Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BJ1273

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
47805/ HA ZA 05-228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 1 januari 1998 is de vennootschap onder firma Prestige Pools V.O.F. (verder: Prestige Pools) opgericht. Vennoten waren Holding Haruni B.V. en [ eiser]. Holding Haruni B.V. is een 100% dochtervennootschap van [bedrijf gedaagde1], die tevens haar bestuurder is. [gedaagde 1] en [ gedaagde 2] zijn bestuurders van [ bedrijven gedaagden]. In Prestige Pools werden de activiteiten van de voordien door [ eiser] gevoerde onderneming BluBlue Nederland ondergebracht. Prestige Pools is per 1 juli 2000 opgehe[ bedrijf gedaagden] de hoofdzaak heeft [bedri[ bedrijf gedaagden]] gevorderd dat [ eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 259.274,95 met proceskosten. [ bedrijven gedaagden] heeft in de hoofdzaak gevorderd dat [ eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 81.692,06 met proceskosten.

3.1.3. Volgens [ eiser] heeft de [bedrijf[gedaagden]agden] al vanaf het begin van de samenwerking de administratie naar zich toe getrokken. Zelf heeft hij daar nooit inzicht in gehad. Begin 1999 bleek hem dat [ gedaagden] maandelijks een bedrag van fl. 15.000,-- aan huur aan zichzelf hadden overgemaakt voor het door Prestige Pools betrokken bedrijfspand. Eerder was echter besproken dat fl. 72.000,-- op jaarbasis het maximaal haalbare was. [ gedaagden] weigerden echter mee te werken aan verhuizing naar een goedkoper bedrijfspand. Verder hebben zij maandelijks fl. 2.000,-- overgemaakt ter zake van “aflossing en rente op uitstaande geldlening”, terwijl deze betalingen niet in de vordering zijn verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

47805 / HA ZA 05-228

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 47805 / HA ZA 05-228

Vonnis in vrijwaring van 11 februari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Schoondijke,

eiser,

advocaat mr. C.J. IJdema,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Kaatsheuvel,

2. [gedaagde 2],

wonende te Kaatsheuvel,

gedaagden,

advocaat mr. J. Boogaard.

Partijen zullen hierna [ eiser] respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (samen: [ gedaagden]) genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de conclusie van antwoord in vrijwaring

de conclusie van repliek in vrijwaring

de conclusie van dupliek in vrijwaring.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

1. Op 1 januari 1998 is de vennootschap onder firma Prestige Pools V.O.F. (verder: Prestige Pools) opgericht. Vennoten waren Holding Haruni B.V. en [ eiser]. Holding Haruni B.V. is een 100% dochtervennootschap van [bedrijf gedaagde1], die tevens haar bestuurder is. [gedaagde 1] en [ gedaagde 2] zijn bestuurders van [ bedrijven gedaagden]. In Prestige Pools werden de activiteiten van de voordien door [ eiser] gevoerde onderneming BluBlue Nederland ondergebracht. Prestige Pools is per 1 juli 2000 opgehe[ bedrijf gedaagden] de hoofdzaak heeft [bedri[ bedrijf gedaagden]] onder rolnummer 04-547 gevorderd dat [ eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 259.274,95 met proceskosten. [ bedrijven gedaagden] heeft in de hoofdzaak onder rolnummer 04-548 gevorderd dat [ eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van € 81.692,06 met proceskosten. 2.3. De rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 2008 de onder 2.2. genoemde vorderingen toegewezen.

Het geschil

1. [ eiser] vordert dat [ gedaagden] bij het in de (gevoegde) procedures onder rolnummers 04-547 en 04-548 uit te spreken vonnis hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [ eiser] van hetgeen waartoe [ eiser] bij dat vonnis ten behoeve van [ bedrijven gedaagden] respectievelijk [ bedrijf gedaagden] mocht worden veroordeeld, met hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden] in de kosten van de procedures in hoofdzaak en vrijwaring.

