Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BH9349

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
55592/ HA ZA 06-610
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eiser is als inzittende van een personenauto, die werd bestuurd door gedaagde, op 3 december 1999 betrokken geweest bij een ongeval en heeft daarbij letsel (een fractuur van de derde lendewervel) en schade opgelopen. De verzekeraar van de betreffende auto (Aegon schadeverzekeringen NV) heeft in 2001 in beginsel de aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen die een causaal verband staan met het ongeval en rechtstreeks daaruit voortvloeien. Op verzoek van partijen gezamenlijk heeft een orthopedisch chirurg uit Goes eiser onderzocht en op 9 december 2002 een rapport uitgebracht. Aan de hand van dat rapport hebben de medische adviseurs van elk van partijen sterk van elkaar verschillende beperkingenpatronen opgesteld. Aegon heeft in totaal - inclusief vergoeding van buitengerechtelijke kosten- een bedrag van €31.338, 49 aan (voorschot op) vergoeding van schade aan eiser aangeboden/uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

55592 / HA ZA 06-610

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 55592 / HA ZA 06-610

Vonnis van 7 januari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Lamswaarde,

eiser,

advocaat mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te Geldrop,

gedaagde,

advocaat mr. K.P.T.G. Flos.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 7 maart 2007

het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2007

de conclusie van repliek tevens houdende vermindering c.q. wijziging van eis

de conclusie van dupliek

de akte houdende uitlating.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] is als inzittende van een personenauto, die werd bestuurd door [gedaagde], op 3 december 1999 betrokken geweest bij een ongeval en heeft daarbij letsel (een fraktuur van de derde lendenwervel) en schade opgelopen. [eiser] heeft [gedaagde] voor de schade aansprakelijk gesteld. De verzekeraar van de betreffende auto – Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna Aegon) – heeft bij brief van 22 maart 2001 in beginsel de aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen die in causaal verband staan met het ongeval en rechtstreeks daaruit voortvloeien.

2.2. Op verzoek van partijen gezamenlijk (waarbij voor [gedaagde] toen en ook later Aegon optrad) heeft dr. [B], orthopaedisch chirurg te Goes, [eiser] onderzocht en op 9 december 2002 een rapport uitgebracht. Aan de hand van dat rapport hebben de medisch adviseurs van elk van partijen sterk van elkaar verschillende beperkingenpatronen opgesteld. Op verzoek van [eiser] heeft de rechtbank bij beschikking van 19 januari 2005 een voorlopig deskundigenonderzoek bevolen, dr. G.J. Kruithof, verzekeringarts te Mijnsherenland, als deskundige benoemd en hem verzocht een belastbaarheidsprofiel van [eiser] op te stellen en voorts een profiel op te stellen voor de hypothetische situatie zonder ongeval. Dr. Kruithof heeft op10 juni 2005 gerapporteerd. Aan de hand van de aldus beschikbare gegevens heeft vervolgens C.J.A. Rabbers-Gevers, registerarbeidsdeskundige bij Van Brunschot-Van Summeren-Hagoort te Uden met [eiser] gesproken en op 22 februari 2006 een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht.

2.3. Aegon heeft in totaal – inclusief vergoeding van buitengerechtelijke kosten – een bedrag van € 31.338,49 aan (voorschot op) vergoeding van schade aan [eiser] aangeboden/ uitbetaald.

Het geschil

[eiser] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser], als vergoeding van schade, van een bedrag van € 165.087,98, te vermeerderen met de door [gedaagde] geleden pensioenschade en te vermeerderen met de wettelijke rente over de schadeposten vanaf 3 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair bepaalt dat de schade (aanvullend) zal worden begroot door een door de rechtbank te benoemen deskundige(n), meer subsidiair bepaalt dat de schade die [eiser] heeft geleden ten gevolge van het ongeval op 3 december 1999 nader zal worden begroot door een door de rechtbank te benoemen deskundige(n), althans bepaalt dat [gedaagde] gehouden zal zijn aan [eiser] te vergoeden een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] stelt dat bij de vaststelling van de omvang van de door hem geleden schade niet alleen de bevindingen van orthopaedisch chirurg [B], maar ook zijn eigen, subjectieve, beleving van zijn klachten en de mate waarin hij deze als beperkend ervaart dienen te worden betrokken. Toetsing aan WAO-criteria is niet aan de orde. [eiser] verzet zich tegen het door [gedaagde] gevraagde bevel tot overlegging van zijn volledig medisch dossier; de vraag is te ongeclausuleerd en bovendien ontbreekt de noodzaak tot een dergelijk bevel.

