Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI5257

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
28-05-2009
Zaaknummer
12/700048-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met voorbedachte raad.

Dat betreft een vorm van criminaliteit, die niet alleen zeer bedreigend en schokkend is voor de aangever, maar bovendien onrust heeft veroorzaakt in de samenleving in het algemeen. Het plan is weloverwogen uitgevoerd, met als gevolg dat de aangever nagenoeg geen enkele kans had zich te verweren. Een dergelijk delict brengt in sterke mate gevoelens van onveiligheid en dreiging teweeg voor een ieder, zeker nu dit geweld heeft plaatsgevonden in de eigen woning laat in de avond. Verder speelt een rol dat verdachte van mening was dat het slachtoffer zich onheus had opgesteld jegens zijn grootouders en dat hij meende voor eigen rechter te kunnen spelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2009, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder met de politie in aanraking is gekomen ter zake van feiten als thans tenlastegelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700048-09 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 mei 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Dordtse Poorten te Dordrecht,

raadsman mr. Bals, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 mei 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Smeenk, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2009, te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud (w.o. een hoeveelheid

(klein)geld en/of een rijbewijs en/of een ID-kaart en/of een Rabobankpas), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s):

- tegen middernacht heeft/hebben aangebeld bij de woning van die [slachtoffer],

en/of

- die [slachtoffer] (hard) de gang van zijn woning heeft/hebben ingeduwd en/of

tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben geslagen en/of omver

heeft/hebben geduwd en/of naar de grond heeft/hebben getrokken waardoor die

[slachtoffer] ten val kwam, en/of

- die [slachtoffer] bij de nek/keel heeft/hebben gepakt en/of in een houdgreep

heeft/hebben genomen en/of gehouden, en/of (daarbij) die [slachtoffer] tegen het

lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, en/of

-die [slachtoffer], terwijl deze werd vastgehouden, heeft/hebben gevraagd wat

zijn pincode is en/of heeft/hebben geroepen: "Je geld, je geld", en/of

- die [slachtoffer] (hard) tegen zijn lichaam heeft/hebben geschopt en/of

getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag/zat,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten heupletsel aan de linkerzijde dat inmiddels circa 4 maanden inmiddels vier maanden duurt en waarvan de genezing nog op zich laat wachten en/of een posttraumatisch stresssyndroom heeft) bekomen;

art 312 lid 2 sub 4 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2009, te Middelburg, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, te weten: [slachtoffer], opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk;

-(hard) de gang van zijn woning heeft/hebben ingeduwd en/of tegen het gezicht

heeft/hebben geslagen en/of omver heeft/hebben geduwd en/of naar de grond

heeft/hebben getrokken waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, en/of

- bij de nek/keel heeft/hebben gepakt en/of in een houdgreep heeft/hebben

genomen en/of gehouden, en/of (daarbij) tegen het lichaam heeft/hebben

geslagen en/of gestompt, en/of

-(hard) tegen zijn lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt, terwijl die

[slachtoffer] op de grond lag/zat, tengevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten heupletsel aan de linkerzijde dat inmiddels circa vier maanden duurt en waarvan de genezing nog op zich laat wachten en/of een posttraumatisch stresssyndroom), althans letsel en/of pijn heeft bekomen;

art 301 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het primair tenlaste gelegde feit

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Naar haar oordeel is sprake van diefstal in vereniging met geweld. Daartoe voert zij aan dat verdachte instemde met het plan om samen met medeverdachte [medeverdachte] (“[medeverdachte]”) en medeverdachte [medeverdachte 2] (“[medeverdachte 2]”) geweld tegen de aangever te gebruiken en dat daarbij de portemonnee van de aangever is gestolen.