3.1.2. [ eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. De vorderingen in de hoofdzaken hebben betrekking op enerzijds een regresvordering van een bedrag van € 68.067,03 dat [ bedrijven gedaagden] uit hoofde van borgstelling ten behoeve van Prestige Pools heeft uitbetaald (rolnr. 04-548) en anderzijds op een geldlening van [ bedrijf gedaagden] aan [ eiser] van een bedrag van € 181.512,09, één en ander met rente en kosten. [gedaagde 1] en [ gedaagde 2] zijn volgens [ eiser] ieder hoofdelijk gehouden om hem te vrijwaren voor hetgeen hij in de hoofdzaken aan [ bedrijven gedaagden] en/of [ bedrijf gedaagden] mogelijk moet betalen. Zij hebben immers als feitelijk bestuurders van Prestige Pools aanmerkelijke bedragen aan het vennootschapsvermogen onttrokken door overboekingen van niet-verschuldigde huurpenningen en betaling van eigen verplichtingen jegens derden uit het vermogen van Prestige Pools. Voorts zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [ eiser] heeft geleden doordat Prestige Pools door hun toedoen te gronde is gericht.

3.1.3. Volgens [ eiser] heeft de [bedrijf[gedaagden]agden] al vanaf het begin van de samenwerking de administratie naar zich toe getrokken. Zelf heeft hij daar nooit inzicht in gehad. Begin 1999 bleek hem dat [ gedaagden] maandelijks een bedrag van fl. 15.000,-- aan huur aan zichzelf hadden overgemaakt voor het door Prestige Pools betrokken bedrijfspand. Eerder was echter besproken dat fl. 72.000,-- op jaarbasis het maximaal haalbare was. [ gedaagden] weigerden echter mee te werken aan verhuizing naar een goedkoper bedrijfspand. Verder hebben zij maandelijks fl. 2.000,-- overgemaakt ter zake van “aflossing en rente op uitstaande geldlening”, terwijl deze betalingen niet in de vordering zijn verwerkt. Ook hebben [ gedaagden] ten onrechte nota’s van de financieel adviseur van de [bedrijf[gedaagden]agden] ten laste van Prestige Pools gebracht. Prestige Pools heeft +/- fl. 127.000,-- geïnvesteerd in de showroom van Sanitairwereld te Waalwijk, eigendom van [ gedaagden] Daarnaast betaalde zij maandelijks fl. 2.000,-- huur voor deze ruimte. Buiten medeweten van [ eiser] hebben [ gedaagden] Sanitairwereld verkocht en de koopsom behouden. Tenslotte is door toedoen van [ gedaagden] een overname van productiemiddelen van [P] en later de overname van Prestige Pools door [VS] mislukt. Hierdoor is Prestige Pools verloren gegaan.

3.1.4. [ eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn vordering verder naar hetgeen hij in de hoofdzaken als verweer heeft aangevoerd. Dat verweer komt er samengevat op neer dat de borgstelling en de geldlening gezien moeten worden als kapitaalinbreng door de lege vennootschap die de [bedrijf[gedaagden]agden] er in de samenwerking had “tussengeschoven”. Er zijn - voor [ eiser] onbekende – aflossingen op de geldlening gedaan en een deel daarvan is kwijtgescholden. Zolang [ gedaagden] geen rekening en verantwoording afleggen van het door hen gevoerde bestuur en niet meewerken aan het opstellen van een liquidatiebalans, kunnen de verplichtingen over en weer niet worden vastgesteld.

3.2.1. [ gedaagden] stellen – samengevat - dat [ eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering in vrijwaring. De schade waarvan [ eiser] vergoeding vordert is schade van Prestige Pools, die een afgescheiden vermogen had. [ eiser] kan deze schade op grond van het vennootschapcontract niet zonder instemming van zijn medevennoot vorderen. [ gedaagden] betwisten voorts dat zij feitelijk bestuurders van Prestige Pools waren. Zij verwijzen onder meer naar een brief van [ eiser] aan de heer [C] van PWC, waarin [ eiser] op 19 juli 1999 schrijft dat [gedaagden] “alleen optreedt als financier, en in het geheel niet is betrokken bij het besturen van het bedrijf”. Er is aan [ eiser] ook geen rechtsvorm opgedrongen; [ eiser] heeft het v.o.f.-contract bewust ondertekend. [ eiser] leidde de onderneming, had volledig toegang tot de administratie en kon betalingen doen. Niet [ gedaagden] maar [ eiser] is de oorzaak van de uiteindelijke deconfiture van de v.o.f. Onder zijn leiding werd slechts verlies geleden. In verhouding tot de resultaten had [ eiser] een bovenmatig privé-uitgavenpatroon. Het functioneren van [ eiser] veranderde niet nadat was afgesproken dat [gedaagde 1] zich meer met de dagelijkse leiding ging bemoeien. Ook pogingen om [ gedaagde 2] zich meer met de facturering te bemoeien, zijn mislukt. Een afgesproken controle op de administratie (door de hee[L] is beëindigd omdat [ eiser] de afspraken schond.