Voor de vaststelling van de omvang van de schade is naar [eiser] stelt van belang dat hij in elk geval het eerste jaar na het ongeval in een brace liep en nauwelijks iets kon. Thans is hij in staat te doen wat hij volgens het rapport van Rabbers-Gevers kan doen; de in dat rapport genoemde beperkingen zijn er nog steeds en zijn blijvend.

[eiser] stelt de navolgende schadeposten:

verlies aan verdienvermogen ad € 108.000,--: [eiser] zet tegen elkaar af het gemiddelde inkomen dat hij zonder ongeval (en uitgaande van een gunstige loopbaanontwikkeling) zou hebben verdiend (van ruim € 24.000,-- per jaar) en het gemiddelde inkomen dat hij zal verdienen in de door Rabbers-Gevers genoemde mogelijke functies (van € 20.304,--). Rekening houden met het verlies van een dertiende maand komt de schade op € 4.000,-- per jaar, gedurende een looptijd van 27 jaar (vanaf datum ongeval tot het 65ste levensjaar van [eiser]). Met deze inkomensschade hangt samen een nog nader uit te rekenen pensioenschade ad P.M..

kosten huishoudelijke hulp ad € 11.520,--: [eiser] stelt drie jaar lang voor 8 uur per week een (zwart betaalde) huishoudelijke hulp nodig te hebben gehad; hij betaalde € 10,-- per uur.

kosten verlies zelfwerkzaamheid ad € 10.125,--: [eiser] stelt voor 25 uur per jaar werkzaamheden in zijn tuin te moeten laten verrichten, gedurende een looptijd van 27 jaar.

kosten verbouwing ad € 22.055,--: [eiser] was van plan zo’n 90% van de werkzaamheden van de verbouwing van zijn huis zelf te doen. Zeker de eerste anderhalf jaar na het ongeval kon hij nauwelijks iets. Genoemd bedrag stelt hij – verwijzend naar een door hem overgelegd overzicht van werkzaamheden – te hebben uitgegeven voor werkzaamheden, verricht door derden, terwijl hij die zonder het ongeval zelf had kunnen verrichten.

smartengeld ad € 9.000,--: Dit bedrag acht [eiser], alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk.

buitengerechtelijke kosten ad € 4.387,98: naast de reeds door [gedaagde] vergoede bedragen acht [eiser] vergoeding van deze daadwerkelijk en in redelijkheid gemaakte kosten van een redelijke hoogte op zijn plaats.

[eiser] stelt (subsidiair) dat voor zover zijn schade thans niet kan worden vastgesteld, onderzoek door een deskundige noodzakelijk is.

3.3. [gedaagde] stelt dat [eiser], nu hij zich niet kan verenigen met de rapportage van de hiervoor onder 2.2 genoemde rapportages, zijn volledige medische dossier (waaronder de patiëntenkaart van de huisarts en rapportages van UWV) in het geding dient te brengen. Dat is nodig omdat in de rapportages sprake is van (mogelijke) eerdere rugklachten; in het licht daarvan moet vraag worden beantwoord in hoeverre eerdere medische klachten een rol spelen bij de huidige (gestelde) beperkingen en/of (in welke mate en op welk moment) rugklachten ook zonder ongeval zouden zijn ontstaan. Voorts is van belang dat meer helderheid komt omtrent een (kennelijk) door [eiser] aan een chirurg gedane mededeling dat twee maanden na het ongeval er nauwelijks nog klachten waren.

