Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI4600

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
12/715375-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag in loods Sas van Gent. Vrijspraak van moord, veroordeling wegens doodslag: gevangenisstraf 5 jaar. Verwerpingen van beroepen op noodweer(exces), psychische overmacht en niet-toerekenbaarheid. Rechtbank niet overtuigd van dissociatieve stoornis. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling.

Eerder zijn op 29 januari 2009 (LJN-nummer BH1929) en 23 maart 2009 (LJN-nummer BH9137) tussenvonnissen gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715375-08 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 mei 2009

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen verdachte

[verdachte],

geboren op [1952] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West – HvB Torentijd te Middelburg.

raadsvrouw mr. Roodveldt, advocaat te Alkmaar.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 29 januari 2009, 23 maart 2009 en 7 mei 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

hij op of omstreeks 09 september 2008, te Sas van Gent, in de gemeente

Terneuzen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met

een houten hamer, althans met een hard voorwerp, meermalen, althans éénmaal,

met kracht op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam van die [slachtoffer]

geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 09 september 2008, te Sas van Gent, in de gemeente

Terneuzen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans éénmaal, met kracht

met een houten hamer, althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of

het (boven)lichaam van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de primair ten laste gelegde moord, aangezien er geen sprake is van kalm en rustig beraad, een moment van reflectie op een voorgenomen besluit en de daarop volgende handeling.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag. Hij is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte het opzet op de dood van het slachtoffer had in de zin van opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn dan wel op zijn minst opzet als mogelijkheidsbewustzijn. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte het slachtoffer met een houten hamer op zijn hoofd heeft geslagen ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Verdachte heeft verklaard dat hij een houten hamer heeft gepakt, op het slachtoffer is afgelopen en dat hij op hem heeft ingeslagen, waarbij hij hem heeft geraakt waar hij hem raken kon. In het bewust pakken van de hamer om er vervolgens mee op iemand af te lopen met de bedoeling deze persoon te slaan ligt het opzet besloten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit verdachte vrij te spreken van moord, zoals primair aan hem is ten laste gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte handelde uit een goed doordacht en vooropgezet plan om het slachtoffer om het leven te brengen. Hij handelde impulsief.

De raadsvrouw heeft verder opgemerkt dat er, gelet op wat er is gebeurd, voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde doodslag. Daarbij is sprake van opzet in de voorwaardelijke variant. Wanneer je iemand met een hamer meerdere malen op het hoofd slaat, zoals verdachte heeft gedaan, neem je willens en wetens het risico dat je iemand dodelijk verwondt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat het slachtoffer, [slachtoffer], op 9 september 2008 in de timmerloods van het bedrijf van verdachte in Sas van Gent is overleden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

Verdachte meldt zich op 9 september 2008 om 08.58 uur aan de balie van het politiebureau te Terneuzen met de mededeling dat hij kort daarvoor iemand met een houten hamer heeft doodgeslagen in zijn bedrijfsloods aan de Drogerijweg 1 te Sas van Gent . De politie begeeft zich vervolgens naar de loods van verdachte op het bedrijventerrein aan de Drogerijweg te Sas van Gent. In het midden van de loods zien verbalisanten op de grond een man liggen die zeer ernstig aan zijn hoofd gewond is. Medewerkers van de ambulancedienst constateren vervolgens dat het letsel zo ernstig is, dat geen hulp meer geboden kan worden . Op een houten schraag in de nabijheid van het slachtoffer ligt een houten meubelmakerhamer, waarvan de beide slagzijden alsook de zijkanten bebloed zijn . Het gezicht van het slachtoffer is dusdanig verminkt, dat identificatie niet mogelijk is. Verdachte verklaart tegenover de politie dat hij [slachtoffer] heeft doodgeslagen . Daarnaast wordt een foto van de tatoeage die het slachtoffer op zijn rechterschouder heeft getoond aan een drietal bekenden van [slachtoffer]. Zij bevestigen dat dit de tatoeage is van [slachtoffer] .

Uit de sectie op het stoffelijke overschot is onder meer gebleken dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van schedel- en hersenletsel, opgelopen door meermalen zeer heftig botsend geweld op het hoofd en het gezicht . Gezien het aantal letsels, circa 14 ruwrandige huidletsels en begeleidende onderhuidse bloeduitstortingen die verspreid over het behaarde hoofd en het gezicht waren, moet daar ten minste 14 keer botsend geweld zijn geweest. Verder had het slachtoffer vierkante huidkneuzingen op de borst en het linkerbovenbeen.

