Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI3833

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
AWb 08/746
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand, terugwerkende kracht, zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/746

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

(Naam)

wonende te (woonplaats),

eiseres,

gemachtigde mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terneuzen,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis,

gevestigd te Oostburg,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft verweerder de aan eiseres in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) verleende bijstand met ingang van 23 juni 2005 beëindigd omdat eiseres op die datum niet meer in de gemeente Sluis woonde. Verweerder heeft het hiertegen ingediende bezwaar bij besluit van 2 januari 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2006 heeft de rechtbank het beroep dat eiseres hiertegen heeft ingesteld ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiseres hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 26 februari 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met vernietiging van de uitspraak van de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moet nemen.

Bij besluit van 8 juli 2008 (het thans bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het beroep is op 3 april 2009 behandeld ter zitting. Eiseres is verschenen met haar gemachtigde. Verweerder heeft zich daar niet laten vertegenwoordigen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. In zijn uitspraak van 26 februari 2008 heeft de CRvB vastgesteld dat de beoordeling door de bestuursrechter zich in een geval als dit, waarin de uitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken, dient te beperken tot de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat uitsluitend ter beoordeling voorligt de periode van 23 juni 2005 tot en met 4 juli 2005.

2. Volgens de CRvB is genoegzaam komen vast te staan dat eiseres met ingang van 23 juni 2005 haar woonplaats niet meer had in de gemeente Sluis. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB was verweerder daarom bevoegd de toegekende bijstand met ingang van laatstgenoemde datum in te trekken. Omdat niet gebleken is dat verweerder op enigerlei wijze een belangenafweging heeft gemaakt alvorens van deze discretionaire bevoegdheid gebruik te maken, heeft verweerder naar het oordeel van de CRvB niet in redelijkheid van deze intrekkingsbevoegdheid gebruik kunnen maken. Bij het nemen van een nieuw besluit zal verweerder moeten uiteenzetten welk beleid terzake wordt gevoerd en voorts blijk geven van een belangenafweging.

3. In geschil is of verweerder bij het thans bestreden besluit op genoegzame wijze invulling heeft gegeven aan het gestelde in de uitspraak van de CRvB.

Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval en daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4. Artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken indien anderszins, (dat wil zeggen anders dan wegens een hier niet aan de orde zijnde schending van de inlichtingenplicht) de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Zoals uit deze formulering blijkt en zoals ook de CRvB uitdrukkelijk heeft overwogen, betreft het hier een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Met andere woorden, verweerder is hiertoe niet verplicht maar bevoegd en bij het gebruik maken van deze bevoegdheid behoort een belangenafweging te worden gemaakt. Ook dat laatste heeft de CRvB uitdrukkelijk overwogen.

5. Uit de gedingstukken en het thans bestreden besluit blijkt dat verweerder zich heeft gebaseerd op de ‘Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften Terugvordering Wet Werk en Bijstand gemeente Sluis’.

Daarin is bepaald onder artikel 2:

“Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit”

Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien (……….)

b. anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit kan op grond van dringende redenen worden afgezien.”

In de toelichting staat vermeld dat verweerder in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik maakt van deze bevoegdheid.

6. Uit het thans bestreden besluit en het verweerschrift blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de enkele verwijzing naar de genoemde beleidsregels een nadere motivering van de beslissing overbodig maakt, omdat de beleidsregels inhouden dat verweerder in beginsel in alle gevallen van zijn bevoegdheid gebruik maakt.

Dit standpunt berust naar het oordeel van de rechtbank op een verkeerde lezing van de beleidsregels. “In beginsel” wil niet zeggen dat geen uitzonderingen mogelijk zijn. Die uitzonderingen staan ook vermeld in de beleidsregels, namelijk de dringende redenen op grond waarvan van herziening of intrekking kan worden afgezien. Dit betekent dat in ieder individueel geval zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van dringende redenen als bedoeld in de beleidsregels. In dit verband merkt de rechtbank op dat de passage in het voorwoord van de beleidsregels, waarin wordt gesteld dat de motiveringsplicht in individuele gevallen grotendeels kan worden ondervangen door te verwijzen naar de beleidsregels, wellicht tot misverstanden heeft geleid.

Verweerder wijst er overigens terecht op dat de CRvB in een recente uitspraak heeft geoordeeld dat verweerders beleid in deze de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het gaat in het onderhavige geschil echter niet om de beoordeling van het beleid, maar om het beoordelen van de toepassing van dat beleid. Bij die toepassing zal verweerder, zoals de wet en ook zijn eigen beleidsregels voorschrijven, een individuele afweging van de feiten en omstandigheden moeten maken.