Voorts stelt [gedaagde] dat de beschikbare, op verzoek van beide partijen gezamenlijk opgemaakte, rapportage voldoende duidelijk is. De beperkingen zijn door [B] in kaart gebracht; op grond daarvan is een beperkingenprofiel opgesteld. Er is geen grond om zich bij het opstellen daarvan door de subjectieve klachtenbeleving van [eiser] te laten leiden. De schade kan aan de hand van genoemde rapportage worden vastgesteld. Er is sprake van een eindtoestand. Nader onderzoek is niet nodig. Uit de rapportage – waarvan het rapport van de (in goed overleg tussen partijen aangezochte) arbeidsdeskundige de laatste stap is geweest – blijkt dat [eiser] (nagenoeg) geen beperkingen (meer) ondervindt voor het verrichten van betaald werk, huishoudelijk werk en klussen in en om de woning (waaronder die van de verbouwing). [eiser] kan veel meer (en heeft steeds veel meer gekund) dan hij denkt/doet voorkomen. Voorts had hij zijn schade op al deze punten kunnen beperken, maar dat niet gedaan. [eiser] onderbouwt zijn schade onvoldoende. Aard, omvang en gevolgen van het letsel rechtvaardigen tenslotte niet een smartengeld van de omvang als door [eiser] gevorderd; [gedaagde] acht een vergoeding van € 7.000,-- passend. De gestelde buitengerechtelijke kosten zijn deels niet redelijk, deels processuele kosten. Het resterende bedrag (van ongeveer € 1.425,--) is inbegrepen in de al uitgekeerde vergoeding, genoemd in 2.3. Met het daar genoemde bedrag meent [gedaagde] de schade volledig te hebben vergoed.

De beoordeling

Met het oog op de vaststelling van de omvang van de door [eiser] tengevolge van het hem in december 1999 overkomen verkeersongeval geleden (letsel-)schade zijn – in onderling overleg tussen partijen en met beider instemming, dan wel op grond van een beslissing van deze rechtbank – de onderzoeken, vermeld in 2.2, gedaan. In die onderzoeken is aandacht besteed aan de lichamelijke gevolgen van het ongeval en ook aan de – door de onderzoekers daarbij niet goed passend gevonden – subjectieve beleving van de klachten van [eiser]. Die subjectieve beleving is in zoverre dus in de onderzoeken betrokken geweest, en hebben de onderzoekers niet gebracht tot andere conclusies dan die, welke zij in hun rapporten hebben getrokken. Nu [eiser] uitdrukkelijk stelt dat (nog meer) met zijn subjectieve beleving rekening moet worden gehouden, mag van hem worden gevergd dat hij gemotiveerd aangeeft op welke wijze en in welke mate dat moet gebeuren. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft alleen aangegeven dat er van moet worden uitgegaan dat hij tot veel minder in staat is/was dan uit de rapportage blijkt. Dat is voor de rechtbank onvoldoende om aan de bevindingen uit de diverse deskundigenonderzoeken voorbij te gaan. Van die rapportage zal in het navolgende dan ook worden uitgegaan.

4.2. [gedaagde] heeft om inbreng door [eiser] van zijn volledig medisch dossier gevraagd. [eiser] verzet zich daartegen. [gedaagde] wil het medisch dossier inzien onder meer om inzicht te krijgen in eventuele klachten die al voor het ongeval bestonden. Overlegging van die gegevens wordt pas actueel als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [gedaagde] met de reeds aan [eiser] betaalde vergoeding niet volledig aan haar plicht tot schadevergoeding heeft voldaan. De rechtbank zal hierna tot het oordeel komen dat [gedaagde] wel volledig aan die plicht heeft voldaan. In dat licht bezien is niet meer nodig dat de gevraagde nadere medische gegevens nog worden overgelegd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze wens van [gedaagde].

4.3. De rechtbank komt dan toe aan beoordeling van de diverse door [eiser] gestelde schadeposten. Zoals hiervoor al aangegeven gaat de rechtbank daarbij uit van de hiervoor onder 2.2 genoemde rapportage, en dan met name van het rapport van arbeidsdeskundige Rabbers-Gevers.