Verdachte heeft samen met zijn twee zonen een scheepstimmerwerkplaats aan de Drogerijweg te Sas van Gent. Eind 2007 komt hij in contact met het slachtoffer, [slachtoffer]. Zij komen uiteindelijk overeen dat het bedrijf van verdachte renovatiewerkzaamheden aan de duwboot van [slachtoffer] zal verrichten tegen een vooraf afgesproken prijs. Ook wordt er een termijn afgesproken waarbinnen de klus moet zijn afgerond. Verder wordt er een boeteclausule afgesproken van € 700,00 voor iedere dag dat de werkzaamheden langer duren dan vooraf overeengekomen. In de namiddag van 8 september 2008 hebben verdachte, zijn zoon [zoon verdachte] en [slachtoffer] een gesprek, omdat de termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn verricht inmiddels is verstreken. Zij komen overeen dat verdachte de werkzaamheden aan de duwboot van [slachtoffer] afmaakt en dat hij hem € 700,00 per dag betaalt tot de werkzaamheden zijn afgerond.

Verdachte heeft omtrent de feitelijke gang van zaken op 9 september 2008 en de directe aanleiding daartoe - zakelijk weergeven - als volgt verklaard :

Aan het begin van de ochtend van 9 september 2008 vraagt [slachtoffer] aan verdachte of hij even tijd heeft. Vervolgens lopen zij naar de timmerloods van verdachte. [slachtoffer] vertelt hem daar dat hij wil terug komen op de afspraken die de avond tevoren zijn gemaakt. Hij wil nu niet meer € 700,00 maar € 1.500,00 per dag vertraging. Verdachte is hevig teleurgesteld, omdat zij de avond tevoren naar zijn mening in harmonie goede afspraken hebben gemaakt. [slachtoffer] blijft maar tegen verdachte schreeuwen. Verdachte verzoekt hem daarom de loods te verlaten en terug te komen als hij weer rustig is. Aanvankelijk lijkt het erop dat [slachtoffer] weggaat, maar dan pakt hij een klauwhamer, draait zich om en gooit de hamer in de richting van verdachte. Verdachte wordt door de klauwhamer op zijn onderbeen geraakt, hetgeen pijn veroorzaakt bij hem. Verdachte heeft verder verklaard dat hij daarop de houten meubelmakerhamer van de werkbank heeft gepakt en naar het slachtoffer is toegelopen. Wat er daarna is gebeurd weet hij niet meer. Het eerst volgende dat hij zich kan herinneren is dat hij over het slachtoffer heen gebogen staat, terwijl hij de hamer nog vast heeft. Het slachtoffer ligt op de grond en zit helemaal onder het bloed.

Medewerkers van het Team Forensische Opsporing hebben een uitgebreid onderzoek verricht op de plaats van het delict en er zijn verschillende getuigen gehoord over de op de plaats aangetroffen voorwerpen. Er zijn geen sporen en/of aanwijzingen gevonden die duiden op betrokkenheid van een of meerdere derden bij de dood van het slachtoffer.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft gedood door hem meerdere keren met kracht met een houten hamer op het hoofd en lichaam te slaan.

Opzet

Ter zake het opzet van verdachte om [slachtoffer] van het leven te beroven, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden en met name het feit dat verdachte bewust een houten hamer ter hand heeft genomen, vervolgens op [slachtoffer] is toegelopen en hem met die hamer meerdere keren met kracht op zijn hoofd heeft geslagen, waardoor hij de schedel van het slachtoffer heeft ingeslagen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer] dodelijk letsel toe te brengen.

Moord of doodslag

Gelet op de hiervoor geschetste feitelijke gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank van kalm beraad en rustig overleg geen sprake geweest, zodat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte het hem verweten feit met voorbedachten rade heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord.

De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 09 september 2008, te Sas van Gent, in de gemeente Terneuzen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, met kracht met een houten hamer, op/tegen het hoofd en

het (boven)lichaam van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Noodweer(exces)

