Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BH5391

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
Awb 08/485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wav-boete. Eenmanszaak. Begrip particulier in Algemene instructie Handhaving Wet arbeid vreemdelingen van 4 mei 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/485

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

(naam),

handelend onder de naam (naam),

wonende te (woonplaats),

eiser,

gemachtigde mr. S.J.W.C. Lipmans, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam (voorheen: mr. A.M. Moolenaars),

tegen

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar van verweerder van 18 april 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 29 januari 2009 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.S. van Muiswinkel. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Bij besluit van 6 juli 2007 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 12.000,00 opgelegd wegens drie overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

2. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het besluit met het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiser betoogt niet verwijtbaar te hebben gehandeld, zodat van boeteoplegging moet worden afgezien. Mocht hij gedeeltelijk verwijtbaar hebben gehandeld, dan verzoekt hij om matiging van de boete. Eiser stelt daartoe dat verweerder in strijd met de Algemene instructie Handhaving Wet arbeid vreemdelingen van 4 mei 2007 (hierna: de Handhavingsinstructie) heeft gehandeld. Verweerder heeft ten onrechte de bescherming van particulieren niet op eiser van toepassing verklaard, terwijl eiser wel als particulier een boete is opgelegd. Eiser stelt dat

er voor hem redelijkerwijs geen aanwijzingen waren dat (naam), aan wie hij de opdracht voor schilderwerkzaamheden had verleend, vreemdelingen illegaal tewerkstelde.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan eiser terecht de boete als eenmanszaak en niet als particulier is opgelegd. Eiser heeft in de uitoefening van een ambt, bedrijf of beroep vreemdelingen arbeid laten verrichten, omdat de opdracht is verleend op naam van de dansschool en de factuur van 15 mei 2006 aan de dansschool is gericht.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wav wordt onder werkgever verstaan:

1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;

2°. de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

In het eerste lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat onder een vreemdeling wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw).

Ingevolge artikel 1, onder m, van de Vw wordt onder vreemdeling verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland arbeid te laten verrichten.

In artikel 18 van de Wav is bepaald dat als beboetbaar feit onder meer wordt aangemerkt het niet naleven van artikel 2 van de Wav.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de Wav kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt – voor zover van belang – voor de toepassing van het eerste lid met een rechtspersoon gelijkgesteld de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Wav legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Op grond van artikel 19d, derde lid, van de Wav, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2007 (hierna: de Beleidsregels boeteoplegging Wav) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Tarieflijst).

Volgens beleidsregel 2 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete gehanteerd: 0,5 maal het boetenormbedrag.

Volgens beleidsregel 4 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav op € 8.000,00 gesteld.

In paragraaf 3.7 van de Handhavingsinstructie is – voor zover van belang – bepaald dat het verbod om een vreemdeling arbeid te laten verrichten in Nederland zonder te beschikken over een tewerkstellingsvergunning ook geldt ten aanzien van de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten (de particulier). De Arbeidsinspectie maakt een uitzondering voor de situatie waarin de particulier een opdracht tot het verrichten van huishoudelijke of persoonlijke diensten verleent aan een bedrijf en er voor die particulier redelijkerwijs geen aanwijzingen zijn dat dit bedrijf vreemdelingen tewerkstelt. Alsdan wordt geen boeterapport opgemaakt tegen de particulier. Het feit dat de particulier niet afdoende heeft gecontroleerd of degene die in opdracht van hem persoonlijke of huishoudelijke diensten verricht daartoe wel gerechtigd is, wordt hem in deze situatie niet aangerekend.

6. Op grond van de stukken, met name het door eiser niet betwiste ambstedige boeterapport, gaat de rechtbank van de volgende feiten uit.

