Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ1369

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
02-07-2009
Zaaknummer
62271 HA ZA 08-163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De feiten

Essent Energie Productie B.V., hierna: Essent, heeft als opdrachtgever de opdracht genaamd “Aanneming Handling Brand- Hulp en Reststoffen” aanbesteed. Deze opdracht is op 19 februari 2007 aangekondigd en het betreffende bestek is op de markt gebracht.

Eiseres heeft op 18 juni 2007 ingeschreven op de aanbesteding. Bijlage E van die inschrijving vermeldt: “Aanbieding is gebaseerd op het gebruik van een nieuwe overslagkraan.”

Essent heeft bij brief d.d. 6 september 2007 aan [ eiseres] bericht dat de opdracht niet aan haar zal worden gegund. Hierop heeft [ eiseres] zich tot [gedaagde 1] gewend voor juridisch advies.

[gedaagde 1] heeft namens [ eiseres] bij brieven d.d. 11 en 17 september 2007 aan Essent uitleg gevraagd, bezwaar gemaakt en herbeoordeling verzocht. Begin oktober 2007 heeft hij een verzoekschrift strekkende tot een voorlopig deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank Arnhem, welk verzoek bij beschikking d.d. 26 november 2007 is afgewezen.

Het geschil

Eiseres vordert samengevat - ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2 een verklaring voor recht dat zij toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verbintenissen jegens eiseres en jegens haar wanprestatie hebben gepleegd, dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens eiseres voor de door haar geleden en nog te lijden schade en de wettelijke rente daarover en hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en de wettelijke rente daarover. Ten aanzien van de overige gedaagden vordert eiseres hen te veroordelen ieder voor gelijke delen schadevergoeding en wettelijke rente daarover te betalen.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingen speciale sectoren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

62271 / HA ZA 08-163

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 62271 / HA ZA 08-163

Vonnis van 11 februari 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMINGS- EN VERHUURBEDRIJF [bedrijfsnaam] B.V.,

gevestigd te 's-Heerenhoek,

eiseres,

procureur mr. J. Boogaard,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Middelburg,

2. de maatschap naar burgerlijk recht

ADRIAANSE & VAN DER WEEL,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JPMI NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KVASIR B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Terneuzen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UTH PRAKTIJK B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TULP B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE KUPER A.D. 1655 B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOEWOO B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Terneuzen,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINEA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VÄSTRA SILEN B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Vlissingen,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PANOPLIA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Middelburg,

gedaagden,

advocaat mr. L.C. van den Berg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [ eiseres], de maatschap en [gedaagde 1] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 25 juni 2008

het proces-verbaal van comparitie van 20 november 2008, de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s en de conclusie ter comparitie die voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingediend.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Essent Energie Productie B.V., hierna: Essent, heeft als opdrachtgever de opdracht genaamd “Aanneming Handling Brand- Hulp en Reststoffen” aanbesteed. Deze opdracht is op 19 februari 2007 aangekondigd en het betreffende bestek is op de markt gebracht.

Voor zover van belang luidt de aankondiging als volgt:

“II.1.5 in de onderhavige procedure wordt de uitvoering van het lossen en op-, overslaan van de brand- en hulpstoffen en het op-, overslaan van de reststoffen onderscheiden:

Bedienen assets voor los, op- en overslag activiteiten;

Bedienen en bewaken transportsysteem;

Bedienen rollend materieel (zoals bobcats);

Verladen bouwgrondstoffen middels trucks;

Het rapporteren van de aan handling gerelateerde data in SAP en Excel (evenals data gerelateerd aan monstername en ijking van brandstoffen);

Het verzorgen van de planningen (zoals o.a. de losplanning);

Het uitvoeren van dagelijks kleinschalig onderhoud (zoals het smeren van transportbanden).”

De uitnodiging om een offerte in te dienen genaamd “Request for proposal”, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“4.4.1 Termijnen voor indienen & geldigheid Offertes

(…)

De Offerte zal slechts geldig zijn indien alle bijlagen volledig ingevuld door de Inschrijver worden ingediend, ten laatste op 19 juni 2007, om 17.00 u.

