Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI6388

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
65540/ KG ZA 08-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

[eiseres] is sinds 2000 eigenaresse van het perceel met woning, erf en tuin gelegen te Zuidzande aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Oostburg sectie [kadastraal nummer].

[gedaagde] is eigenaar en bewoner van het naastgelegen perceel met woning, erf en tuin gelegen aan de [adres twee] te Zuidzande, kadastraal bekend gemeente Oostburg sectie [kadastraal nummertwee].

Tot enkele maanden geleden woonden de ouders van [eiseres] in de woning van [eiseres] aan de [adres], zulks op basis van een recht van gebruik en bewoning.

Tot de door [gedaagde] in 2003 verrichte verbouwingswerkzaamheden was sprake van een doorgang tussen de woningen [adres twee] en [adres drie]. Deze doorgang werd begrensd door een muur en een voor- en achterpoort. Deze doorgang is ten gevolge van de door [gedaagde] in 2003 verrichte verbouwingswerkzaamheden afgesloten. [gedaagde] heeft de aanwezige scheidingsmuur opnieuw opgetrokken en aan de voor- en achterzijde afsluitbare deuren geplaatst.

[gedaagde] heeft de ouders van [eiseres] gedurende de periode dat zij de woning aan de [adres] bewoonden in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de doorgang, zodat zij hun vuilcontainer aan de openbare weg konden zetten. [gedaagde] heeft de ouders van [eiseres] daartoe de sleutel van zijn woning gegeven.

Sedert het vertrek van de ouders van [eiseres] uit de woning, weigert [gedaagde] zijn medewerking te verlenen aan een dergelijk gebruik van de doorgang van zijn woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer / rolnummer: 65540 / KG ZA 08-226

Vonnis van 13 januari 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Cadzand, gemeente Sluis,

eiseres,

advocaat: mr. J.J. Brugge,

tegen

[gedaagde],

wonende te Zuidzande, gemeente Sluis,

gedaagde,

advocaat: mr. B.J. van de Wijnckel.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties;

de conclusie van antwoord;

de per telefaxbericht d.d. 5 januari 2009 zijdens [eiseres] in het geding gebrachte producties;

de mondelinge behandeling van 6 januari 2009 ter gelegenheid waarvan zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten;

de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de zijde van [eiseres] overgelegde productie.

De feiten

2.1. [eiseres] is sinds 2000 eigenaresse van het perceel met woning, erf en tuin gelegen te Zuidzande aan de [adres], kadastraal bekend gemeente Oostburg sectie [kadastraal nummer].

2.2. [gedaagde] is eigenaar en bewoner van het naastgelegen perceel met woning, erf en tuin gelegen aan de [adres twee] te Zuidzande, kadastraal bekend gemeente Oostburg sectie [kadastraal nummertwee].

2.3. Tot enkele maanden geleden woonden de ouders van [eiseres] in de woning van [eiseres] aan de [adres], zulks op basis van een recht van gebruik en bewoning.

2.4. Krachtens notariële akte d.d. 22 september 1926 is de navolgende erfdienstbaarheid gevestigd:

“Ten behoeve van het door den comparant […] bij deze akte gekochte, en ten laste van het aan den comparant […] verblijvende deel van gemeld kadastraal perceel nummer [kadastraal nummer 3], wordt gevestigd de eeuwigdurende erfdienstbaarheid om niet van recht van voetpad en doorgang – ook met een kruiwagen – van- en naar den weg, door den poort ter breedte van een Meter, langs Zuidoostzijde van het op laatstgemeld kadastraal perceel van den comparant […] staande huis, en verder over diens erf naar den eigendom des koopers.”

2.5. Bij aanvraag d.d. 15 april 2003 heeft [gedaagde] een bouwvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van enige verbouwingswerkzaamheden aan zijn woning, welke vergunning op 13 mei 2003 is verleend. Kort daarna zijn de verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd.

2.6. Tot de door [gedaagde] in 2003 verrichte verbouwingswerkzaamheden was sprake van een doorgang tussen de woningen [adres twee] en [adres drie]. Deze doorgang werd begrensd door een muur en een voor- en achterpoort. Deze doorgang is ten gevolge van de door [gedaagde] in 2003 verrichte verbouwingswerkzaamheden afgesloten. [gedaagde] heeft de aanwezige scheidingsmuur opnieuw opgetrokken en aan de voor- en achterzijde afsluitbare deuren geplaatst.

2.7. [gedaagde] heeft de ouders van [eiseres] gedurende de periode dat zij de woning aan de [adres] bewoonden in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de doorgang, zodat zij hun vuilcontainer aan de openbare weg konden zetten. [gedaagde] heeft de ouders van [eiseres] daartoe de sleutel van zijn woning gegeven.

