Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI6355

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-06-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
Awb 08/1024
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening kleinschalig kamperen 2008. Begrip bestaande minicamping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/1024

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[Naam],

wonende te Veere,

en

de commanditaire vennootschap De Heksenketel Veere C.V.,

gevestigd te Veere,

eisers,

gemachtigde mr. M.W. Dieleman, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

te Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van 18 september 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 14 april, 29 april, 12 mei en 20 mei 2009, gelijktijdig met een aantal andere beroepszaken tussen partijen, behandeld ter zitting. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. den Boer, M. Dekker, P.S. Kluijfhout, W.J. van Tatenhove en mr. J.C. Waverijn. Het onderzoek is op 2 juni 2009 gesloten.

II. Overwegingen

1. Eisers hebben bij brief van 1 januari 2008 verweerder verzocht om minicamping De Heksenketel op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: de minicamping) aan te merken als een bestaande minicamping in de zin van de Verordening kleinschalig kamperen 2008 (hierna: de Verordening). Daarmee zouden eisers zijn vrijgesteld van het indienen van een aanvraag voor een vergunning per 1 januari 2008 voor kleinschalig kamperen met maximaal 15 standplaatsen in de periode van 1 maart tot 15 november jaarlijks.

2. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft verweerder geweigerd de minicamping aan te merken als een bestaande minicamping als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Verordening.

3. Bij het bestreden besluit is het besluit van 6 mei 2008 gehandhaafd. De verleende ontheffing in 2006 en 2007 voor de minicamping was tijdelijk omdat nog niet was voldaan aan het vereiste van de aanwezigheid van een reëel agrarisch bedrijf. Er kan dan volgens verweerder niet ambtshalve met ingang van 2008 vergunning worden verleend.

4. Deze zaak gaat over de vraag of de minicamping tot 1 januari 2008 wel of niet als een bestaand terrein voor kleinschalig kamperen (ook wel te noemen: bestaande minicamping) is aan te merken.

5. Eisers stellen dat het een bestaande minicamping is waardoor op grond van de Verordening aanspraak bestaat op het ambtshalve verkrijgen van een kampeervergunning. Eisers hebben een fokkerij van Haflinger paarden en er bestaat de wens om een paardenmelkerij te gaan exploiteren. In 2003 waren er in totaal 13 paarden. In 2005 was het bedrijf ook actief. In de jaren 2006 en 2007 was er een paardenfokkerij met 17 paarden. Dat de ontheffing als een tijdelijke ontheffing is verleend om een andere reden dan dat per 1 januari 2008 de Wet op de openluchtrecreactie zou komen te vervallen, is onjuist. Het bestreden besluit is mede gegrond op adviezen van de Agrarische Adviescommissie Zeeland (hierna: AAZ) van 27 oktober 2003 en 26 januari 2005. Bij het opstellen van deze adviezen heeft de AAZ wezenlijke informatie niet in haar overwegingen betrokken. Het bestreden besluit is volgens eisers onzorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering.

6. Verweerder heeft gesteld dat voor 2006 en 2007 ontheffing is verleend in de overtuiging en op basis van het door eisers opgewekte vertrouwen dat de noodzakelijke landbouwschuur voor de feitelijke uitoefening van de hengstenhouderij/paardenfokkerij op het perceel [adres] binnen de periode van de aflopende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, zou worden gebouwd. Op 1 januari 2008 was er geen landbouwschuur en evenmin een exploitatie van een hengstenhouderij/paardenfokkerij. Er was dus geen reëel agrarisch bedrijf. Dit houdt in dat er op 1 januari 2008 sprake was van een niet voltooide nieuwvestiging van een minicamping en er was dan ook geen sprake van een bestaande situatie. Het bouwen van de landbouwschuur om daarin bedrijfsmatig een hengstenhouderij/paardenfokkerij te gaan exploiteren is van essentieel belang omdat er dan sprake zou zijn van een reëel agrarisch bedrijf. De uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf is een basisvoorwaarde voor nieuwvestiging van een minicamping. Volgens verweerder is terecht geen kampeervergunning verleend.

De rechtbank gaat van het volgende uit.

7. Bij brief van 26 juli 2005 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor het houden van een kampeerterrein (minicamping) op het adres [adres]. In de aanvraag is verzocht om voor de periode van 15 maart tot 1 november ontheffing te verlenen voor vijf kampeermiddelen.

8. Op de bij de aanvraag horende vragenlijst uitoefening agrarisch bedrijf is vermeld dat de oppervlakte van het agrarisch bedrijf circa 2,1 hectare is (ter plaatse circa 1,3 hectare en elders circa 0,8 hectare). Op de vragenlijst is als aard van het bedrijf vermeld: hengstenhouderij/paardenfokkerij. Bij aantal stuks vee is vermeld: 17 paarden.