7. Het is dan ook niet juist dat verweerder zich op het standpunt stelt dat de omstandigheden waaronder eiseres de gemeente Sluis heeft verlaten er voor het nemen van de bestreden beslissing niets toe doen. Voorzover verweerder zich hiervoor beroept op de uitspraak van de CRvB, berust dat op een verkeerde lezing van die uitspraak. De CRvB heeft overwogen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om het toekenningsbesluit per 23 juni 2005 in te trekken voldoende is de feitelijke vaststelling dat eiseres met ingang van die datum geen woonplaats meer had in de gemeente Sluis. Voor die vaststelling zijn de achtergronden van haar vertrek niet relevant. Die achtergronden zijn echter wel degelijk relevant voor de beoordeling of er in redelijkheid ook van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt of dat er sprake is van een dringende reden om af te zien van herziening of intrekking.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder door het achterwege laten van een belangenafweging niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de CRvB en daarmee heeft gehandeld in strijd met de wet en zijn eigen beleidsregels. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

9. De rechtbank ziet in de navolgende omstandigheden aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank acht het aangewezen dat op korte termijn een einde aan dit geschil komt, nu er door de procedures inmiddels bijna vier jaren zijn verstreken sinds het primaire besluit.

De stelligheid waarmee verweerder, ondanks de duidelijke uitspraak van de CRvB, blijft volharden in zijn opvatting dat een individuele belangenafweging in casu niet nodig is, doet de rechtbank vrezen dat een terugverwijzing slechts tot een herhaling van zetten zal leiden.

Tenslotte is van belang dat uit de gedingstukken van de beide procesdossiers blijkt dat verweerder reeds bij de behandeling van het tegen het primaire besluit ingediende bezwaar-schrift door eiseres op de hoogte is gebracht van alle achtergronden van haar vertrek uit de gemeente. Er is dan ook voldoende zicht op alle feiten en omstandigheden om te kunnen beoordelen welke keuze hier rechtens de juiste moet zijn.

10. Die feiten en omstandigheden kunnen als volgt worden samengevat.

Eiseres woonde reeds 4 à 5 jaar in de gemeente Sluis met haar man en vier kinderen.

Haar man heeft zich aan verschillende (gewelds)misdrijven schuldig gemaakt en is daarvoor ook veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf. Hij is op 23 februari 2005 in hechtenis genomen, waardoor het gezin zonder inkomsten kwam te zitten en een beroep op bijstand moest doen. Met ingang van 7 april 2005 zijn reguliere bijstandsuitkeringen betaald, daarvóór kreeg eiseres een gering bedrag aan leefgeld in de vorm van wekelijkse voorschotten. Er is een achterstand in de huurbetaling ontstaan, als gevolg waarvan eiseres na een ontruimingsvonnis van de kantonrechter de woning heeft moeten verlaten. Zij heeft toen met haar kinderen op 23 juni 2005 tijdelijk onderdak gevonden bij een kennis die buiten de gemeente Sluis woonde.

Niet gesteld of gebleken is dat deze penibele situatie waarin eiseres is komen te verkeren aan haar schuld of toedoen is te wijten. Evenmin is gesteld of gebleken dat er voor eiseres een andere oplossing beschikbaar was, waardoor zij binnen de gemeente Sluis had kunnen blijven wonen.

11. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid geen andere conclusie worden getrokken dan dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van het gebruik maken van de bevoegdheid tot het intrekken van de uitkering met terugwerkende kracht. De rechtbank bepaalt daarom dat eiseres recht heeft op voortzetting van haar bijstandsuitkering van 23 juni 2005 tot en met 4 juli 2005 volgens de voor haar geldende normen in die periode. De rechtbank ziet aanleiding om een termijn te stellen waarbinnen verweerder deze uitspraak moet uitvoeren en zal die termijn bepalen op vier weken na verzending van deze uitspraak.

12. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiseres te veroordelen tot een bedrag van € 644,--, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 8 juli 2008;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit in die zin dat eiseres over de periode van 23 juni 2005 tot en met 4 juli 2005 een bijstanduitkering ontvangt naar de voor haar destijds geldende norm;

bepaalt dat verweerder hieraan uitvoering geeft binnen vier weken na het verzenden van deze uitspraak;

herroept het primaire besluit van 4 juli 2005 voorzover dat ziet op de periode van 23 juni tot en met 4 juli 2005;

bepaalt dat de gemeente Sluis aan eiseres het griffierecht van € 39,-- (negenendertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres begroot op

€ 644,-- (zeshonderd en vierenveertig euro) door de gemeente Sluis te betalen aan de griffier.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2009

door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van K.J. Thiel, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: 29 april 2009