2.8. Sedert het vertrek van de ouders van [eiseres] uit de woning, weigert [gedaagde] zijn medewerking te verlenen aan een dergelijk gebruik van de doorgang van zijn woning.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot onverkorte naleving van de in 1926 gevestigde erfdienstbaarheid van voetpad en doorgang en aan haar daartoe de sleutels van de voor- en achterdeur in de doorgang ter hand te stellen, op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, te rekenen vanaf acht dagen na onderhavig vonnis en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] het navolgende aangevoerd. In de notariële akte van 22 september 1926 is ten behoeve van het perceel van [eiseres] en ten laste van het preceel van [gedaagde] een erfdienstbaarheid van voetpad en doorgang gevestigd. Ten gevolge van de door [gedaagde] verrichte verbouwingswerkzaamheden maakt de voormalige doorgang thans deel uit van de woning van [gedaagde] en is de doorgang afgesloten. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiseres] door te verhinderen dat [eiseres] en eventuele toekomstige bewoners van het pand gebruik maken van de doorgang.

3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Allereerst betwist hij dat er sprake is van enig spoedeisend belang. Daarnaast stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat niet is komen vast te staan dat het in de notariële akte van 22 september 1926 neergelegde recht van erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van zijn perceel, aangezien in deze akte ‘perceel nummer [kadastraal nummer 3]’ staat vermeld, terwijl zijn perceel van [gedaagde] thans kadastraal bekend is als gemeente Oostburg, sectie [kadastraal nummertwee]. Bovendien is onverkorte naleving van de erfdienstbaarheid al jaren in de praktijk niet mogelijk aangezien er nimmer een doorgang van één meter breed is geweest en er ook geen sprake meer is van een poort en doorgang langs de zuidoostzijde van het huis. De vordering van [eiseres] is erg bezwaarlijk voor [gedaagde], aangezien hij bij toewijzing ervan volledige toegang tot zijn woning zou moeten verschaffen. Ook is het gebruik van de doorgang te belastend geworden, omdat zijn partner aan PTTS lijdt. [eiseres] heeft bovendien geen belang bij naleving van het recht van erfdienstbaarheid, aangezien zij de mogelijkheid heeft de vuilcontainer of met de fiets via haar eigen woning of het gemeentepad naar de openbare weg te gaan.

4. De beoordeling

4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het spoedeisend belang voort uit de aard van de zaak.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiseres] moet worden toegewezen. Uitgangspunt in deze procedure is de rechtsgeldigheid van de erfdienstbaarheid van voetpad en doorgang. Deze is in 1926 door vestiging ontstaan. Namens [gedaagde] is betwist dat dit recht ten laste van het perceel van [gedaagde] zou zijn gevestigd. Ter zitting is echter gebleken dat partijen er zelf van uitgaan dat de erfdienstbaarheid, zoals opgenomen in voornoemde akte, is gevestigd ten behoeve van het perceel van [eiseres] en ten laste van dat van [gedaagde]. Dit wordt nog eens bevestigd door het gegeven dat de doorgang tot het vertrek van de ouders van [eiseres] uit de woning aan de [adres] ook daadwerkelijk werd gebruikt als doorgang naar de openbare weg, zoals bedoeld in genoemde notariële akte en [gedaagde] om zulks na de verbouwingswerkzaamheden mogelijk te maken de ouders van [eiseres] daartoe zijn huissleutel heeft verstrekt. Vooralsnog zal de voorzieningenrechter er dan ook van uit gaan dat de bij notariële akte d.d. 22 september 1926 gevestigde erfdienstbaarheid betrekking heeft op de percelen van partijen. De erfdienstbaarheid geldt, na overdracht, ook thans nog en dient door partijen te worden nageleefd.

4.3. [gedaagde] erkent zijn woning zodanig te hebben verbouwd dat de voormalige doorgang thans deel uitmaakt van zijn woning. De voormalige doorgang is thans de gang in de woning van [gedaagde]. Zowel aan de voor- als van de doorgang zijn afsluitbare deuren geplaatst. Nu [gedaagde] thans weigert door overhandiging van zijn huissleutel [eiseres] toegang te verlenen tot de doorgang, is het voor [eiseres] niet meer mogelijk om de erfdienstbaarheid van voetpad en doorgang feitelijk uit te oefenen op de wijze zoals bepaald in de notariële akte van 22 september 1926. Dit is eigenrichting en niet toegestaan. [gedaagde] zal de Smidt doorgang moeten verlenen.

Toewijzing van de vordering zal bovendien geen onherstelbare schade toebrengen indien in de bodemprocedure anders over de erfdienstbaarheid zou worden geoordeeld.

4.3. De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom aan een maximum verbinden.

4.4. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiseres] worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 85,44

- vast recht € 254,00

- salaris advocaat € 1.054,00

Totaal € 1.393,44.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot onverkorte naleving van de in 1926 gevestigde erfdienstbaarheid van voetpad en doorgang en aan [eiseres] daartoe de sleutels van de voor- en achterdeur in de doorgang ter hand te stellen, op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,--, te rekenen vanaf acht dagen na betekening van dit vonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van De Smith begroot op € 1.393,44;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009