Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BH2637

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
11-02-2009
Zaaknummer
Awb 09/51
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening; niet tijdig beslissen op aanvraag;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 09/51 VV

uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[naam],

gevestigd te [plaats],

verzoeker,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij brief van 10 september 2008 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend voor een vergunning voor de exploitatie van een toeristentrein.

Bij brief van 15 januari 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 6 februari 2009 behandeld ter zitting. Namens verzoeker is [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde F.J.C. Slager.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 2.1.4.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als zodanig aan te bieden.

In artikel 1.2, eerste lid, van de APV is bepaald dat het bevoegde bestuursorgaan binnen acht weken na de dag waarop een aanvraag om een vergunning of ontheffing is ontvangen, beslist.

Ingevolge het tweede lid van artikel 1.2 kan het bevoegde bestuursorgaan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

2. Verzoeker heeft op 10 september 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het exploiteren van een toeristentrein over de openbare weg in de gemeente Vlissingen.

Verweerder heeft thans nog niet beslist op verzoekers aanvraag. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat geen toepassing is gegeven aan artikel 1.2, tweede lid, van de APV en dat verzoeker niet heeft ingestemd met uitstel. Hieruit volgt dat verweerder niet tijdig heeft beslist op verzoekers aanvraag van 10 september 2008. Dit betekent dat verzoekers bezwaar gegrond is te achten en dat in beginsel aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

3. In het kader van de vraag welke voorziening dient te worden getroffen overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4. Verzoeker heeft ter zitting aangevoerd dat hij benadeeld is omdat, wanneer verweerder binnen de termijn van acht weken had beslist, hij de vergunning zou hebben gekregen, omdat op dat moment nog geen tweede aanvraag was ontvangen.

Ter zake van deze stelling overweegt de voorzieningenrechter dat, los van de vraag of de stelling van verzoeker inhoudelijk juist is – verweerder had formeel immers de mogelijkheid om de besluitvorming acht weken te verdagen – deze vraag niet aan de orde kan komen bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening, betrekking hebbende op het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Volgens vaste jurisprudentie dient een dergelijk verzoek uitsluitend beoordeeld te worden op de vraag of niet tijdig is beslist en zal verweerder bij het nemen van een inhoudelijk besluit dit bezwaar bij zijn beoordeling moeten betrekken.

5. Verzoeker heeft voorts gesteld dat hij eind april 2009 het treintje zou willen laten rijden en dat hij daarvoor per omgaande een vergunning nodig heeft. Voorts heeft hij toegelicht dat hij de trein nog dient te bestellen en dat een leveringstermijn van drie maanden geldt, mogelijk te verkorten naar twee maanden.

6. Verweerder heeft toegelicht dat het niet tijdig beslissen op de aanvraag samenhangt met het onderzoek dat verricht diende te worden voordat op de aanvraag kon worden beslist. In dat verband heeft verweerder er op gewezen dat contact nodig was met de provincie Zeeland, Vervoersbedrijf Connexxion, de regiopolitie Zeeland, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Voorts heeft verweerder gedurende het onderzoek een tweede aanvraag ontvangen voor een vergunning voor het rijden met een toeristentrein.

In verband met het vorenstaande heeft verweerder beleid willen formuleren, hetgeen inmiddels heeft geresulteerd in de “Beleidsregel voor het aanbieden van commerciële diensten op de openbare weg/toeristisch recreatief vervoer”, welke beleidsregel op 27 januari 2009 is vastgesteld en op 4 februari 2009 is bekendgemaakt. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op zeer korte termijn een brief naar beide vergunningaanvragers zal worden verzonden, waarbij zij in de gelegenheid worden gesteld hun aanvraag conform de in de beleidsregel opgenomen vereisten aan te vullen. De gelegenheid om de aanvraag aan te vullen geldt tot uiterlijk 1 maart 2009, waarna verweerder binnen twee á drie weken op de aanvragen kan beslissen.

7. Het vorenstaande afwegend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat verweerder uiterlijk 23 maart 2009 een beslissing op de aanvraag van verzoeker dient te nemen. Van doorslaggevende betekenis acht de voorzieningenrechter in dit verband dat het in het belang van alle partijen is dat sprake is van een zorgvuldige besluitvorming (zonder aanvulling van de aanvragen kan niet worden beslist) en dat een beslistermijn van drie weken na completering van de aanvraag in dit geval niet onredelijk is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

treft de voorlopige voorziening dat verweerder uiterlijk op 23 maart 2009 een inhoudelijke beslissing neemt op de aanvraag van 10 september 2008 en aan verzoeker bekendmaakt;

bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- (honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2009 door mr. I. Dijkman als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 10 februari 2009