3.2.2. [ gedaagden] betwisten dat er niet-verschuldigde huurpenningen zijn betaald. De hoogte van de huur was normaal en is op advies van [ eiser] tot stand gekomen. Het pand en de grond waren eigendom van [ gedaagde 2] en R.J.C. [gedaagden]. [gedaagde 1] kan dus niet als verhuurder worden aangemerkt en heeft ook geen huur ontvangen. De mede-vennoot van [ eiser] was het niet eens met zijn voorstel om te verhuizen. Deze ondernemerskeuze is niet onrechtmatig. Dit geldt ook voor de beslissingen ten aanzien van [P] en [VS]. [ gedaagden] betwisten voorts dat er ten onrechte rekeningen van de financieel adviseur (Price Waterhouse Coopers) ten laste van de v.o.f. zijn gebracht. [ gedaagden] zijn van mening dat [ eiser] tracht een tegenvordering te creëren om onder zijn verplichtingen uit de borgstelling en geldlening uit te komen. Hij heeft de grondslag van zijn vorderingen echter onvoldoende onderbouwd. 3.2.3. Ook overigens betwisten [ gedaagden] de door [ eiser] gestelde schade. De waarde van de door [ eiser] in de v.o.f. ingebrachte onderneming was zwaar negatief. [ eiser] heeft geen extra financiële injectie gedaan, maar volgens afspraak een bedrag van fl. 198.000,-- ingebracht. In strijd met de afspraken heeft hij dit aan een bevriende crediteur betaald. De andere vennoot heeft substantieel meer ingebracht. Daarnaast heeft [ bedrijf gedaagden] fl. 400.000,-- in geldleen verstrekt en is [ bedrijven gedaagden] als borg voor fl. 150.000,-- uitgewonnen. [ eiser] heeft zijn schade niet aangetoond. Hij dient zich bovendien voor verhaal tot zijn medevennoot te wenden. Verder beschikte [ eiser] over een lijst om voor een bedrag van € 306.000,-- aan openstaande debiteuren te innen. Indien [ eiser] geen medewerking krijgt bij de afwikkeling van de v.o.f. dient hij een daarop gerichte vordering in te stellen.

3.2.4. Tot slot wijzen [ gedaagden] er nog op dat niet gebleken is dat [ eiser] heeft geweigerd de jaarstukken van de v.o.f. te ondertekenen. [ eiser] beschikt nog steeds over de relevante stukken, maar toont niets aan. [ gedaagden] betwisten dat zij Sanitairwereld buiten medeweten van [ eiser] om hebben verkocht of koopsommen onrechtmatig hebben behouden. Het is onjuist en onlogisch dat [ gedaagden] Prestige Pools, waarvan [ bedrijven gedaagden] bestuurder was en Holding Haruni vennoot, te gronde hebben gericht.

