Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:BH2406

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
12/715434-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte door de rechtbank vrijgesproken van poging doodslag. De rechtbank acht bewezenverklaard dat verdachte strafbaar is aan poging tot zware mishandeling en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715434-08 (PROMIS)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986],

zonder bekende woon-of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in P.I. Zuid West – HvB De Torentijd, Torentijdseweg 1, te Middelburg,

raadsman mr. G. Veen, advocaat te Goes.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op tegenspraak inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 januari 2009, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten hebben kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 oktober 2008, in de gemeente Tholen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2008, in de gemeente Tholen,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd heeft

geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 oktober 2008, in de gemeente Tholen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2008, in de gemeente Tholen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2 De bewijsoverwegingen

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde onder feit 1 en het primair ten laste gelegde onder feit 2.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij aangevoerd dat verdachte bekend heeft [slachtoffer] tegen het hoofd te hebben geslagen. De klap van verdachte is zodanig hard geweest, dat [slachtoffer] vervolgens ten val is gekomen. Dit blijkt ook uit verschillende getuigenverklaringen.

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte met geschoeide voet [slachtoffer] tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.

Door het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft verdachte willens en wetens het risico aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge daarvan zou kunnen komen te overlijden.

Het hoofd is één van de meest kwetsbare gedeelten van het lichaam en het is zeer goed mogelijk dat iemand na een trap met geschoeide voet tegen het hoofd komt te overlijden.

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd ten aanzien van het primair tenlaste gelegde onder feit 1 te onderschrijven.

De verdediging heeft voorts gesteld dat onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is, voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde onder feit 2, omdat onvoldoende vaststaat of verdachte daadwerkelijk tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. Verdachte kan zich niet herinneren of hij het slachtoffer heeft geschopt en de getuigenverklaringen over het schoppen door verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] lopen uiteen. Het is op basis van de getuigenverklaringen niet mogelijk om vast te stellen waar verdachte tegen aan geschopt zou hebben, aangezien onder meer wordt verklaard dat verdachte tegen de ribben, de handen of naar het gezicht – in plaats van tegen het gezicht- heeft geschopt.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] door hem met kracht tegen het hoofd te slaan.

Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om wettig en overtuigen bewezen te achten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag danwel poging tot zware mishandeling. Daartoe overweegt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan of verdachte de persoon is geweest die [slachtoffer] heeft getrapt of geschopt. Bovendien is het op basis van de stukken in het dossier niet mogelijk om vast te stellen of [slachtoffer] tegen zijn hoofd is geschopt of getrapt, omdat de getuigen daarover niet eenduidig hebben verklaard.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 25 oktober 2008, in de gemeente Tholen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, het strafblad en het reclasseringsrapport, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht aan verdachte reclasseringstoezicht op te leggen, ook als dat ambulante GGZ-behandeling en het volgen van een leefstijltraining zou inhouden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging benadrukt dat verdachte spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Hij heeft, door het gebruik van alcohol, buitenproportioneel gereageerd op het gedrag van [slachtoffer].

Verdachte beseft dat er iets in zijn leven moet veranderen en wil graag werken aan zijn toekomst. Verdachte staat positief tegenover het in het reclasseringsrapport voorgestelde reclasseringstoezicht.

De verdediging acht een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf niet wenselijk, omdat uit het reclasseringsrapport blijkt dat een spoedige aanpak van de persoonlijke problematiek dringend is gewenst.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar oordeel ten aanzien van het opleggen van de straf rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, alsmede met de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, onder invloed van alcohol, het slachtoffer [slachtoffer] met kracht tegen het hoofd geslagen, waarna het slachtoffer op de grond is gevallen en verdachte is weggerend. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer]. Het slachtoffer heeft een aantal weken niet kunnen werken. Voorts zorgen dergelijke uitingen van zinloos geweld in de samenleving voor gevoelens van angst en onveiligheid.

Dat het door verdachte gepleegde misdrijf niet tot zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer heeft geleid, is niet afhankelijk geweest van het handelen verdachte. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij gepoogd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte reeds eerder in aanraking is geweest met justitie ter zake van verschillende misdrijven, waaronder met name misdrijven die soortgelijk zijn aan het feit waar de rechtbank hem thans schuldig aan bevindt. De toen aan verdachte opgelegde boetes en transacties hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw aan soortgelijke feiten schuldig te maken.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsrapport d.d. 20 januari 2009 over verdachte, waarin interventie door de justitiële verslavingszorg wordt geadviseerd in de vorm van een verplicht reclasseringscontact om het alcoholgebruik van verdachte aan te pakken en te werken aan zijn depressieve bestaanshouding. Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij kampt met deze problematiek en dat hij bereid is om mee te werken aan een eventueel reclasseringstoezicht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten vier maanden voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Met deze straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij een GGZ-instelling of een soortgelijke behandeling elders en in overleg met de behandelaar mogelijk het volgen van een leefstijltraining.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert schadevergoeding tot een bedrag van

€ 2006,03 terzake van feit 1.

De rechtbank acht de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding, omdat in onderhavige zaak mogelijk sprake is van medeschuld en omdat de vordering ook niet voldoende duidelijk is geworden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde onder feit 2;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het aldus bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot zware mishandeling.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de straf;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. Ente, voorzitter, mr. Van Es en mr. Meeuwis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Persoon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2009.