Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BI2492

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
63057/ ha za 08-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft vanaf 1992 tot 31 december 2005 een rundveehouderij gedreven. Hij fokte runderen en verkocht deze vervolgens. Er in 2001 en 2002 heeft eiser runderen verkocht waarbij een tussenpersoon de runderen ophaalde, de koopprijs voldeed en de runderen vervolgens leverde aan gedaagde. In 2003 heeft eiser 14e runderen aan gedaagde via een tussenpersoon verkocht. Gedaagde heeft daarbij voorgesteld om de kwestie op dezelfde wijze als de voorgaande jaren namelijk via tussenkomst van de tussenpersoon af te handelen. Dit voorstel is door zowel eiser als de tussenpersoon geaccepteerd. Op 9 september 2003 heeft de tussenpersoon de 14 runderen op een veewagen geladen en had op dat moment de koopprijs moeten voldoen, maar deelde mee dat hij nog geen geld van gedaagde had ontvangen. Eiser is akkoord gegaan met uitstel van betaling voor een paar dagen. Op 8 mei 2006 is de wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing verklaard op de tussenpersoon. Eiser heeft in juni 2007 zijn vordering op de tussenpersoon ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder van de tussenpersoon. Eiser vordert samengevat veroordeling van gedaagde, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 18. 073, 48, de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de kosten van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

63057 / HA ZA 08-257

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63057 / HA ZA 08-257

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Jemgun-Ditzum, Duitsland,

eiser,

advocaat: mr. E.H.A. Schute te Serooskerke, gemeente Veere,

tegen

[gedaagde]

wonende te Heikant, gemeente Hulst

gedaagde,

advocaat: mr. E. Bregonje te Terneuzen.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 13 augustus 2008

het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2008.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] heeft vanaf 1992 tot 31 december 2005 een rundveehouderij gedreven in Herwijnen. [eiser] fokte runderen en verkocht deze vervolgens.

2.2. In 2001 en 2002 heeft [eiser] runderen verkocht waar[V]] de runderen ophaalde, de koopprijs voldeed en de runderen vervolgens leverde aan [gedaagde].

2.3. In augustus 2003 heeft [eiser] aan [V] op de veemarkt in Chiney (België) medegedeeld dat hij voornemens was om vijftien runderen te verkopen.

2.4. Op 26 augustus 2003 zijn [gedaagde] en [V] gezamenlijk naar Herwijnen gegaan en hebben zij voornoemde runderen bekeken. Vervolgens is onderhandeld. [eiser] heeft veertien runderen verkocht voor een bedrag van € 18.073,48. [gedaagde] heeft daarbij voorgesteld om de kwestie op dezelfde wijze als de voorgaande jaren, namelijk via tussenkomst van [V], af te handelen. Dit voorstel is door zowel [eiser] als [V] geaccepteerd.

2.5. Op 9 september 2003 heeft [V] de veertien runderen in Herwijnen op een veewagen geladen. [V] had op dat moment de koopprijs moeten voldoen, maar hij deelde mede dat hij nog geen geld van [gedaagde] had ontvangen. [eiser] is akkoord gegaan met uitstel van betaling voor een paar dagen. [V] heeft [eiser] echter niet betaald.

2.6. Op 12 september 2003 heeft [gedaagde] een bedrag van € 18.913,-- betaald op de bankrekening van de vader van [V].

2.7. [eiser] heeft op 15 maart 2004 aangifte gedaan van oplichting door [V]. [eiser] heeft bij deze aangifte onder meer het volgende verklaard: “(…) Tijdens deze ontmoeting zijn [V] en ik samen tot de afspraak gekomen, dat [V] [v], 14 runderen zou kopen van mij, dit voor een totaal bedrag van 18.073,48 euro. Vervolgens verkoopt [V] de 14 runderen aan dhr. [gedaagde]. (…) [V] [v] koopt al jaren voor J.J. van Dorsselaer vee in. [V] zorgt voor het vervoer van de runderen en verkoopt deze aan dhr. [gedaagde]. Dit ging altijd goed. Ik weet dat [V] voor zichzelf werkt. (…) [V] heeft een rekening opgemaakt, Hierop staat dat er op 9 september 2003, van [eiser], [adres] te Herwijnen, 14 runderen voor een bedrag van 18.073,48 euro wordt verkocht aan [V] [v], [adres] Hulst. De rekening wordt door beiden getekend. (…)”