7. Eiser, wonende aan (adres) te (woonplaats), exploiteert een dansschool en café aan (adres) te (plaats) onder de handelsnaam (naam). Op 18 mei 2006 hebben inspecteurs van de Arbeidsinspectie de locaties (adressen) en (adres) te (plaats), waar een werkneemster van de dansschool van eiser woonachtig was, bezocht in verband met een controle in het kader van de Wav. Zij hebben daar drie personen van Poolse nationaliteit aangetroffen die schilderwerkzaamheden voor eiser verrichtten. Deze personen bleken vreemdeling in de zin van de Vw te zijn. Eiser was niet in het bezit van tewerkstellingsvergunningen voor deze personen.

8. Deze feiten leveren drie overtredingen op van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Verweerder was bevoegd eiser hiervoor een boete op te leggen. Eiser is terecht aangemerkt als natuurlijke persoon in de zin van artikel 18a, eerste lid, van de Wav. Verweerder heeft met toepassing van de Beleidsregels boeteoplegging Wav het boetebedrag bepaald op € 12.000,00, zijnde driemaal de helft van het boetenormbedrag van € 8.000,00.

9. Eiser heeft in zijn beroepschrift en ter zitting verwezen naar de gronden die hij in bezwaar naar voren heeft gebracht en in beroep als herhaald en ingelast beschouwt. Echter, noch in nadere stukken noch ter zitting heeft eiser invulling gegeven aan deze verwijzing en duidelijk gemaakt op welke punten en om welke redenen de weerlegging door verweerder in het bestreden besluit volgens hem tekortschiet. Door te volstaan met een verwijzing naar de bezwaargronden heeft eiser de uitgebreide weerlegging niet bestreden. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat wat verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft betoogd rechtens niet juist is.

10. Volgens vaste rechtspraak wordt van boeteoplegging afgezien in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was is gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen.

11. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op paragraaf 3.7 van de Handhavingsinstructie. Het geschil spitst zich op dit punt toe op de vraag of eiser als particulier in de zin van deze paragraaf kan worden aangemerkt.

12. Het begrip ‘particulier’ is in de Wav niet gedefinieerd. Uit de tekst van paragraaf 3.7 van de Handhavingsinstructie volgt dat een ‘particulier’ is ‘de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten’. Zoals namens verweerder ter zitting is bevestigd, sluit deze begripsbepaling aan bij de begripsbepaling van ‘werkgever’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wav. Derhalve kan onderscheid worden gemaakt tussen een natuurlijke persoon die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten (een natuurlijke persoon niet zijnde een particulier), en een natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten (een natuurlijke persoon zijnde een particulier).

13. De rechtbank stelt met verweerder vast dat de factuur van 15 mei 2006 betreffende ‘schilderwerk dansschool’ niet is gericht aan eiser in persoon, maar aan de eenmanszaak (naam). Verweerder heeft daarom op goede gronden geconcludeerd dat eiser in de uitoefening van zijn bedrijf vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid heeft laten verrichten. Nu eiser voor de boeteoplegging niet als particulier kan worden aangemerkt, heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan paragraaf 3.7 van de Handhavingsinstructie. De door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij opdracht zou hebben verleend aan een erkend bedrijf en een marktconforme prijs voor de werkzaamheden zou hebben betaald en dat de werkzaamheden tijdens gebruikelijke uren zouden zijn uitgevoerd, kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat de verwijtbaarheid volledig ontbreekt dan wel dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid.

14. Volgens vaste rechtspraak is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Het is aan degene die een beroep doet op bijzondere omstandigheden om dit beroep te onderbouwen.

15. Met de enkele stelling van eiser ter zitting dat uit fiscaal oogpunt een boete voor een eenmanszaak zwaarder weegt dan voor een rechtspersoon, is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Bovendien gaat deze stelling voorbij aan beleidsregel 2 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, op grond waarvan voor de werkgever als natuurlijke persoon het boetenormbedrag ten opzichte van de werkgever als rechtspersoon wordt gehalveerd.

16. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van M. Schouw, griffier,

en op 5 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 5 maart 2009.