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat een beroep op noodweer niet kan slagen, en dat daardoor ook niet meer aan noodweer-exces wordt toegekomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het gooien van een klauwhamer tegen het been van verdachte door het latere slachtoffer weliswaar kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar dit was volgens verdachte van een afstand van ongeveer 4 meter en daarna is de aanranding ogenblikkelijk tot een einde gekomen. Uit het dossier blijkt niet dat er nog een aanval op komst was, maar eerder dat het slachtoffer wegliep. Dan was er ook geen reden voor verdachte om zich te verdedigen. Er wordt niet voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van (de dreiging van) een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het latere slachtoffer, aangezien de ruzie is ontstaan door toedoen van het latere slachtoffer die verdachte toeschreeuwde en, nadat verdachte hem had verzocht te vertrekken, een klauwhamer tegen zijn been heeft aangegooid. Verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het slaan met de hamer door verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, die het gevolg was van de ogenblikkelijke wederrechterlijke aanranding jegens verdachte. Voor zover de grenzen van de noodzakelijke verdediging zouden zijn overschreden is dat naar de opvatting van de verdediging, toe te schrijven aan de hevige gemoedsbeweging van verdachte die eerder door het latere slachtoffer is veroorzaakt.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Een beroep op noodweer in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slechts slagen indien verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank stelt voorop dat op basis van de stukken in het dossier niet is vast te stellen of al dan niet sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer jegens verdachte, waartegen hij zich mocht verdedigen. Verdachte kan zich weinig herinneren en er zijn geen ooggetuigen. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank zich geen oordeel kan vormen over de vraag of al dan niet sprake is geweest van een situatie waarin een beroep op noodweer of noodweerexces zou kunnen slagen. Zij overweegt daartoe dat verdachte zich enkel nog kan herinneren dat het latere slachtoffer terwijl hij wegliep een klauwhamer tegen zijn onderbeen heeft gegooid, en dat hij daarop de houten hamer heeft gepakt. Dat wijst op zichzelf niet op een gevaar voor (verdere) wederrechtelijke aanranding. Behoudens de verklaring van verdachte en mogelijk de verwonding aan diens scheenbeen is er in het dossier evenmin andere informatie die steun geeft aan de lezing voor een noodweersituatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze gegevens niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het latere slachtoffer jegens verdachte. Bovendien verklaart verdachte niet dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen en dat hij, verdachte, daaraan niet kon ontvluchten. Integendeel, verdachte verklaart juist dat hij zelf met de houten hamer op [slachtoffer] is afgelopen. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte de door hem beschreven situatie als enigszins bedreigend heeft ervaren, maar deze situatie was niet zodanig dreigend dat verdachte zich daartegen mocht verweren op de wijze zoals hij deed. Bovendien was de bedreigende situatie, zo al aanwezig, reeds geëindigd op het moment dat verdachte alsnog op [slachtoffer] afging. Tenslotte is niet gebleken dat verdachte zich in een zodanige positie bevond dat hij zich niet aan een eventuele aanval van of dreiging door[slachtoffer] kon onttrekken, door bijvoorbeeld de loods te verlaten. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer respectievelijk noodweer-exces.

Psychische overmacht

5.4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van psychische overmacht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het daarbij moet gaan om een acute en voor verdachte, gelet op de situatie waarin hij verkeerde, onweerstaanbare druk in de zin dat van hem niet verlangd mocht worden dat hij anders zou hebben gehandeld dan hij heeft gedaan. De reactie van verdachte op de ontstane situatie past niet binnen het normale reactiepatroon in soortgelijke gevallen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting 7 mei 2009 opgemerkt dat hij van mening is dat er bij verdachte geen sprake is van een dissociatieve stoornis. Uit de literatuur blijkt dat vooraanstaande deskundigen de nodige kritiek hebben op het concept van dissociatieve stoornis. De stoornis is slechts een theorie en niet objectiveerbaar. De officier van justitie is derhalve van mening dat terug gegrepen moet worden op de bewijsmiddelen.

5.5 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft meer subsidiair een beroep gedaan op psychische overmacht, waarbij zij stelt dat het handelen van verdachte voortkomt uit de dissociatieve toestand waarin verdachte zich bevond. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte een langlopend conflict had met het slachtoffer. De psychische druk bij verdachte is langzaam opgebouwd. Op het moment dat het slachtoffer op 9 september 2008 wederom de confrontatie met verdachte zocht en hem uitschold, hem dreigde kapot te maken en een klauwhamer naar hem gooide, heeft verdachte een hamer gepakt en vervolgens heeft hij de controle over zichzelf verloren en is hij gedissocieerd. Het vele malen inslaan op het slachtoffer kan hem dan ook niet worden toegerekend. De verdediging is verder van mening dat die van buiten komende kracht of drang zodanig is geweest dat verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar de bevindingen van psycholoog Lander, waaruit blijkt dat verdachte als gevolg van het verlies van de controle over zijn agressieve impulsen zich niet heeft gerealiseerd waar hij mee bezig was. Daardoor kan ook niet gesteld worden dat hij zich had moeten onttrekken aan de van buitenaf komende drang. Tot slot heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van culpa in causa, die aan het slagen van het beroep op psychische overmacht in de weg zou kunnen staan.

5.6 Het oordeel van de rechtbank

De deskundigen, W.J.L. Lander, klinisch psycholoog en N.A. Marcos-Kingsale, psychiater, hebben voorafgaand aan de terechtzitting van 29 januari 2009 gerapporteerd omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zij komen in hun rapporten tot de conclusie dat de psychische toestand waarin verdachte verkeerde op het moment dat hij [slachtoffer] doodsloeg het best kan worden beschreven als een dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven. De deskundigen zijn van mening dat deze stoornis niet tot gevolg heeft dat aan verdachte zijn daad in het geheel niet kan worden toegerekend, maar dat verdachte wel verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Zij zijn namelijk van mening dat verdachte op het moment dat hij de houten hamer pakte volledig toerekeningsvatbaar was. Daarna is hij volledig gedissocieerd waardoor het slaan met de hamer hem niet toegerekend kan worden.

Beide deskundigen zijn op de terechtzitting van 29 januari 2009 naar aanleiding van de bevindingen in hun rapporten uitgebreid gehoord. Zij hebben beiden verklaard te volharden in de conclusies zoals hiervoor weergegeven. Ook nadat zij zijn geconfronteerd met een hen onbekend proces-verbaal van bevindingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte zich wel degelijk iets kan herinneren van het slaan met de hamer, blijven zij bij hun conclusies.

Na de sluiting van de behandeling is de rechtbank vervolgens in raadkamer tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft zij het onderzoek heropend en geschorst, teneinde in het belang van de waarheidsvinding twee verbalisanten nader te horen over de wijze waarop de verklaring van verdachte, welke is opgenomen op pagina 30 van het dossier, tot stand is gekomen. De verbalisanten zijn gehoord op de zitting van 23 maart 2009. Naar aanleiding van hun verklaringen achtte de rechtbank het in het belang van de waarheidsvinding noodzakelijk om de deskundigen nogmaals nader te laten rapporteren.

De deskundigen hebben beiden een aanvullend rapport opgesteld. De heer Lander heeft gerapporteerd dat hij, ook na het bestuderen van de verklaringen die de verbalisanten op de terechtzitting van 23 maart 2009 hebben afgelegd, dissociatie nog steeds als zeer aannemelijk beschouwt. Verdachte kan zich niet herinneren wat er gebeurd is en wat hij heeft gedaan. Bij dissociatie treedt er een verstoring van de verbinding van het bewustzijn met het geheugen en met de waarneming op. Er vindt dan geen terugkoppeling plaats.

Mevrouw Marcos-Kingsale heeft in haar rapport de beschrijving die zij ter terechtzitting van 29 januari 2009 gaf over dissociatie in haar aanvullende rapport genuanceerd aan de hand van literatuuronderzoek. Zij is van mening dat de verklaringen van de verbalisanten de diagnose dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven niet uitsluit en blijft bij haar eerdere conclusies.

De deskundigen zijn ter terechtzitting van 7 mei 2009 nogmaals nader gehoord over hun bevindingen. De heer Lander is bij zijn visie gebleven. Hij heeft zijn conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een dissociatieve stoornis mede gebaseerd op de persoon van verdachte en zijn ontwikkeling. Mevrouw Marcos-Kingsale heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank verklaard dat zij van mening blijft dat de psychische toestand waarin verdachte verkeerde op het moment dat hij [slachtoffer] doodsloeg het best kan worden beschreven als een dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven. Zij acht verdringing niet uit te sluiten, maar niet aannemelijk.

De rapporten en hetgeen door de deskundigen ter terechtzitting is verklaard overtuigen de rechtbank niet dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de doodslag sprake was van een dissociatieve stoornis. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij naar aanleiding van hetgeen hij heeft gezien toen hij weer “wakker” werd de conclusie heeft getrokken dat hij het slachtoffer heeft doodgeslagen, maar dat hij zich dat slaan niet kan herinneren. In het eerste uur nadat hij het slachtoffer had doodgeslagen heeft hij onder andere tegenover de politie verklaard dat hij het slachtoffer overal heeft geslagen waar hij hem maar raken kon, niet alleen op zijn hoofd maar ook op zijn lichaam. Het was op dat moment echter nog niet bekend, ook niet aan de politie, dat het slachtoffer niet alleen op zijn hoofd maar ook op zijn lichaam was geslagen door verdachte. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen van verdachte bij de politie zich moeilijk laten verenigen met een volledige dissociatie. Tevens valt, gelet op de verklaring van mevrouw Marcos-Kingsale, kennelijk niet uit te sluiten dat de omstandigheid dat verdachte zich thans van het slaan zelf niets meer kan herinneren moet worden toegeschreven aan verdringing van voor verdachte pijnlijke herinneringen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een dissociatieve stoornis.

Niet-toerekenbaarheid

5.7 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte ten tijde van het begaan van het feit volledig toerekeningsvatbaar was, omdat er volgens hem geen sprake was van een dissociatieve stoornis.

5.8 Het standpunt van de verdediging

Meest subsidiair heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de deskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte op het moment van het plegen van het feit een acute ziekelijke stoornis had, waardoor hij op dat moment zijn wil niet kon bepalen en niet wist waar hij mee bezig was.

5.9 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, zoals hiervoor al onder 5.6 overwogen, van oordeel dat er ten tijde van het plegen van het feit bij verdachte geen sprake was van een ziekelijke stoornis, in de zin van een dissociatieve stoornis. Zij is derhalve van oordeel dat verdachte toerekeningsvatbaar was, zij het vanwege een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in verminderde mate, hetgeen een omstandigheid is waarop de rechtbank bij de strafoplegging onder 6.3 nader zal ingaan. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht ter terechtzitting van 29 januari 2009 gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest, daarbij rekening houdend met de conclusie van de deskundigen dat verdachte ten gevolge van een dissociatieve stoornis ten tijde van het plegen van het feit verminderd toerekeningsvatbaar was.

Ter terechtzitting van 7 mei 2009 heeft de officier van justitie zijn eis gewijzigd en wel in die zin dat hij op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van voorarrest, aangezien hij van mening is dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is, omdat er naar zijn oordeel bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit geen sprake was van een dissociatieve stoornis. Bij het formuleren van zijn eis heeft hij enerzijds rekening gehouden met de persoon van verdachte en het blanco strafblad en anderzijds met de brute wijze waarop de doodslag heeft plaatsgevonden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, gelet op de rapporten van de deskundigen en hun conclusie dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een dissociatieve stoornis, en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, en hem zo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op zeer gewelddadige wijze het slachtoffer van het leven beroofd. Hij heeft het slachtoffer een groot aantal keren met kracht met een houten meubelmakerhamer op het hoofd en gezicht geslagen, en daarbij zijn schedel ingeslagen. Het slachtoffer was door de handelingen van verdachte dusdanig verminkt dat identificatie niet meer mogelijk was. Dit misdrijf, het benemen van iemands leven, is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, en wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. De nabestaanden van het slachtoffer hebben door het door verdachte gebruikte geweld niet op gepaste wijze afscheid kunnen nemen van hun dierbare. Hen is met deze daad een onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. Voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit, waardoor de gevoelens van onveiligheid worden versterkt.

Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de door de deskundigen opgemaakte rapportages en hetgeen zij ter terechtzitting van 29 januari 2009 en 7 mei 2009 hebben verklaard. Zij rapporteren dat verdachte nooit heeft geleerd zijn emoties en gevoelens van boosheid te uiten. Hij heeft geleerd om agressie in te tomen en negatieve emoties zoveel en zo snel mogelijk uit te schakelen, hetgeen hem nooit in de problemen heeft gebracht tot 9 september 2008. Op die dag schoten zijn gebruikelijke afweer- en copingsmechanismen echter tekort en manifesteerde verdrongen irritaties/woede zich als een explosie. De deskundigen komen tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, die van invloed is geweest op en tijdens het plegen van het feit. De rechtbank neemt die conclusie over en is op grond daarvan van oordeel dat verdachte gelet op vorenstaande verminderd toerekeningsvatbaar is.

Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. De rechtbank is echter van oordeel dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf aanzienlijk lager dient te zijn, nu zij, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het feit. Daarnaast is verdachte nog niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie. Verdachte heeft er tijdens de zittingen blijk van gegeven een gebroken man te zijn die zich vertwijfeld afvraagt hoe hij tot deze gruwelijke daad heeft kunnen komen. Verdachte is zich ten volle bewust van het onherstelbare leed dat hij heeft aangericht, en hij betuigt zijn diepe spijt naar het slachtoffer en naar diens nabestaanden. Verdachte zal met dit trauma ook zelf moeten leren leven. De rechtbank zal ten slotte bij de bepaling van de strafmaat ook rekening houden met het feit dat verdachte door zijn familie en mensen in zijn omgeving wordt omschreven als goedmoedig en zachtaardig. De daad waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld zal ook bij hen een onuitwisbaar trauma hebben veroorzaakt.

7 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende. De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien die voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het aldus bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: doodslag.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten een tuinbroek, een houthakkerhemd en een klomp.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, voorzitter, mr. Steenbeek en mr. Schröder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 mei 2009.