- verlies aan verdienvermogen: Blijkens het rapport van Rabbers-Gevers is [eiser], wanneer met zijn beperkingen wordt rekening gehouden, geschikt voor de functie die hij als laatste voor het ongeval verrichtte (vertegenwoordiger/accountmanager/chauffeur). Ook andere mogelijkheden worden genoemd. In de visie van Rabbers-Gevers hoeven de beperkingen [eiser] niet in de weg te staan bij een succesvolle re-integratie. Wel noemt Rabbers-Gevers een gebrek aan motivatie om te re-integreren. Van belang is voorts dat [eiser] na het ongeval nog tot midden 2002 bij zijn toenmalige werkgever heeft gewerkt. In daarna mogelijk verkregen uitkeringen heeft hij geen inzicht gegeven. Voorts staat vast dat [eiser] sedert midden 2007 langdurig in het buitenland verblijft (hij heeft niet nader aangegeven in welk land). De berekening die [eiser] van de hier bedoelde schade heeft overgelegd gaat van heel andere uitgangspunten uit. Daar wordt er van uitgegaan dat [eiser] vanaf het ongeval tot zijn 65ste levensjaar zal werken in een functie, waarvan het inkomen aanmerkelijk lager zal liggen dan het inkomen dat hij in zijn oude functie – rekening houdend met de door hem gewenste en mogelijk geachte loopbaanontwikkeling – zou hebben verdiend. Onbegrijpelijk is in dit verband dat namens [eiser] bij de wijziging van eis is aangegeven dat hij sinds 2007 in staat is te voldoen aan de mogelijkheden die arbeidsdeskundige heeft genoemd. Dat zou betekenen dat hij zich inmiddels in staat achtte te kunnen werken zoals voor het ongeval. De overgelegde schadeberekening staat daar haaks op. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding die berekening terzijde te leggen. [eiser] heeft nagelaten de gegevens over te leggen die een berekening mogelijk maken, waarin met de bevindingen van Rabbers-Gevers en met de hiervoor genoemde feitelijke omstandigheden rekening wordt gehouden. Dat leidt tot de conclusie dat de gestelde schade in verband met verlies aan verdienvermogen niet kan worden vastgesteld, en de vordering tot vergoeding ervan – voor zover niet al is vergoed – moet worden afgewezen. Gevolg daarvan is dat ook de gestelde pensioenschade, die slechts zou bestaan als er verlies aan verdienvermogen is vastgesteld, moet worden afgewezen.

- kosten huishoudelijke hulp: [eiser] stelt in de jaren 2000 tot en met 2002 per week 8 uur een werkster te hebben gehad, die hij € 10,-- per uur betaalde. Of hij voor het ongeval (als gescheiden man) een werkster had, maakt hij niet duidelijk. Bewijs van daadwerkelijke betaling legt hij niet over. Vast staat (immers blijkt uit het rapport van Rabbers-Gevers) dat [eiser] in 2006 nog huishoudelijke hulp had; gelet op de beperking van zijn schade tot en met 2002 zal de reden voor die hulp niet in het ongeval liggen. Voorts is uit de medische en arbeidsdeskundige rapportage niet zonder meer af te leiden dat [eiser] behoefte had aan huishoudelijke hulp van de omvang die hij nu stelt. In het licht van al deze gegevens acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat hij een schade heeft geleden als door hem berekend. Dat er in de eerste jaren na het ongeval schade is geweest acht de rechtbank – met [gedaagde] – wel aannemelijk. Zij stelt die – in redelijkheid – vast op € 5.000,--.

- kosten verlies zelfwerkzaamheid: Ook voor deze schade geldt dat aannemelijk is dat die er eerste jaren na het ongeval was. [eiser] heeft zelf gesteld sinds 2007 een aantal dingen zelf te kunnen. Van daadwerkelijke betaling in de jaren daarvoor blijkt niet. Voorts staat vast dat [eiser] nu in het buitenland verblijft, terwijl hij niet duidelijk heeft gemaakt of hij de gestelde kosten – die zien op onderhoud van de tuin bij zijn woning in Nederland – nog maakt. In het licht van deze omstandigheden stelt de rechtbank in redelijkheid vast dat een schade van € 375,-- per jaar (zoals door [eiser] zelf berekend) tot en met 2007 (derhalve gedurende 8 jaar) – dus in totaal € 3.000,-- – is geleden.

- kosten verbouwing: Vast staat dat in de drie jaar voorafgaand aan het ongeval er weinig aan de verbouwing is gedaan. Tegenover Rabbers-Gevers heeft [eiser] verklaard dat andere zaken (zijn eigen bedrijf, zijn hobby papegaaien) zijn aandacht opeisten. Dat hij – het ongeval weggedacht – in de jaren na 1999 meer tijd zou hebben gehad staat niet zonder meer vast. [eiser] heeft een schadeberekening overgelegd waarin ervan wordt uitgegaan dat hij in de periode na het ongeval tot 25 november 2003 gemiddeld 7 uur per week iemand tegen betaling aan de verbouwing heeft laten werken. Dat hij – het ongeval weggedacht – die 7 uur per week beschikbaar zou hebben gehad, stelt hij echter niet. Enige onderbouwing van de door [eiser] genoemde uren die aan de verbouwing zijn besteed, wordt niet gegeven. Van betaling voor de door [eiser] genoemde werkzaamheden worden geen bewijzen overgelegd.