2.8. In oktober 2003 heeft [eiser] een deurwaarder ingeschakeld om zijn vordering op [V] te verhalen.

2.9 Op 20 april 2004 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur verstuurd voor de runderen. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van die factuur betwist bij brieven van 26 april 2004 en 18 mei 2004.

2.10. Op 8 mei 2006 is de wet Schuldsanering Natuurlijke Personen van toepassing verklaard op [V].

2.11. [eiser] heeft in juni 2007 zijn vordering op [V] ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder van [V].

Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 18.073,48, de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de kosten van de procedure.

Indien en voorzover de rechtbank mocht oordelen dat er tussen [eiser] en [gedaagde] geen koopovereenkomst terzake de koop van veertien runderen tot stand is gekomen, een verklaring voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van een overeenkomst van lastgeving tussen [gedaagde] en [V] gehouden is de hiervoor omschreven vorderingen aan [eiser] te betalen.

[eiser] stelt hiertoe onder meer het volgende. Op 26 augustus 2003 is een koopovereenkomst ter zake veertien runderen tussen partijen tot stand gekomen. Ondanks aanmaningen en sommaties is niet betaald. [eiser] vordert nakoming van de overeenkomst en schadevergoeding. Indien en voor zover geoordeeld wordt dat er tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, stelt [eiser] dat [V] de runderen op last van [gedaagde] heeft gekocht. [V] werkte als tussenpersoon voor [gedaagde].

3.3. [gedaagde] voert verweer. [eiser] heeft geen koopovereenkomst gesloten met hem, maar met [V]. [eiser] heeft zelf verklaard dat hij de stieren heeft verkocht aan [V]. Dit blijkt ook uit de bonnen die [V] in dat verband heeft opgemaakt. [eiser] heeft zijn vordering bij [V] proberen te incasseren. [eiser] heeft ook jegens de bewindvoerder van [V] aangegeven dat hij een vordering had op [V] uit hoofde van een met hem gesloten koopovereenkomst. [V] heeft de stieren vervolgens doorverkocht aan [gedaagde]. Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat [gedaagde] wel contractpartij is, heeft [gedaagde] bevrijdend betaald aan [V] op grond van artikel 6:34 BW. [gedaagde] mocht er van uitgaan dat [V] zijn contractpartij was. [eiser] had al twee maal eerder middels [V] stieren gekocht van [eiser]. Die eerdere overeenkomsten waren op dezelfde wijze tot stand gekomen als de onderhavige overeenkomst. [gedaagde] ging er ook in die gevallen – net als in het onderhavige geval – van uit dat de stieren door [eiser] werden verkocht aan [V] en dat [V] de stieren op zijn beurt weer doorverkocht aan hem. Gelet op het feit dat [V] bij al die overeenkomsten een inkoopfactuur aan [eiser] had verstrekt en een verkoopfactuur aan [gedaagde] en [gedaagde] ook altijd de koopsom heeft voldaan aan [V] en [eiser] hierover ook nimmer heeft geklaagd, kon en mocht [gedaagde] er van uitgaan dat [V] zijn contractpartij was en niet [eiser]. [gedaagde] mocht er dus op vertrouwen dat hij bevrijdend aan [V] kon en moest betalen.

De beoordeling

Partijen hebben op 26 augustus 2003 met elkaar afgesproken dat [gedaagde] de veertien runderen koopt die [eiser] te koop aanbiedt, waarbij zij tegelijkertijd afspreken dat een en ander zal worden afgehandeld op dezelfde wijze als voorgaande jaren. Tegenover de politie heeft [eiser] verklaard dat de afhandeling dan als volgt verloopt: [V] koopt de runderen van hem en vervolgens verkoopt [V] de runderen aan [gedaagde]. Bij het ophalen van de runderen moet [V] de koopprijs aan [eiser] betalen. Uit deze feitelijke gang van zaken volgt dat niet tussen [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar tussen [eiser] en [V].