4.2 Het standpunt van de raadsman

De raadsman pleit voor vrijspraak van het primaire tenlastegelegde feit en voert aan dat de verdachte niet het opzet en de bedoeling had om de portemonnee van de verdachte te stelen. Het opzet van verdachte had alleen betrekking op het geweld. De verdachte is namelijk pas in contact gekomen met [medeverdachte] en [medeverdachte 2] nadat zij het plan hadden bedacht om geweld te plegen jegens de aangever. Het was alleen de bedoeling van de verdachte om de aangever een lesje te leren. Verdachte heeft evenmin de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] en [medeverdachte 2] de aangever zouden bestelen, aangezien hij niet in de voorfase was betrokken en dus ook niet heeft kunnen overleggen met [medeverdachte] en [medeverdachte 2].

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om het primair tenlastegelegde feit bewezen te achten. Zowel uit het dossier als het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat de verdachte het opzet had om de diefstal te plegen; er blijkt uit dat zijn opzet enkel zag op het geweld. De diefstal die ook is gepleegd dient als een zelfstandig feit te worden beoordeeld en kan juridisch niet gekoppeld worden aan het gepleegde geweld.

De rechtbank spreekt de verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrij.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

4.4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan, naar aanleiding van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging, dat het geweld dat onder meer de verdachte heeft gebruikt, heeft geresulteerd in zwaar lichamelijk letsel bij de aangever, zoals blijkt uit de brieven van de GGD d.d. 6 april 2009 respectievelijk 11 mei 2009. Dit letsel omvat pijn aan de linkerzijde van de heup en een posttraumatisch stress-syndroom.

4.5 Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft gesteld dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, aangezien hier onvoldoende bewijs voor is. De brief van de GGD in Zeeland d.d. 6 april 2009 is enkel een verklaring van hetgeen de huisarts heeft geconstateerd omtrent het posttraumatisch stress-syndroom. Dit is geen deskundigenverklaring en kan derhalve niet onomstotelijk vaststaan of het dit betreffende syndroom betreft. Terzake van de brief van de GGD d.d. 11 mei 2009 stelt de raadsman dat de aangever geen letsel heeft opgelopen aan zijn linkerzijde van de heup.

4.6 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman voor wat betreft het zwaar lichamelijk letsel. Uit de brief van de GGD d.d. 6 april 2009 blijkt dat er bij de aangever geen letsels en afwijkingen zijn geconstateerd. Terzake van het posttraumatische stress-syndroom verwijst de rechtbank naar de brief van de GGD d.d. 11 mei 2009 waaruit blijkt dat de rapporterend deskundige zijn mededeling niet op eigen waarneming grondt maar op schriftelijke informatie van verdachtes huisarts. De rechtbank acht dit echter een te summiere basis om op grond daarvan zwaar lichamelijk letsel bewezen te achten.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

-de aangifte van het slachtoffer ;

-de verklaringen van [medeverdachte] en [medeverdachte 2]

-de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting, waarin hij aangeeft dat hij het slachtoffer heeft geschopt;

4.7 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 januari 2009, te Middelburg, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, een persoon, te weten: [slachtoffer], opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg;

-hard de gang van zijn woning heeft ingeduwd en tegen het gezicht heeft geslagen en heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, en -

bij de nek heeft gepakt en daarbij tegen het lichaam heeft geslagen en gestompt, en -

hard tegen zijn lichaam heeft geschopt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, tengevolge waarvan die [slachtoffer] letsel en pijn heeft bekomen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaren en reclasseringstoezicht. Zij heeft daarbij aangevoerd dat het incident laat in de avond in de woning van de aangever heeft plaatsgevonden.

De aangever heeft letsel aan zijn gezicht en heupklachten overgehouden na de klappen die hij heeft gekregen, met als gevolg dat hij in behandeling is bij een fysiotherapeut. Voorts is de aangever in behandeling bij een psycholoog vanwege (een door de huisarts) geconstateerde posttraumatisch stress-syndroom. Dit gaat gepaard met de angst om naar zijn eigen woning te gaan en überhaupt om op straat te lopen. Verder heeft het incident een zodanige impact gehad op de aangever dat hij bij zijn ouders is gaan wonen en het voornemen heeft zijn woning te verkopen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat bij de straftoemeting rekening dient te worden gehouden met het feit dat de nieuwe regeling ter zake de voorwaardelijke invrijheidstelling inwerking is getreden. Hij pleit voor een werkstraf en reclasseringstoezicht, zodat de verdachte een structurele dagbesteding heeft en kan gaan studeren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met voorbedachte raad.

