Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI3865

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
Awb 08/899
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

marktverordening gemeente Veere, standplaatsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/899

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

(Naam),

wonende te (woonplaats),

eiser,

gemachtigde mr. P.M.E. Bilterijst,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 12 augustus 2008 om het door hem ingediende bezwaar ongegrond te verklaren.

Het beroep is op 12 maart 2009 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. A.W.L. de Groot-Piersma en M.E. Forman. Het onderzoek is ter zitting gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is tweemaal verlengd.

II. Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid van de Verordening seizoenmarkten Veere, zoals door de gemeenteraad van de gemeente Veere op 23 april 1998 is vastgesteld (hierna: de verordening), kunnen burgemeester en wethouders een lijst vaststellen van op de markt toe te laten artikelengroepen. Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders het aantal standplaatsen per artikelengroep vaststellen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van de verordening geschiedt de toewijzing van standplaatsen door burgemeester en wethouders af te geven vergunning.

Ingevolge het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de verordening dient degene die voor een standplaats in aanmerking wenst te komen hiervoor jaarlijks bij burgemeester en wethouders een schriftelijke aanvraag in te dienen in de periode januari tot maart.

Op grond van het bepaalde in artikel 14 van de verordening – voor zover van belang – geschiedt toewijzing van een vaste plaats door burgemeester en wethouders af te geven vergunning.

Artikel 15 van de verordening luidt als volgt:

1. Bij toewijzing van vaste plaatsen, waartoe op gezette tijden wordt overgegaan, komen allereerst in aanmerking de vergunninghouders van vaste plaatsen die aan burgemeester en wethouders schriftelijk de wens te kennen hebben gegeven opnieuw voor een vaste plaats in aanmerking te willen komen.

2. Vervolgens komen in aanmerking de vergunninghouders van vaste plaatsen die aan burgemeester en wethouders schriftelijk de wens te kennen hebben gegeven van artikel of artikelgroep te willen veranderen.

3. Tot slot komen in aanmerking degenen die zich hebben laten inschrijven.

4. Indien voor de markt een indeling per artikelengroep geldt, wordt hiermee rekening gehouden bij toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden.

In de beleidsnotitie seizoenmarkten 2003 (hierna: de beleidsnotitie), zoals door verweerder in mei 2003 vastgesteld, wordt een nadere invulling gegeven aan de bevoegdheden die de gemeenteraad van de gemeente Veere aan verweerder in de verordening heeft overgedragen.

In paragraaf 4 van de beleidsnotitie (lijst van artikelengroepen/branchelijst) is het volgende opgenomen:

In artikel 3 van de verordening is bepaald dat ons college het aantal standplaatsen per artikelengroep kan vaststellen. Deze lijst van artikelengroepen, ook wel de branchelijst genoemd, is door ons college vastgesteld (zie bijlage II). Het uitgangspunt van de lijst van de artikelengroepen is om te komen tot seizoenmarkten met een zo gevarieerd mogelijk aanbod van artikelen. Slechts voor bepaalde artikelgroepen kunnen meerdere marktkooplieden een standplaats innemen. De lijst van artikelgroepen zal overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 15, vierde lid, en artikel 18, tweede lid, van de verordening worden gehanteerd bij het toewijzen van standplaatsen.

De marktcommissie kan in bijzondere gevallen adviseren van de branchelijst af te wijken.

In bijlage II van de beleidsnotitie is op de branchelijst het minimale en maximale aantal vergunningen aangegeven dat voor de betreffende branche verleend kan worden. De branchelijst kent tot slot de categorie overige artikelen. Dit zijn artikelen die niet op de branchelijst voorkomen.

In paragraaf 5.3.1. van de beleidsnotitie (wachtlijst) is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Degenen die ingeschreven hebben en geen vaste standplaatsvergunning verkrijgen, worden op een wachtlijst geplaatst. Deze wachtlijst geldt alleen voor het lopende marktseizoen en vervalt aan het einde daarvan. De lijst heeft dezelfde indeling als de lijst van artikelgroepen. Zijn er meerdere inschrijvers voor een bepaalde artikelengroep, dan wordt ten overstaan van een delegatie van de marktcommissie geloot om zodoende de volgorde voor dat jaar te kunnen bepalen. Zijn er meer gegadigden in een branchevreemde artikelengroep dan vrije plaatsen op het marktterrein, dan wordt geloot voor de volgorde van plaatsing van de inschrijvers in deze branches. Vervolgens worden de branches geloot die al op de seizoenmarkten vertegenwoordigd zijn. (…) Inschrijvingen die na de datum van loting ingediend worden, worden op basis van datumvolgorde aan de wachtlijst toegevoegd. (…)

2. Op 23 januari 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een standplaats met herenkleding op de seizoenmarkt in Domburg in 2008. Bij besluit van 15 april 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eerder aan eiser kenbaar is gemaakt dat hij vrijgesteld is van de loting van niet branchevreemde inschrijvingen per artikelengroep, zoals vermeld in artikel 15 van de verordening, en dat hij als eerste op de wachtlijst staat. Wel is van belang dat er meerdere inschrijvers zijn voor een branchevreemde artikelengroep dan vrije plaatsen op de markt. Aangezien tijdens de marktcommissievergadering op 2 juli 2007, waarin besloten is eiser vrij te stellen van de loting, ook bepaald is dat branchevreemde artikelengroepen nog steeds voor gaan, dient de aanvraag van 23 januari 2008 te worden afgewezen. Verweerder heeft dit besluit op grond van artikel 5.3.1 van de beleidsnotitie en onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 26 juni 2008 in bezwaar gehandhaafd.

3. In beroep is van de zijde van eiser - voor zover van belang en samengevat - het volgende aangevoerd. Eiser is al vele jaren marktkoopman en probeert al jaren een standplaats te krijgen op de seizoenmarkt te Domburg. Daartoe heeft hij zich jaarlijks laten inschrijven. In de verordening en de beleidsnotitie staat nergens vermeld dat inschrijvingen voor branchevreemde artikelen altijd voorrang krijgen boven niet-branchevreemde artikelen. Het begrip “branchevreemd product” komt evenmin in de verordening voor. Eiser wil graag op de markt staan met herenkleding en daar is ook plaats voor omdat er volgens de branchelijst twee vergunningen met herenkleding op de markt mogen staan. Op grond van de aan hem gedane toezegging tijdens de marktcommissievergadering van 2 juli 2007 en de bevestiging hiervan bij brief van verweerder van 17 september 2007, is bij eiser de verwachting gewekt dat hij in 2008 vrijwel zeker een plaats op de markt zou krijgen omdat hij als eerste op de wachtlijst is geplaatst en bovendien was vrijgesteld van loting. Ten onrechte heeft verweerder aan de gedane toezegging de voorwaarde verbonden dat aanvragen met branchevreemde producten nog steeds voorrang krijgen. Dit geldt temeer indien de inschrijving voor een branchevreemd artikel na 1 maart heeft plaatsgevonden. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het advies van de bezwaarcommissie niet deugt nu het innerlijk tegenstrijdig is. Daarnaast heeft eiser, onder verwijzing naar een in bezwaar ingebrachte email van de Centrale Vereniging voor de Ambulante handel (hierna: CVAH) van 25 juni 2008, gesteld dat een in de loop van 2008 vrijgekomen plaats op de markt ten onrechte niet aan hem is toegewezen. Tot slot heeft eiser verzocht om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, bestaande uit de winstderving omdat hij gedurende twee seizoenen niet op de markt heeft kunnen staan.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat, voor zover van de zijde van eiser is betoogd dat verweerder hem ook in 2007 een standplaats had moeten toewijzen, dit betoog niet kan slagen nu eiser geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen verweerders besluit hem geen standplaatsvergunning voor het jaar 2007 te verlenen. Dat besluit staat dan ook in rechte vast. In de onderhavige procedure is slechts in geding de afwijzing van de aanvraag van eiser om een standplaatsvergunning voor het jaar 2008.

5. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser zich binnen de in artikel 12, eerste lid, van de verordening bepaalde termijn heeft ingeschreven voor de markt te Domburg in het seizoen 2008. De rechtbank stelt verder op grond van de branchelijst vast dat voor de branche herenkleding maximaal twee vergunningen verleend kunnen worden en dat voor deze branche slechts één vergunning is verleend. Voorts blijkt uit een verslag van een vergadering van de marktcommissie van 2 juli 2007 en een brief van verweerder van 17 september 2007 dat besloten is eiser als eerste op de wachtlijst te plaatsen, mits er geen branchevreemd product of plaatsverbetering meer aan de orde is.

6. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder ter motivering van het bestreden besluit heeft verwezen naar het advies van de commissie voor de bezwaarschriften. Dit advies luidt, voor zover van belang, als volgt:

Door de gemachtigde (lees: van verweerder) is tijdens de hoorzitting aangegeven dat aanvragen voor een branchevreemde artikelgroep voorgaan bij de verloting en toewijzing van de vrijgekomen plaatsen op de seizoenmarkt. Hierbij heeft uw gemachtigde verwezen naar de onderdelen 4 en 5.3.1 van de vastgestelde beleidsregels. De commissie is van oordeel dat deze gang van zaken in de loop der jaren is ontwikkeld. Gelet op de gekozen formulering van artikel 5.3.1. van de verordening (lees: van de beleidsnotitie) is deze rangorde niet op voorhand duidelijk. Het verdient aanbeveling om de voorgestane werkwijze beter in de beleidsregels te omschrijven en naar de aanvragers te communiceren. De commissie kan zich voorstellen dat bij de heer Hofs de indruk is gewekt dat hij als eerste voor een vrijkomende standplaats in aanmerking zou komen. Gelet op artikel 5.3.1. van de verordening (lees: van de beleidsnotitie) komt de commissie desondanks tot de conclusie dat degene die op de wachtlijst voor een branchevreemde artikelgroep als eerste staat vermeld, voorgaat. Op grond van het vorenstaande adviseren wij u het bezwaarschrift ongegrond te verklaren en het bestreden besluit van 15 april 2008 in stand te laten.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is het advies van de commissie inhoudelijk niet concludent. De commissie stelt immers enerzijds vast dat de rangorde niet duidelijk in paragraaf 5.3.1. van de beleidsnotitie is verwoord en anderzijds dient de aanvraag van eiser op grond van deze paragraaf te worden afgewezen. Nu ter motivering van het bestreden besluit is verwezen naar vorenstaand advies, kan dit besluit reeds wegens strijd met de artikelen 3:49 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven.