(…)”

Het bestek luidt, voor zover van belang, als volgt:

“6.1. Werkzaamheden t.b.v. het lossen van kolen bestaan in detail uit

(…)

* Het bedienen van de twee aanwezige loskranen incl. alle kolen transportinstallaties nodig voor het vullen van de kolendagbunkers;

(…)”

De aanbesteding betreft een onderhandelingsprocedure waarop het Besluit Aanbesteding Speciale Sectoren, hierna BASS, van toepassing is.

[ eiseres] heeft op 18 juni 2007 ingeschreven op de aanbesteding. Bijlage E van die inschrijving vermeldt: “Aanbieding is gebaseerd op het gebruik van een nieuwe overslagkraan.”

Essent heeft bij brief d.d. 6 september 2007 aan [ eiseres] bericht dat de opdracht niet aan haar zal worden gegund. Hierop heeft [ eiseres] zich tot [gedaagde 1] gewend voor juridisch advies.

[gedaagde 1] heeft namens [ eiseres] bij brieven d.d. 11 en 17 september 2007 aan Essent uitleg gevraagd, bezwaar gemaakt en herbeoordeling verzocht. Begin oktober 2007 heeft hij een verzoekschrift strekkende tot een voorlopig deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank Arnhem, welk verzoek bij beschikking d.d. 26 november 2007 is afgewezen.

Essent heeft zich in een bespreking op 1 november 2007 met [ eiseres] en [gedaagde 1] op het standpunt gesteld dat de aanbieding van [ eiseres] ongeldig is en zulks bevestigd en nader toegelicht bij brief d.d. 9 november 2007.

Het geschil

[ eiseres] vordert samengevat - ten aanzien van gedaagden sub 1 en 2 een verklaring voor recht dat zij toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verbintenissen jegens [ eiseres] en jegens haar wanprestatie hebben gepleegd, dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [ eiseres] voor de door haar geleden en nog te lijden schade en de wettelijke rente daarover en hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en de wettelijke rente daarover. Ten aanzien van de overige gedaagden vordert [ eiseres] hen te veroordelen ieder voor gelijke delen schadevergoeding en wettelijke rente daarover te betalen.

[ eiseres] betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de maatschap. Verder stelt zij dat [gedaagde 1] heeft verzuimd vóór het verstrijken van de Alcateltermijn namens haar aan Essent mee te delen dat tegen het besluit van Essent zoals verwoord in de brief d.d. 6 september 2007 een rechtsmiddel zal worden aangewend en hem ook niet heeft gewezen op de gevolgen van het ongebruikt laten verstrijken van deze termijn. In een eventuele bodemprocedure van [ eiseres] jegens Essent zal [ eiseres] terecht worden verweten dat door haar niet tijdig een kort geding aanhangig is gemaakt. Volgens [ eiseres] heeft [gedaagde 1] door deze handelswijze niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. [ eiseres] is van mening dat haar inschrijving geldig en volledig is en dat in een kort geding procedure één of meerdere van haar vorderingen zouden zijn toegewezen.

De maatschap voert verweer. Zij stelt dat [ eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen voor zover ze tegen [gedaagde 1] zijn gericht, nu de betreffende opdracht tot stand is gekomen tussen [ eiseres] en de maatschap en niet tussen [ eiseres] en [gedaagde 1]. De maatschap verwijst daarbij naar artikel 2 van haar algemene voorwaarden, die volgens haar van toepassing zijn.

Zij stelt voorts dat de beslissing om geen kort geding op te starten een juiste beslissing was die door [ eiseres] welingelicht is genomen. Het voeren van een kort geding zou volgens de maatschap een zinloze stap zijn geweest, nu de inschrijving van [ eiseres] ongeldig was.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [ eiseres] voor zover het de tegen [gedaagde 1] gerichte vorderingen betreft overweegt de rechtbank het volgende. De maatschap heeft onweersproken gesteld dat [ eiseres] vaste cliënt van haar was en bekend was met haar algemene voorwaarden. Voorts staat als onweersproken vast dat de betreffende voorwaarden zijn afgedrukt op de achterzijde van het briefpapier dat de maatschap hanteert en dat daarnaar op de voorzijde van dat briefpapier wordt verwezen. Door [ eiseres] is bovendien onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en zij geeft in haar conclusie ter comparitie aan dat de overeenkomst van opdracht tussen haar en de maatschap door erkenning in paragraaf 29 van de conclusie van antwoord vast staat. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de algemene voorwaarden van de Maatschap van toepassing zijn. Nu artikel 2 van die algemene voorwaarden uitdrukkelijk bepaalt dat opdrachten alleen door de maatschap worden aanvaard zal [ eiseres] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen tegen [gedaagde 1].

De aankondiging, het offerteverzoek (de zogenaamde ‘Request for proposal’), en het bestek, bevatten de aan de inschrijving gestelde eisen. In casu zijn door Essent bij haar offerteverzoek d.d. 29 mei 2007 duidelijk de kaders van de aanbesteding geformuleerd. Aangegeven wordt op welke wijze ingeschreven dient te worden en wat de sanctie is als daarvan wordt afgeweken. In het offerteverzoek wordt ondubbelzinnig aangegeven dat de offerte slechts geldig zal zijn als alle bijlagen volledig ingevuld worden ingediend uiterlijk op de aangegeven datum. Gelet op hun stellingen is tussen partijen niet in geschil dat bijlage B bij de offerte niet volledig is ingevuld. Bovendien geeft [ eiseres] in haar brief d.d. 18 juni 2007 zelf aan dat een aantal van de gegevens niet in detail is vermeld. Geconcludeerd kan worden dat [ eiseres] daarmee niet heeft voldaan aan de door Essent voorgeschreven wijze van offreren, op grond waarvan haar offerte terzijde gelegd had dienen te worden.

Daarnaast heeft [ eiseres], anders dan expliciet verzocht, een aanbieding gedaan waarbij de gevraagde dienstverlening wordt uitgevoerd met een haar in eigendom toebehorende kraan. In bijlage E van haar inschrijving vermeldt [ eiseres] dat de aanbieding gebaseerd is op het gebruik van een nieuwe overslagkraan, terwijl in het bestek is gevraagd een aanbieding te doen waarbij de gevraagde dienstverlening moet worden uitgevoerd met twee bij Essent aanwezige loskranen. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen is vermeld in paragraaf 6.1. van het bestek. Ook uit de aankondiging onder II.1.5 blijkt duidelijk dat het gaat om een opdracht waarbij de bij Essent aanwezige assets voor los-, op- en overslagactiviteiten moeten worden bediend.

Nu de aanbieding van Essent niet besteksconform is, dient zij gelet op hetgeen in artikel 2.25.1 ARW 2005 is bepaald, ook op die grond aangemerkt te worden als ongeldig.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aankondiging, het bestek en de offerteaanvraag voldoende duidelijk waren omtrent de betreffende eisen zodat niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van schending van het transparantiebeginsel. Ook van schending van de beginselen van motivering en gelijke behandeling is niet gebleken.

Laatstgenoemd beginsel dat de aanbesteder jegens alle inschrijvers in acht moet nemen verplicht hem zelfs om strikt de hand te houden aan de in het bestek gestelde inhoudelijke eisen.

Uit het vorenstaande volgt dat aan die inhoudelijke eisen door [ eiseres] niet volledig is voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hoogstwaarschijnlijk is dat de voorzieningenrechter, indien door [ eiseres] een kort geding was aangespannen, had geoordeeld dat de inschrijving van [ eiseres] ongeldig was.

Het feit dat geen kort geding aanhangig is gemaakt kan derhalve niet geacht worden nadelig te zijn geweest voor [ eiseres]. De door [ eiseres] aangevoerde grond voor wanprestatie door de maatschap jegens haar wordt dan ook niet aanwezig geacht.

Gelet op het vorenstaande zullen de vorderingen die niet gericht zijn tegen [gedaagde 1] worden afgewezen en behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking.

[ eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [ eiseres] worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris procureur (2 punten x tarief € 452) 904,00

Totaal EUR 1.158,00

De beslissing

De rechtbank

verklaart [ eiseres] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover ze gericht zijn tegen [gedaagde 1];

wijst de overige vorderingen af;

veroordeelt [ eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de maatschap tot op heden begroot op € 1.158,--;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2009.