Dat betreft een vorm van criminaliteit, die niet alleen zeer bedreigend en schokkend is voor de aangever, maar bovendien onrust heeft veroorzaakt in de samenleving in het algemeen. Het plan is weloverwogen uitgevoerd, met als gevolg dat de aangever nagenoeg geen enkele kans had zich te verweren. Een dergelijk delict brengt in sterke mate gevoelens van onveiligheid en dreiging teweeg voor een ieder, zeker nu dit geweld heeft plaatsgevonden in de eigen woning laat in de avond. Verder speelt een rol dat verdachte van mening was dat het slachtoffer zich onheus had opgesteld jegens zijn grootouders en dat hij meende voor eigen rechter te kunnen spelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 februari 2009, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder met de politie in aanraking is gekomen ter zake van feiten als thans tenlastegelegd.

Voor wat betreft het recidivegevaar wordt verwezen naar het Voorlichtingsrapport, d.d. 14 mei 2009 opgesteld door de Reclassering Nederland, waar uit blijkt dat dit matig is. In voornoemd rapport wordt verwezen naar de rapportage van het psychologisch onderzoek afgenomen op 12 november 2008 waarin de diagnose is gesteld dat de verdachte een gebrekkige ontwikkeling heeft van de geestesvermogens in de zin van zowel een zwakke begaafdheid als persoonlijkheidsproblematiek met vooral antisociale kenmerken. De Reclassering stelt ter behandeling van de verdachte voor de deelname aan een traject dat onder andere is gericht op het gedrag van personen met een minder cognitief vermogen alsmede een training dat is gericht op onder andere dagstructuur.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet ruimte een deel daarvan, te weten 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. De rechtbank zal deze verplichte begeleiding als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de straf verbinden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ter zake van het feit schadevergoeding tot een bedrag van € 2.145,76, omvattende € 345,76 aan materiële schade en € 1.800,00 aan immateriële schade (als voorschot), te vermeerderen met wettelijke rente.

De raadsman heeft opgemerkt dat de schade van de benadeelde partij niet eenvoudig is vast te stellen en dat hoogstens een voorschot kan worden toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 754,71 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 254,71 terzake van materiële schade (medicijnen, eigen bijdrage, parkeerkosten en reiskosten)en € 500,00 bij wijze van voorschot terzake van immateriële schade, en acht de verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat de immateriële schade voor het overige niet eenvoudig is vast te stellen en omdat de materiële schade voor het overige niet rechtstreeks het gevolg is van de mishandeling. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de hiervoor toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 301, 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.7 is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het aldus bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Medeplegen van mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot

een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, regio Rotterdam-Dordrecht, ook indien dit inhoud dat hij zich houdt in het plan van aanpak zoals is vastgesteld in het voorlichtingsrapport d.d. 14 mei 2009;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde [slachtoffer], wonende te [adres slachtoffer] de som van € 754,71, waarvan € 254,71 terzake van materiële schade en € 500,00 (bij wijze van voorschot) terzake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het subsidiair bewezenverklaarde werd gepleegd tot aan de dag der algehele voldoening;

Indien dit bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, is de verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te voldoen.

- bepaalt dat deze benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de aangever [slachtoffer], een bedrag van € 754,71 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

Indien dit bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, is de verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te voldoen.

- verstaat dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

Dit vonnis is gewezen door: mr. Meeuwis, voorzitter, mrs. Steenbeek en Woltring, rechters in tegenwoordigheid van mr. Bounjouh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 mei 2009.

De voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat het vonnis te ondertekenen.