,41 vermeerderd met wettelijke rente. Hij stelt daartoe dat de gemeente ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op betaling van dwangsommen voor iedere keer dat zij bewoning van de woning heeft geconstateerd. Bewoning van de woning is volgens [eiser] geen overtreding van artikel 2 van de Verordening. Van een overtreding kan naar zijn mening slechts sprake zijn indien die bewoning gedurende een periode van 180 dagen korter is geweest dan 120 dagen. De gemeente was, volgens [eiser], zeer wel op de hoogte van het feit dat hij onder protest betaald heeft gelet op het door hem tegen de besluiten van 19 maart 2003 en 15 juli 2004 aangetekende bezwaar en (hoger) beroep.

De gemeente voert verweer. Zij stelt dat nu vast staat dat [eiser] reeds vanaf het moment dat hij eigenaar is van de woning in strijd met artikel 2 van de Verordening handelt, het geconstateerde gebruik te kwalificeren is als gebruik als tweede woning. De gemeente is dan ook van mening dat zij telkens wanneer zij bewoning constateerde terecht een dwangsom heeft opgelegd. Zij betwist de dat er sprake is geweest van onverschuldigde betaling door [eiser]. Tenslotte betwist zij de ingangsdatum van de mede gevorderde wettelijke rente.

De beoordeling

In de dwangsombesluiten (met inmiddels formele rechtskracht) wordt bepaald dat voor iedere geconstateerde overtreding (besluit 19/3/03) c.q. per geconstateerde overtreding van artikel 2 van de Verordening (besluit 15/15 juli 2005) een dwangsom is verbeurd van

€ 113,45 c.q. € 113,--per dag. In beide besluiten is gelast de woning niet langer te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken als tweede woning.

In casu dient de vraag te worden beantwoord op welke wijze de gemeente een overtreding kon constateren, waardoor een dwangsom werd verbeurd.

4.2.1. Een geconstateerde overtreding diende in te houden gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken in strijd met artikel 2 van de Verordening. Vast staat tussen partijen dat [eiser] in de periode waarin de diverse dwangsommen zijn verbeurd, de woning als tweede woning – in de zin van de Verordening – gebruikte. [eiser] erkent dat en het blijkt ook uit de rechtstrijd die hij tot op heden tegen de dwangsombesluiten heeft gevoerd.

Het is dan voor vaststelling van een overtreding niet meer nodig (ook nog) vast te stellen of iemand wel of niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Artikel 2, leden 2 en 3 van de Verordening licht toe wanneer “in ieder geval” sprake is van gebruik als tweede woning. Dat betekent dat ook op andere wijze van dat gebruik sprake kan zijn, bijvoorbeeld wanneer -zoals in dit geval- dat gebruik wordt erkend.

4.2.2. Met het vaststaande gebruik als tweede woning is er echter nog onvoldoende grond voor inning van dwangsommen. Voor de verbeurte van een dwangsom diende er – blijkens de dwangsombesluiten – sprake te zijn van een “geconstateerde overtreding”. Dat is meer dan een door [eiser] erkende overtreding. De gemeente diende dus wel iets feitelijks te constateren, namelijk daadwerkelijk gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken door [eiser]. Gelet op de vaststaande omstandigheid dat het gebruik van de woning (onbetwist) als tweede woning plaats vond, was er bij elke feitelijke constatering van gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken, sprake van een situatie als in de dwangsombesluiten bedoeld, en verbeurde [eiser] een dwangsom.

4.2.3. Als de gemeente constateerde dat er niemand in de woning was, kon niet van gebruik, in gebruik geven of laten gebruiken worden gesproken. Dat wil niet zeggen dat art. 2 van de Verordening niet werd overtreden, het betekende slechts dat een overtreding niet kon worden geconstateerd, en dat om die reden geen dwangsom werd verbeurd.

4.3. Uit het vorenstaande – en in aanmerking nemend dat [eiser] de diverse feitelijke constateringen, die de gemeente aan de opvordering van de dwangsommen heeft ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist – blijkt dat de gemeente op goede gronden de dwangsommen heeft geïnd. Van onverschuldigde betaling is dan ook geen sprake.

4.4. Gelet op het vorenstaande zal het gevorderde worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 1.158,-- wegens procureurssalaris (2 punten x tarief € 579,--) en € 600,-- wegens griffierecht.

De beslissing

De rechtbank

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.758,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.