Daarnaast geldt dat Kruithof slechts in zijn algemeenheid heeft gerapporteerd dat het antwoord op de vraag of een patiënt het eerste jaar na een ongeval zoals [eiser] is overkomen, in staat was verbouwingswerkzaamheden te verrichten, afhangt van de aard en zwaarte van de werkzaamheden. De werkzaamheden op het door [eiser] overgelegde kostenoverzicht zijn voor een groot deel geen zware verbouwingswerkzaamheden. Voor al die werkzaamheden achtte Rabbers-Gevers geen beperkingen aanwezig.

In het licht van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser] deze schadepost onvoldoende heeft onderbouwd, zodat hij dient te worden afgewezen.

- smartengeld: De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld rekening met het feit dat voldoende vast staat dat in elk geval de eerste tijd na het ongeval [eiser] beperkingen ondervond. Die beperkingen betroffen vooral de meer wat belastende activiteiten. De rechtbank houdt anderzijds rekening met de omstandigheid dat de diverse deskundigen bij hun onderzoeken niet voor alle klachten die [eiser] stelt medische gronden hebben kunnen vinden en dat – zoals Rabbers-Gevers rapporteert – ook andere, niet ongevalsgerelateerde gronden (zoals een zeker gebrek aan inzet) tot een langdurig uitgeschakeld zijn heeft geleid. Alles afwegend oordeelt de rechtbank een smartengeld ter hoogte van € 7.000,--, zoals door [gedaagde] aangeboden, redelijk.

- buitengerechtelijke kosten: Namens [gedaagde] is (zo heeft zij onbetwist gesteld) al een bedrag van € 11.338,49 (als onderdeel van het onder 2.3 genoemde bedrag) bevoorschot. [eiser] vordert een aanvullende vergoeding van € 4.387,98. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat in de overzichten van kosten ook proceskosten (in de procedure tot verkrijging van een voorlopig deskundigenbericht, er wordt ook een (concept-)dagvaarding in kort geding genoemd) zijn opgenomen. Voor het overige oordeelt de rechtbank de kosten in redelijkheid gemaakt en van een redelijke omvang. In redelijkheid stelt de rechtbank de aanvullend te vergoeden buitengerechtelijke kosten op € 2.500,--.

In totaal komt de rechtbank op een schadebedrag van € 17.500,--. [gedaagde] heeft het in 2.3 genoemde bedrag aan [eiser] betaald. In dat bedrag is ook een (in deze procedure niet meer gevorderde) vergoeding van buitengerechtelijke kosten begrepen, en naar is aan te nemen ook (in een eerdere schadestaat van [eiser] opgenomen) materiële schade. Daarmee rekening houdend moet worden geconstateerd dat [gedaagde] met betaling van genoemd bedrag de schade volledig heeft vergoed.

4.4. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal hij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Gezien de wijziging van eis bij repliek (waardoor de vordering niet meer van onbepaalde waarde was, maar expliciet het bedrag van € 165.087,98 + P.M. beliep) dient – dat is kennelijk nog niet gebeurd – toepassing te worden gegeven aan artikel 2 lid 4 Wet tarieven in burgerlijke zaken. Voordat een kostenveroordeling dient plaats te vinden dient de griffie van deze rechtbank het vast recht aan te passen. Partijen kunnen tegen die aanpassing binnen één maand verzet instellen. In afwachting van een definitieve vaststelling van het vast recht door de griffie zal de rechtbank de beslissing over de hoogte van de proceskosten aanhouden voor de tijd van zes weken. De overige proceskosten aan de zijde van [gedaagde] – zijnde salaris advocaat – worden nu al begroot, en gesteld op € 2.452,-- (2,0 punten x tarief II (€ 452,--) en 1.0 punt x tarief V (€ 1.421,--))

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan;

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 februari 2009 voor eindvonnis over de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2009