De beoordeling

De rechtbank passeert het verweer van [ gedaagden] dat [ eiser] niet ontvankelijk zou zijn. De vordering in vrijwaring strekt niet tot vergoeding van schade van Prestige Pools, maar van [ eiser] zelf. De afspraken zoals neergelegd in het vennootschapscontract met Holding Haruni, staan er dus niet aan in de weg dat [ eiser] deze vordering zelfstandig instelt. 4.2. Voor toewijzing van de vordering van [ eiser] dient in deze vrijwaringsprocedure vast te staan dat [ gedaagden] krachtens hun rechtsverhouding tot [ eiser] verplicht zijn de nadelige gevolgen van de veroordeling van [ eiser] in de hoofdzaken te dragen. Het verwijt van [ eiser] dat [ gedaagden] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, leidt - ook indien dit verwijt terecht blijkt te zijn - niet zondermeer tot die conclusie. De gestelde onrechtmatige gedragingen dienen ten minste in voldoende oorzakelijk verband te staan met feiten waarop de veroordeling in de hoofdzaken rust. 4.2. De vordering in de hoofdzaak met nummer 04-547 betreft een vordering van [ bedrijf gedaagden] op [ eiser] uit hoofde van geldlening. De rechtbank is bij de toewijzing van deze vordering voorbijgegaan aan de verweren van [ eiser] dat de geldlening feitelijk kapitaalinbreng van Holding Haruni in de v.o.f. was en dat [gedaagden]een deel van) de schuld zou hebben kwijtgescholden. Dat oordeel is in deze vrijwaringsprocedure niet anders. Het betreft hier dus een rechtstreekse vordering van [ bedrijf gedaagden] op [ eiser] in privé en niet een vordering op [ eiser] als vennoot van Prestige Pools. Ook al zou komen vast te staan dat [ gedaagden] – zoals [ eiser] stelt – onrechtmatig hebben gehandeld als feitelijk leidinggevenden van Prestige Pools, waardoor [ eiser] zich uiteindelijk gefronteerd heeft gezien met de schulden van die v.o.f., volgt daaruit nog niet dat [ gedaagden] de schuld van [ eiser] uit de overeenkomst van geldlening voor hun rekening zouden moeten nemen. Voor zover er al een verband tussen het een en het ander kan worden aangenomen – [ eiser] heeft daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld – is dat verband zo ver verwijderd dat dit niet tot het oordeel kan leiden dat [ gedaagden] [ eiser] voor de vordering in de hoofdzaak dienen te vrijwaren. 4.3. De vordering in de hoofdzaak met nummer 04-548 betreft wel een vordering op [ eiser] als vennoot van Prestige Pools. Het betreft hier een schuld van Prestige Pools aan de Rabobank (uit hoofde van een in 1998 gesloten overeenkomst van geldlening), waarvoor [ bedrijven gedaagden] borg stond. Ook hier heeft de rechtbank in de hoofdzaak het verweer van [ eiser] verworpen dat de betaling door [ bedrijven gedaagden] als kapitaalinbreng van Holding Haruni moet worden beschouwd. Daarmee staat vast dat Prestige Pools jegens [ bedrijven gedaagden] gehouden was tot terugbetaling. De rechtbank is echter van oordeel dat ook voor wat betreft deze vordering in vrijwaring onvoldoende oorzakelijk verband aanwezig is.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [ eiser] aldus, dat de gestelde onrechtmatige gedragingen van [ gedaagden] er volgens hem toe hebben geleid dat Prestige Pools haar betalingsverplichtingen niet (meer) kon nakomen, waardoor de schulden – waaronder die aan de Rabobank - uiteindelijk voor zijn rekening zijn gekomen. Ook indien er door toedoen van [ gedaagden] bij de bedrijfsbeëindiging van Prestige Pools een schuldenlast is ontstaan die voor rekening van [ eiser] is gekomen, brengt dat nog niet mee dat [ gedaagden] ook verantwoordelijk zijn voor het onbetaald laten van specifiek deze schuld aan de Rabobank. Volgens [ eiser] werden er vanuit Prestige Pools wel degelijk betalingen aan derden verricht (huur, nota’s financieel adviseur, leveranciers). Uit de stellingen van [ eiser] volgt niet op welke wijze [ gedaagden] ervoor hebben gezorgd dat Prestige Pools heeft nagelaten om juist de vordering van de Rabobank te voldoen. Het had op de weg van [ eiser] gelegen dit (nader) met feiten te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten, kan niet worden geconcludeerd dat [ gedaagden] krachtens hun rechtsverhouding tot [ eiser] verplicht zijn de nadelige gevolgen van de veroordeling van [ eiser] in de hoofdzaak te dragen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in vrijwaring zal worden afgewezen. [ eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [ gedaagden] worden begroot op:

- vastrecht € 4.587,--

- salaris advocaat € 4.000,-- (2 x tarief € 2.000,--)

Totaal € 8.587,--

De beslissing

De rechtbank: - wijst de vordering van [ eiser] af; - veroordeelt [ eiser] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [ gedaagden] tot aan dit moment worden begroot op € 8.587,-- .

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2009.