4.2. Voorgaande conclusie wordt bevestigd door de wijze waarop de overeenkomst verder is uitgevoerd. [V] heeft bij de uitvoering van de overeenkomst bonnen geschreven. Uit de inkoopbon blijkt dat [V] op 9 september 2003 veertien stieren van [eiser] heeft gekocht voor een bedrag van € 18.073,48. Uit een verkoopbon van dezelfde dag blijkt dat [V] deze stieren heeft verkocht en geleverd aan [gedaagde] voor een bedrag van € 18.913,--.

4.3. Dat [eiser] er in eerste instantie zelf ook van uitging dat hij een overeenkomst met [V] had gesloten, blijkt uit de wijze waarop [eiser] zijn vordering heeft proberen te incasseren. [eiser] heeft een deurwaarder ingeschakeld om de vordering te verhalen op [V]. Nadat de schuldsaneringsregeling op [V] van toepassing werd verklaard, heeft [eiser] zijn vordering ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder van [V]. Pas acht maanden na de totstandkoming van de overeenkomst heeft [eiser] een factuur op naam van [gedaagde] gesteld en aan hem verzonden. [gedaagde] heeft niet eerder een factuur ontvangen van [eiser] voor de koop van runderen, ook niet in 2001 en 2002.

4.4. Nu is gebleken dat er geen koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten, moet bezien worden of [V] mogelijk als lasthebber van [gedaagde] is opgetreden. Deze grond kan evenmin tot toewijzing van de vordering leiden. [eiser] kan [gedaagde] alleen maar aanspreken voor zover [gedaagde] [V] niet heeft betaald. Als [gedaagde] heeft betaald aan [V], dan komt [eiser] geen aanspraak op betaling toe ten opzichte van [gedaagde]. [gedaagde] heeft betaald op de bankrekening die [V] hem heeft opgegeven. Dat dit naderhand bleek de rekening van de vader van [V] te zijn, is in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] niet van belang. Betaling heeft plaatsgevonden op de door [V] aangegeven plaats. Daarmee heeft [gedaagde] aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan [eiser] hem niet meer tot betaling aanspreken.

4.5. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden op:

- vast recht 640,--

- salaris advocaat 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 1.544,--

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.544,--;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.K.N. Vos en in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2009.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

63057 / HA ZA 08-257

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 63057 / HA ZA 08-257

Vonnis van 25 februari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Jemgun-Ditzum, Duitsland,

eiser,

advocaat: mr. E.H.A. Schute te Serooskerke, gemeente Veere,

tegen

[gedaagde]

wonende te Heikant, gemeente Hulst

gedaagde,

advocaat: mr. E. Bregonje te Terneuzen.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 13 augustus 2008

het proces-verbaal van comparitie van 15 oktober 2008.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] heeft vanaf 1992 tot 31 december 2005 een rundveehouderij gedreven in Herwijnen. [eiser] fokte runderen en verkocht deze vervolgens.

2.2. In 2001 en 2002 heeft [eiser] runderen verkocht waar[V]] de runderen ophaalde, de koopprijs voldeed en de runderen vervolgens leverde aan [gedaagde].

2.3. In augustus 2003 heeft [eiser] aan [V] op de veemarkt in Chiney (België) medegedeeld dat hij voornemens was om vijftien runderen te verkopen.

2.4. Op 26 augustus 2003 zijn [gedaagde] en [V] gezamenlijk naar Herwijnen gegaan en hebben zij voornoemde runderen bekeken. Vervolgens is onderhandeld. [eiser] heeft veertien runderen verkocht voor een bedrag van € 18.073,48. [gedaagde] heeft daarbij voorgesteld om de kwestie op dezelfde wijze als de voorgaande jaren, namelijk via tussenkomst van [V], af te handelen. Dit voorstel is door zowel [eiser] als [V] geaccepteerd.