9. Bij besluit van 4 april 2006 is aan eiseres [naam] ontheffing verleend ingevolge artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wet op de openluchtrecreatie (oud) voor het houden van een kampeerterrein ten behoeve van het plaatsen van vijf kampeermiddelen in de onmiddellijke omgeving van het erf van het perceel gelegen aan [adres]. De ontheffing geldt voor de periode van 15 maart tot 1 november gedurende de jaren 2006 en 2007. Bij het besluit is de restrictie gemaakt dat pas van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt als het minicampingterrein is aangelegd en is ingericht overeenkomstig de gewaarmerkte situatietekening.

10. Bij brief van 26 april 2006 heeft verweerder eiseres [naam] geïnformeerd over de fasegewijze intrekking van de Wet op de openluchtrecreatie. In de brief is de volgende passage opgenomen:

Alle verleende vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen blijven tot 1 januari 2008 van kracht, tenzij in de vergunning of ontheffing zelf een andere vervaldatum is aangegeven. Vervalt de vergunning of ontheffing voor 1 januari 2008 dan zal in principe een verlengingsbesluit tot deze datum worden genomen, tenzij er redenen zijn (bijv. niet naleving voorschriften) om anders te beslissen.

11. Op 19 februari 2008 heeft verweerder besloten om alle bestaande minicampings conform de in 2007 vergunde situatie op grond van de Verordening ambtshalve een kampeervergunning tot wederopzegging te verlenen.

12. Bij besluit van 6 mei 2008 heeft verweerder geweigerd de minicamping aan te merken als een bestaande minicamping. Volgens verweerder was de ontheffing voor 2006 en 2007 verleend op basis van en tegen de achtergrond van het advies van de AAZ dat binnen 2 jaar op het perceel [adres] een reëel agrarisch bedrijf zou worden uitgeoefend. In de van de aanvraag deel uitmakende verklaring is aangegeven dat op het perceel [adres] een hengstenhouderij/paardenfokkerij met 17 paarden zal worden gevestigd. Op de bij de aanvraag gevoegde (situatie)tekeningen is aangegeven dat voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf een (historische) landbouwschuur zal worden gebouwd. Voor het bedrijfsmatig kunnen gaan uitoefenen van deze hengstenhouderij/paardenfokkerij is volgens de AAZ de bouw van een landbouwschuur noodzakelijk en pas op dat moment is er sprake van een reëel agrarisch bedrijf en wordt voldaan aan de basisvoorwaarde voor nieuwvestiging van een minicamping

De rechtbank overweegt het volgende.

13. In artikel 1 van de Verordening is een terrein voor kleinschalig kamperen gedefinieerd als een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens de inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

Ingevolge artikel 2, onder a, van de Verordening is het verboden zonder vergunning van het college een kleinschalig kampeerterrein te exploiteren.

Ingevolge artikel 2, onder b, van de Verordening kan het college maximaal 171 vergunningen verlenen voor kleinschalig kamperen met maximaal 15 standplaatsen met ten hoogste 5 stacaravans (peildatum aanwezige stacaravans 1 januari 2008) in de periode van 1 maart tot 15 november jaarlijks.

In artikel 6 van de Verordening – voor zover hier van belang - is bepaald dat de exploitanten van de bestaande terreinen voor kleinschalig kamperen zijn vrijgesteld van het indienen van een aanvraag.

14. De rechtbank stelt vast dat in de Verordening noch in overige stukken tot uitdrukking is gebracht wat onder de begrippen ‘bestaand terrein voor kleinschalig kamperen’ en ‘bestaande minicamping’ moet worden verstaan.

15. Een dragende overweging in het bestreden besluit is dat de voor 2006 en 2007 verleende ontheffing tijdelijk was omdat nog niet was voldaan aan het vereiste van de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf. De rechtbank stelt vast dat dit uit het besluit van 4 april 2006 niet blijkt. Ook de overige stukken bieden hiervoor geen aanknopingspunten. Het lijkt aannemelijk dat het tijdelijke karakter van de ontheffing verband heeft gehouden met het feit dat de Wet op de openluchtrecreatie per 1 januari 2008 is ingetrokken en dat de gemeente Veere met ingang van die datum geacht werd zelf het kampeerbeleid vorm te geven.

16. De rechtbank stelt voorts vast dat in het besluit van 4 april 2006 geen voorwaarden zijn gesteld over de exploitatie van een reëel agrarisch bedrijf in de vorm van een hengstenhouderij/paardenfokkerij dan wel een paardenmelkerij. Evenmin is een voorwaarde gesteld voor het bouwen van een schuur.

17. De stelling van verweerder dat eisers op 1 januari 2008 op de bewuste locatie geen agrarisch bedrijf exploiteerden, is gebaseerd op adviezen van de AAZ en gegevens van een bedrijfscontrole op 14 mei 2007. De rechtbank stelt vast dat de adviezen van de AAZ zijn uitgebracht in het kader van een aanvraag bouwvergunning van eiseres [naam] ten behoeve van de herbouw van een schuur. Gegeven dit kader en gelet op het feit dat de adviezen zijn uitgebracht op 27 oktober 2003 en 26 januari 2005 vormen de adviezen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor het standpunt van verweerder over de feitelijke situatie op 1 januari 2008. Ook de gegevens van de bedrijfscontrole van 14 mei 2007 zijn een onvoldoende onderbouwing aangezien, gelet op de ter zitting van 20 mei 2009 afgelegde verklaring van de betrokken controleur, aannemelijk is dat die controle slechts tot doel had om de bebouwing op het betreffende perceel in beeld te brengen. Dit is gebeurd door rond te lopen zonder dat de controleur de gebouwen is binnengegaan. Tijdens de controle zijn geen vragen gesteld over eventuele agrarische activiteiten, de aanwezigheid van dieren of beschikbare agrarische grond.

18. De aanvraag biedt evenmin een voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder over de exploitatie van een reëel agrarisch bedrijf per 1 januari 2008. Uit de stukken blijkt dat verweerder uit de van de aanvraag deel uitmakende vragenlijst uitoefening agrarisch bedrijf opmaakt dat op het perceel [adres] een hengstenhouderij/paardenfokkerij met 17 paarden zal worden gevestigd. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. In de vragenlijst is slechts de aard van het bedrijf en het aantal stuks vee vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat met genoemde vermeldingen de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag is weergegeven. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de brieven van 11 oktober 2003, 24 oktober 2003 en 21 oktober 2004 van Van Onderdijk Projectmanagement. Deze brieven bevatten gegevens over aard en omvang van het paardenfokbedrijf van eisers en in de brieven wordt ingegaan op de bestaande en toekomstige bedrijfsactiviteiten. Uit de brieven, met in bijlagen gegevens van registratie van paarden bij de Koninklijke Vereniging Het Nederlandse Trekpaard en De Haflinger, blijkt onder meer dat het fokbedrijf van eisers in 2003 over dertien paarden van het ras Haflinger beschikte.

19. In het besluit van 4 april 2006 is geen vervaldatum vermeld zodat de ontheffing geacht moet worden tot 1 januari 2008 van kracht te zijn geweest. De datum 1 november is niet als vervaldatum aan te merken aangezien met de vermelding in de ontheffing van de jaarlijkse periode van 15 maart tot 1 november slechts het kampeerseizoen is aangeduid. Daarvan uitgaande was er tot 1 januari 2008 een bestaand terrein voor kleinschalig kamperen in de zin van de Verordening. Gelet op het besluit van 19 februari 2008 had verweerder conform de in 2007 vergunde situatie op grond van de Verordening ambtshalve met ingang van 1 januari 2008 een kampeervergunning tot wederopzegging moeten verlenen.

20. De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit een onjuiste feitelijke grondslag heeft. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte geen stand. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

21. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Ten aanzien van de zittingen op 14 april, 29 april en 12 mei zal de rechtbank, analoog aan het bepaalde in artikel 8:44, van de Awb, 0,5 punt per zitting toekennen, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht. Voor het indienen van het beroepschrift alsmede het verschijnen ter zitting van 20 mei 2009 zullen 2 punten toegekend worden, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt per punt

€ 322,- vergoed. Dit leidt tot een vergoeding van € 1.127,-.

22. [Naaam] heeft als beherend vennoot van eiseres De Heksenketel een formulier proceskosten overgelegd en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte verletkosten à € 810,- en de door hem betaalde leges in verband met het opvragen van stukken à € 17,-. Gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht de door Van Leeuwen opgegeven kosten voorts niet onredelijk en zal bepalen dat verweerder deze kosten dient te vergoeden. Samen met het onder 21 vastgestelde bedrag komen de proceskosten in totaal op

€ 1.954,-.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit op bezwaar van 18 september 2008;

draagt verweerder op om binnen zes weken na 4 juni 2009 een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak;

bepaalt dat de gemeente Veere aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,-- (tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op

€ 1.954,- (negentienhonderdvierenvijftig euro), te betalen door de gemeente Veere aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en op 4 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 4 juni 2009