8. De rechtbank overweegt voorts het volgende.

9. In artikel 15 van de verordening is de volgorde van de toe te wijzen vaste plaatsen bepaald. Eiser behoort tot de categorie genoemd in het derde lid van voornoemd artikel, te weten, degenen die zich hebben laten inschrijven. De volgorde in toewijzing wordt nader ingevuld in bovengenoemd paragraaf 5.3.1. van de beleidsnotitie. Beleidsregels dienen uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid en ter voorkoming van willekeur duidelijk omschreven normen te bevatten. De rechtbank is van oordeel dat uit paragraaf 5.3.1 niet kan worden afgeleid dat kooplieden die branchevreemde artikelen aanbieden altijd voorgaan op kooplieden die geen branchevreemde artikelen aanbieden. Dit klemt temeer nu vast staat dat voor herenkleding, de branche van eiser, twee vergunningen kunnen worden verleend en dat voor deze branche slechts één vergunning is verleend. Derhalve is aan de op 2 juli 2007 aan eiser gedane toezegging ten onrechte de voorwaarde verbonden dat aanvragen met branchevreemde producten nog steeds voorrang krijgen. Dat kooplieden met branchevreemde producten die pas na 1 maart hebben ingeschreven ook voorrang genieten, zoals door verweerder ter zitting is aangegeven, staat nergens met zoveel woorden in het beleid vermeld en is naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet in overeenstemming met artikel 12 van de verordening. De onduidelijkheid van de rangorde wordt nog versterkt doordat in de verordening noch in de beleidsnotitie een omschrijving is gegeven van de term “branchevreemd”. Desgevraagd is ter zitting door verweerder erkend dat het beleid verduidelijking behoeft en dat de aanbeveling van de commissie voor de bezwaarschriften zal worden opgevolgd. Nu ter motivering van het bestreden besluit is verwezen naar bovengenoemde paragraaf 5.3.1 van de beleidsnotitie, berust het besluit ook in dit opzicht op een ondeugdelijke en niet kenbare motivering.

10. De rechtbank is voorts van oordeel dat bij eiser, gelet op de aan hem gedane toezegging hem als eerste op de wachtlijst voor herenkleding te plaatsen, in samenhang met het onjuist toegepast beleid aangaande de volgorde van toewijzing, de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij als eerste voor een vrijkomende standplaats in aanmerking zou komen. Nu bovendien blijkens de door eiser in bezwaar ingebrachte email van de CVAH van 25 juni 2008 in de loop van 2008 een plaats is vrijgekomen omdat een aanbieder van branchevreemde artikelen zich heeft teruggetrokken, heeft verweerder deze vrije plaats ten onrechte niet aan eiser toegekend.

11. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank is immers van oordeel dat verweerder eisers aanvraag om een standplaatsvergunning voor de seizoenmarkt 2008 ten onrechte heeft afgewezen. Gelet op de in artikel 15 van de verordening voorgeschreven volgorde van de toe te wijzen plaatsen en het feit dat eiser ook voor het komende seizoen 2009 is ingeschreven, is het voor eiser van belang om te beschikken over een vaste standplaatsvergunning voor de seizoenmarkt 2008. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding om het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 15 april 2008 alsnog gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en eiser alsnog een vaste standplaatsvergunning voor herenkleding voor de seizoenmarkt 2008 te verlenen.

12. Voor zover van de zijde van eiser is verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, stelt de rechtbank vast dat niet gebleken is van enige onderbouwing en specificering van de gestelde geleden schade. Daarnaast staat vast dat eiser hangende de bezwaarprocedure geen verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend om eventuele schade te voorkomen. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding om het bepaalde in artikel 8:73, van de Awb, toe te passen.

13. In het voorgaande ziet de rechtbank voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze beroepsprocedure, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen. Tevens zal worden bepaald dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2008;

verklaart het bezwaar tegen het primair besluit van 15 april 2008 alsnog gegrond;

herroept het primair besluit van 15 april 2008 en verleent eiser alsnog een vaste standplaatsvergunning voor de seizoenmarkt 2008;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Veere aan eiser;

bepaalt dat de gemeente Veere aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- (honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2009.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 14 mei 2009