Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BH7011

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
Awb 07/1264
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leenbijstand. Vaststellen aflossingsverplichting. Terugvordering. Omzetting in bijstand om niet. Aankoop woning tijdens bijstand. Onvoldoende besef van verantwoordelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 07/1264

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam]

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

eiseres,

gemachtigden [naam] en mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Borsele,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van verweerder van 29 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 9 februari 2009 behandeld ter zitting. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A. Sinke. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Bij besluit van 27 februari 2003 heeft verweerder eiseres een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in de vorm van een geldlening toegekend, onder meer onder de voorwaarde dat eiseres de afdeling Sociale Zaken informeert over de afwikkeling en verdeling van de boedelscheiding. Over de periode 10 januari 2003 tot en met 31 mei 2006 heeft eiseres in totaal € 36.652,24 aan leenbijstand ontvangen.

2. Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft verweerder de verstrekte leenbijstand op grond van artikel 58, eerste lid, onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) volledig van eiseres teruggevorderd en de bijstand met ingang van 1 juni 2006 beëindigd. Verweerder heeft het vermogen waarover eiseres na afwikkeling van de boedelscheiding beschikte of kon beschikken vastgesteld op € 67.635,78. Tegen dit besluit heeft eiseres op 30 november 2006 bezwaar gemaakt; op 11 januari 2007 heeft zij de bezwaargronden aangevuld.

3. Hangende het bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 april 2007 de grondslag van de terugvordering en de vaststelling van het vermogen herzien, in die zin dat wordt teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, onder f, van de WWB tot een bedrag van € 36.050,00.

4. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft verweerder het besluit van 3 april 2007 herzien door in plaats van terug te vorderen een aflossingsverplichting vast te stellen en op te leggen. Ook is, naar aanleiding van de hoorzitting van 12 april 2007, de vaststelling van het vermogen herzien op een bedrag van € 111.050,27. Verweerder heeft het af te lossen bedrag van € 36.050,00 echter niet aangepast, omdat eiseres niet in een nadeliger positie mag worden gebracht ten opzichte van de situatie dat zij geen bezwaarschrift had ingediend. Tegen het besluit van 31 mei 2007 heeft eiseres op 30 augustus 2007 nadere gronden aangevoerd.

5. Met het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, het bezwaar ongegrond verklaard.

6. Eiseres stelt dat het vermogen onjuist is vastgesteld. Verweerder heeft de woning als vermogensbestanddeel aangemerkt, terwijl was toegezegd dat de woning niet zou worden meegenomen. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de schuld in verband met de aankoop van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) niet gekwalificeerd als een schuld die in het kader van de WWB in mindering op de waarde van de bezittingen dient te strekken.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning op grond van artikel 34 van de WWB bij de vaststelling van het vermogen dient te worden meegenomen. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de schuld in verband met de aankoop van de woning een schuld met een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is.

De rechtbank overweegt als volgt.

8. In artikel 24, aanhef en onder a, van de Abw is bepaald dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is gelijkluidend.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef onder a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt, voor zover van belang, onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

In artikel 58, eerste lid, van de WWB is onder meer bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand (b) in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen, en (f) anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat (1°) de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

9. De rechtbank begrijpt de (herziene) besluiten van verweerder zoals deze in bezwaar zijn gehandhaafd als volgt.

10. Verweerder heeft aanvankelijk de verstrekte leenbijstand volledig teruggevorderd en de leenbijstand per 1 juni 2006 beëindigd. Terecht heeft verweerder nadien overwogen dat eerst de aflossingsverplichting moet worden vastgesteld en dat terugvordering pas kan plaatsvinden als niet wordt voldaan aan deze aflossingsverplichting. Overigens geldt dat de wettelijke basis voor een besluit tot terugvordering van leenbijstand niet in artikel 58, eerste lid, onder f, van de WWB is gelegen, maar in onderdeel b van hetzelfde lid.

11. Verweerder heeft de hoogte van de leenbijstand bepaald aan de hand van het vermogen van eiseres per 10 januari 2003. Eiseres heeft in totaal € 36.652,24 aan leenbijstand ontvangen. Uitgangspunt is dat bijstand die als geldlening is verleend moet worden terugbetaald. De hoogte van het vermogen ten tijde van het beëindigen van de leenbijstand doet aan deze basale verplichting niet af. Daarom kan het feit dat verweerder in zijn besluiten heeft beoordeeld tot welk bedrag de aflossingsverplichting kan worden opgelegd en dat verweerder de bijstand per 1 juni 2006 heeft beëindigd, niet anders worden begrepen dan dat verweerder heeft beoordeeld of de leenbijstand kan worden omgezet in bijstand om niet. Bij de beoordeling of eiseres na beëindiging van de leenbijstand recht heeft op bijstand om niet moet de vermogenssituatie van eiseres op 1 juni 2006 worden bepaald, zoals verweerder ook heeft gedaan.

12. In geschil is allereerst of de woning van eiseres in het vermogen van eiseres op 1 juni 2006 moet worden meegenomen. Vast staat dat eiseres de woning op 1 juli 2003 heeft gekocht. De waarde van de woning is bepaald op € 175.000,00. De woning is gedeeltelijk gefinancierd met een hypotheek ten bedrage van € 100.000,00 en gedeeltelijk met een onderhandse lening ten bedrage van € 100.00,00, exclusief notaris- en bijkomende kosten.