2.5. Op 9 september 2003 heeft [V] de veertien runderen in Herwijnen op een veewagen geladen. [V] had op dat moment de koopprijs moeten voldoen, maar hij deelde mede dat hij nog geen geld van [gedaagde] had ontvangen. [eiser] is akkoord gegaan met uitstel van betaling voor een paar dagen. [V] heeft [eiser] echter niet betaald.

2.6. Op 12 september 2003 heeft [gedaagde] een bedrag van € 18.913,-- betaald op de bankrekening van de vader van [V].

2.7. [eiser] heeft op 15 maart 2004 aangifte gedaan van oplichting door [V]. [eiser] heeft bij deze aangifte onder meer het volgende verklaard: “(…) Tijdens deze ontmoeting zijn [V] en ik samen tot de afspraak gekomen, dat [V] [v], 14 runderen zou kopen van mij, dit voor een totaal bedrag van 18.073,48 euro. Vervolgens verkoopt [V] de 14 runderen aan dhr. [gedaagde]. (…) [V] [v] koopt al jaren voor J.J. van Dorsselaer vee in. [V] zorgt voor het vervoer van de runderen en verkoopt deze aan dhr. [gedaagde]. Dit ging altijd goed. Ik weet dat [V] voor zichzelf werkt. (…) [V] heeft een rekening opgemaakt, Hierop staat dat er op 9 september 2003, van [eiser], [adres] te Herwijnen, 14 runderen voor een bedrag van 18.073,48 euro wordt verkocht aan [V] [v], [adres] Hulst. De rekening wordt door beiden getekend. (…)”

2.8. In oktober 2003 heeft [eiser] een deurwaarder ingeschakeld om zijn vordering op [V] te verhalen.

2.9 Op 20 april 2004 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur verstuurd voor de runderen. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van die factuur betwist bij brieven van 26 april 2004 en 18 mei 2004.

2.10. Op 8 mei 2006 is de wet Schuldsanering Natuurlijke Personen van toepassing verklaard op [V].

2.11. [eiser] heeft in juni 2007 zijn vordering op [V] ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder van [V].

Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 18.073,48, de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de kosten van de procedure.

Indien en voorzover de rechtbank mocht oordelen dat er tussen [eiser] en [gedaagde] geen koopovereenkomst terzake de koop van veertien runderen tot stand is gekomen, een verklaring voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van een overeenkomst van lastgeving tussen [gedaagde] en [V] gehouden is de hiervoor omschreven vorderingen aan [eiser] te betalen.

[eiser] stelt hiertoe onder meer het volgende. Op 26 augustus 2003 is een koopovereenkomst ter zake veertien runderen tussen partijen tot stand gekomen. Ondanks aanmaningen en sommaties is niet betaald. [eiser] vordert nakoming van de overeenkomst en schadevergoeding. Indien en voor zover geoordeeld wordt dat er tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen, stelt [eiser] dat [V] de runderen op last van [gedaagde] heeft gekocht. [V] werkte als tussenpersoon voor [gedaagde].

3.3. [gedaagde] voert verweer. [eiser] heeft geen koopovereenkomst gesloten met hem, maar met [V]. [eiser] heeft zelf verklaard dat hij de stieren heeft verkocht aan [V]. Dit blijkt ook uit de bonnen die [V] in dat verband heeft opgemaakt. [eiser] heeft zijn vordering bij [V] proberen te incasseren. [eiser] heeft ook jegens de bewindvoerder van [V] aangegeven dat hij een vordering had op [V] uit hoofde van een met hem gesloten koopovereenkomst. [V] heeft de stieren vervolgens doorverkocht aan [gedaagde]. Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat [gedaagde] wel contractpartij is, heeft [gedaagde] bevrijdend betaald aan [V] op grond van artikel 6:34 BW. [gedaagde] mocht er van uitgaan dat [V] zijn contractpartij was. [eiser] had al twee maal eerder middels [V] stieren gekocht van [eiser]. Die eerdere overeenkomsten waren op dezelfde wijze tot stand gekomen als de onderhavige overeenkomst. [gedaagde] ging er ook in die gevallen – net als in het onderhavige geval – van uit dat de stieren door [eiser] werden verkocht aan [V] en dat [V] de stieren op zijn beurt weer doorverkocht aan hem. Gelet op het feit dat [V] bij al die overeenkomsten een inkoopfactuur aan [eiser] had verstrekt en een verkoopfactuur aan [gedaagde] en [gedaagde] ook altijd de koopsom heeft voldaan aan [V] en [eiser] hierover ook nimmer heeft geklaagd, kon en mocht [gedaagde] er van uitgaan dat [V] zijn contractpartij was en niet [eiser]. [gedaagde] mocht er dus op vertrouwen dat hij bevrijdend aan [V] kon en moest betalen.

De beoordeling

Partijen hebben op 26 augustus 2003 met elkaar afgesproken dat [gedaagde] de veertien runderen koopt die [eiser] te koop aanbiedt, waarbij zij tegelijkertijd afspreken dat een en ander zal worden afgehandeld op dezelfde wijze als voorgaande jaren. Tegenover de politie heeft [eiser] verklaard dat de afhandeling dan als volgt verloopt: [V] koopt de runderen van hem en vervolgens verkoopt [V] de runderen aan [gedaagde]. Bij het ophalen van de runderen moet [V] de koopprijs aan [eiser] betalen. Uit deze feitelijke gang van zaken volgt dat niet tussen [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst tot stand is gekomen, maar tussen [eiser] en [V].

4.2. Voorgaande conclusie wordt bevestigd door de wijze waarop de overeenkomst verder is uitgevoerd. [V] heeft bij de uitvoering van de overeenkomst bonnen geschreven. Uit de inkoopbon blijkt dat [V] op 9 september 2003 veertien stieren van [eiser] heeft gekocht voor een bedrag van € 18.073,48. Uit een verkoopbon van dezelfde dag blijkt dat [V] deze stieren heeft verkocht en geleverd aan [gedaagde] voor een bedrag van € 18.913,--.

4.3. Dat [eiser] er in eerste instantie zelf ook van uitging dat hij een overeenkomst met [V] had gesloten, blijkt uit de wijze waarop [eiser] zijn vordering heeft proberen te incasseren. [eiser] heeft een deurwaarder ingeschakeld om de vordering te verhalen op [V]. Nadat de schuldsaneringsregeling op [V] van toepassing werd verklaard, heeft [eiser] zijn vordering ter verificatie ingediend bij de bewindvoerder van [V]. Pas acht maanden na de totstandkoming van de overeenkomst heeft [eiser] een factuur op naam van [gedaagde] gesteld en aan hem verzonden. [gedaagde] heeft niet eerder een factuur ontvangen van [eiser] voor de koop van runderen, ook niet in 2001 en 2002.

4.4. Nu is gebleken dat er geen koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten, moet bezien worden of [V] mogelijk als lasthebber van [gedaagde] is opgetreden. Deze grond kan evenmin tot toewijzing van de vordering leiden. [eiser] kan [gedaagde] alleen maar aanspreken voor zover [gedaagde] [V] niet heeft betaald. Als [gedaagde] heeft betaald aan [V], dan komt [eiser] geen aanspraak op betaling toe ten opzichte van [gedaagde]. [gedaagde] heeft betaald op de bankrekening die [V] hem heeft opgegeven. Dat dit naderhand bleek de rekening van de vader van [V] te zijn, is in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] niet van belang. Betaling heeft plaatsgevonden op de door [V] aangegeven plaats. Daarmee heeft [gedaagde] aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan [eiser] hem niet meer tot betaling aanspreken.

4.5. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden op:

- vast recht 640,--

- salaris advocaat 904,-- (2 punten × tarief € 452,--)

Totaal € 1.544,--

De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.544,--;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.K.N. Vos en in het openbaar uitgesproken op

25 februari 2009.