13. Nu de woning op 1 juni 2006 een bezitting in de zin van artikel 34 van de WWB is, heeft verweerder de waarde van de woning terecht bij de vaststelling van het vermogen betrokken. De stelling van eiseres dat verweerder heeft toegezegd de woning niet te zullen meenemen, moet worden verworpen. Voor zover eiseres zich beroept op het besluit van 1 september 2003, geldt dat dit besluit betrekking heeft op de leenbijstand en niet op de bijstand om niet. Voor zover eiseres zich erover beklaagt dat verweerder eerst in het besluit van 31 mei 2007 de woning als vermogensbestanddeel heeft opgenomen, geldt dat verweerder op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd was het besluit van 3 april 2007 in deze zin te wijzigen.

14. Voorts is in geschil of de onderhandse lening als een schuld in de zin van de WWB had moeten worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan ter bepaling van de vermogenssituatie van een bijstandsgerechtigde slechts rekening worden gehouden met een schuld voor zover deze in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en voor zover aan die schuld ook een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

15. Voor de onderhandse lening is een schuldbekentenis opgesteld, die is ondertekend op 30 juni 2003 en aangevuld op 14 oktober 2003. Met de schuldbekentenis is de schuld met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd en in voldoende mate aannemelijk gemaakt. In de aanvulling op de schuldbekentenis is onder meer het volgende opgenomen: “De geleende gelden dienen te worden afgelost zodra de schuldenaar de beschikking krijgt over haar aandeel in de opbrengst van de woning [adres2] te [plaats2] of de woning [adres] te [plaats], doch uiterlijk op 30 december 2009.” Blijkens deze passage is de aflossing niet slechts gekoppeld aan een onzekere gebeurtenis in de toekomst, te weten de verkoop van (een van) de woningen, maar is tevens een concrete datum vermeld waarop aflossing dient te plaats te vinden. Aan de schuld is daarom naar het oordeel van de rechtbank een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling verbonden. Dat de wijze van aflossing op 30 december 2009 niet is vermeld, doet aan de verplichting tot terugbetaling op die datum niet af. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiseres de aanvulling op de schuldbekentenis te laat in het geding heeft gebracht, verwerpt de rechtbank dit standpunt. De verwijzing naar de aanvulling op de schuldbekentenis op 30 augustus 2007 vormt een nadere onderbouwing van een reeds op 11 januari 2007 door eiseres ingenomen standpunt dat de onderhandse lening een schuld in de zin van de WWB is.

16. Dat de onderhandse lening als een schuld in de zin van de WWB dient te worden aangemerkt, betekent niet dat de schuld, al dan niet volledig, in mindering op de waarde van de bezittingen komt. Als basisverplichting van de WWB geldt dat een belanghebbende blijk moet geven over voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan te beschikken. Eiseres is op het moment dat zij leenbijstand ontving extra schulden aangegaan. De waarde van de door haar aangekochte woning is immers lager dan het bedrag waarmee zij de woning heeft gefinancierd. Gelet op die extra schulden heeft eiseres (deels) onnodig een beroep op de WWB gedaan. Dit getuigt naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid. De stelling van eiseres dat de aankoop van de woning haar niet kan worden tegengeworpen omdat verweerder zelf daaraan heeft meegewerkt, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk. Reeds in het besluit van 27 februari 2003 heeft verweerder eiseres gewezen op de gevolgen van het kopen van een woning en vermeld dat dit gevolgen voor de bijstandsverlening kan hebben.

17. Gelet op het bovenstaande kan de onderhandse lening bij de vaststelling van het vermogen worden meegenomen, voor zover tegenover deze schuld een bezitting staat. Aangezien de waarde van de woning is bepaald op € 175.000,00 en eiseres een hypotheek voor € 100.000,00 heeft afgesloten, moet de onderhandse lening worden beperkt tot € 75.000,00.

18. Eiseres heeft in haar beroepschrift de gronden die zij in bezwaar naar voren heeft gebracht herhaald. Behalve ten aanzien van de hierboven besproken gronden heeft eiseres niet duidelijk gemaakt op welke punten en om welke redenen de weerlegging door verweerder in het bestreden besluit volgens haar tekortschiet. Door te volstaan met een integrale herhaling van de bezwaargronden heeft eiseres de weerlegging daarvan niet bestreden. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat wat verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van de hierboven niet-besproken bezwaargronden heeft betoogd rechtens niet juist is.

19. Nu verweerder de onderhandse lening ten onrechte niet als schuld in de zin van de WWB heeft aangemerkt, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 34 van de WWB voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven, nu een nieuwe berekening van het vermogen per 1 juni 2006 niet leidt tot de vaststelling van een lagere aflossingsverplichting. De berekening zoals deze in het besluit van 31 mei 2007 is gemaakt, dient als uitgangspunt voor de nieuwe berekening. Als extra schuld wordt de onderhandse lening tot een bedrag van € 75.000,00 opgenomen. Dat resulteert in een totaalbedrag aan schulden van € 278.532,00. Dit bedrag komt in mindering op de bezittingen en op het vermogen zoals vastgesteld bij besluit van 27 februari 2003. Na aftrek van het vrij te laten vermogen resteert een vermogen per 1 juni 2006 van € 36.050,27. Verweerder heeft derhalve, gegeven het beginsel dat iemand door het gebruik van rechtsmiddelen niet in een slechtere positie terecht mag komen, de aflossingsverplichting terecht vastgesteld op € 36.050,00 en de leenbijstand per 1 juni 2006 beëindigd.

20. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden gesteld op een bedrag van € 644,00, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en van twee proceshandelingen, in verband met een verleende toevoeging te betalen aan de griffier.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

bepaalt dat de gemeente Borsele aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,00 (negenendertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Borsele aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Dijkman, in tegenwoordigheid van R. de Pooter, griffier, en op 19 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: