Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:4090

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-09-2009
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
CIV_68616
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen in het geding van franchisenemer op gedaagde franchisegever. Eiser stelt dat hij recht heeft op provisie zonder aftrek van kosten. Vorderingen in conventie en reconventie worden afgewezen omdat deze voor een kort geding procedure onvoldoende vaststaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

68616 / KG ZA 09-1309 september 2009

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 68616 / KG ZA 09-130

Vonnis van 10 september 2009

in de zaak van

[eiser]

h.o.d.n. VidaSense, voorheen BTSW Eindhoven,

gevestigd te Helmond,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.W. Boer te Austerlitz, gemeente Zeist,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BTSW GROEP B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BTSW CONSULTANCY B.V.,

beide statutair gevestigd te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. drs. S. Visser te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , BTSW Groep en BTSW Consultancy genoemd worden.

BTSW Groep en BTSW Consultancy zullen tezamen tevens worden aangeduid als BTSW.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de faxbrief van mr. Visser d.d. 25 augustus 2009 met een akte houdende een vordering in reconventie met producties

  • -

    de faxbrief van mr. Visser d.d. 25 augustus 2009 met nadere producties

  • -

    de faxbrief van mr. Boer d.d. 26 augustus 2009 met producties

  • -

    de pleitnotities van mr. Boer

  • -

    de pleitnotities van mr. Visser.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 27 augustus 2009, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2 De feiten

2.1.

BTSW Eindhoven, althans [eiser] , en BTSW Groep, ook wel BTSW Nederland, hebben op 20 juni 2005 een franchiseovereenkomst gesloten, waarbij BTSW Groep de franchisegever is en BTSW Eindhoven de franchisenemer.


2.2. In artikel 10 van de overeenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

“(…)

10.4

Voor klinische opdrachten (artikel 4.2.a), uitgevoerd door BTSW Nederland en zelfstandig verworven door BTSW Eindhoven vergoed BTSW Nederland binnen 1 maand na afloop van de declaratie, 20% van het gedeclareerde bedrag aan BTSW Eindhoven als provisie. (…)

10.5

Bij verworven psychologische hulp (klinische hulp) opdrachten door BTSW Eindhoven en uitgevoerd door BTSW Nederland , vergoedt BTSW Nederland aan BTSW Eindhoven het eerste door BTSW Nederland gedeclareerde consult binnen 1 maand na de maand van declaratie.

10.6

Bij zakelijke opdrachten verworven door BTSW Eindhoven zal allereerst aanmelding bij BTSW Consultancy B.V., hierna BTSW Consultancy, plaatsvinden die de regie, wijze van uitvoering, begeleiding en facturatie (zoals beschreven in artikel 10.3) verzorgt. Indien de opdracht, voor wat betreft het gedeelte voor welke de uitvoering behoort tot de kernactiviteiten van de BTSW-Groep en niet door de wervende BTSW vestiging wordt uitgevoerd maar wel door andere gekwalificeerde personen/vestigingen wordt uitgevoerd, vergoedt BTSW Consultancy als provisie aan BTSW Eindhoven 20% van het gedeclareerde bedrag betrekking hebbend op genoemde activiteiten.

10.7

Ten aanzien van de door BTSW Eindhoven aangemelde cursisten bij BTSW Opleidingen voor een aldaar verzorgde NLP cursus, vergoedt BTSW Opleidingen aan BTSW Eindhoven, 20% van het gedeclareerde cursusbedrag, in de eerste maand volgend op de maand van declaratie.

10.8

BTSW Eindhoven vergoedt aan BTSW Nederland, uiterlijk 1 maand na de maand van declaratie, 20% van gefactureerde omzet, waarbij de provisie-ontvangst ook als omzet gerekend moet worden en provisie-afdracht als negatieve omzet in het bovenstaande verwerkt is.”

2.3.

Partijen hebben elkaar over en weer (credit-)facturen gestuurd uit hoofde van voornoemde overeenkomst.

3 Het geschil



in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van BTSW tot betaling van opeisbare facturen tot een totaalbedrag van € 34.520,79, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.346,80, met veroordeling van BTSW in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] stelt dat hij op basis van de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst recht heeft op provisie in verband met door hem verworven opdrachten. Er wordt in de overeenkomst niet gesproken over het in mindering brengen van welke kosten dan ook op het gedeclareerde bedrag. Daarnaast heeft [eiser] teveel provisie aan BTSW betaald, gelet op het bepaalde in artikel 10.8 van de overeenkomst. [eiser] heeft een herberekening gemaakt van de verschuldigde afdrachten en deze gefactureerd. Tenslotte stelt [eiser] op grond van de artikelen 10.4 tot en met 10.7 recht te hebben op provisieafdracht met betrekking tot een Master opleiding.

[eiser] heeft in verband met het voorgaande facturen gestuurd aan BTSW, welke BTSW tot op heden niet, althans niet geheel, heeft voldaan.

3.3.

BTSW maakt bezwaar tegen de door [eiser] bij faxbrief van 27 augustus 2009 overgelegde nadere producties. Zij stelt dat deze stukken tardief zijn overgelegd.

BTSW voert verder het primaire verweer dat uit de dagvaarding niet blijkt tegen welke vennootschap de vordering is gericht. Gelet op die onduidelijkheid dient de vordering te worden afgewezen. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat [eiser] om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, althans de vordering dient te worden afgewezen.
Verder voert BTSW aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. BTSW betwist de vordering “Naheffing Defensie”. Zij betwist voorts dat [eiser] gerechtigd is tot provisie over de Master opleiding. Gelet op de inhoudelijke betwisting van de facturen leent deze zaak zich niet voor een behandeling in kort geding.



in reconventie

3.4.

BTSW vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [eiser] tot betaling aan BTSW Groep

1. van openstaande facturen van in totaal € 1.964,--, vermeerderd met rente

2. van verrekening 2008 over de maanden januari/februari ad € 818,05, vermeerderd met rente,

3. van een bedrag van € 8.779,22 ter zake afdracht provisie over de maanden november 2008 tot en met mei 2009, vermeerderd met rente

4. van een bedrag van € 5.281,24 ter zake aan [eiser] te verrichten diensten/werkzaamheden, vermeerderd met rente,

5. van achterstallig entreegeld ad € 105,60,

6. van een bedrag van € 5.622,30 uit hoofde van de ontbonden overeenkomst, althans een bedrag van € 2.498,80,

7. een vergoeding van € 15.000,-- ter zake de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen.

Daarnaast vordert BTSW veroordeling van [eiser] tot het verstrekken van een provisie-overzicht met bijbehorende bescheiden over de maand juni 2009 binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

BTSW Groep stelt dat de vorderingen onder 1 tot en met 5 niet betwist zijn, zodat deze kunnen worden toegewezen. Gelet op de slechte financiële situatie waarin [eiser] verkeert heeft BTSW spoedeisend belang bij haar vorderingen. De vorderingen van BTSW overtreffen die van [eiser] in ruime mate. Indien er toch in kort geding aan [eiser] een bedrag wordt toegewezen, is er sprake van een reëel restitutierisico, gelet op de slechte financiele situatie van [eiser] . BTSW betwist de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten en de (hoogte) van de wettelijke rente.
Concluderend stelt BTSW zich op het standpunt dat de vordering in conventie van [eiser] dient te worden afgewezen en dat de vordering van BTSW na verrekening van het deel dat BTSW Consultancy aan [eiser] verschuldigd is, kan worden toegewezen.

3.5.

[eiser] betwist gemotiveerd (een deel van) de reconventionele vordering van BTSW. Hij betwist een achterstallige betaling terzake entreegeld verschuldigd te zijn, alsmede een bedrag in verband met opleidingskosten. Daarnaast betwist hij enige beëindigingsvergoeding verschuldigd te zijn. De discussie over de beëindiging van de franchiseovereenkomst leent zich bovendien niet voor een behandeling in kort geding.


4.De beoordeling

in conventie en in reconventie



4.1. Ten aanzien van het bezwaar van BTSW tegen overlegging van de nadere stukken door [eiser] bij faxbrief van 27 augustus 2009 overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De inhoud van de stukken wordt bij BTSW bekend verondersteld, en zij wordt geacht door de laattijdige overlegging van de stukken niet in haar verweer te zijn geschaad. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit verweer van BTSW.

4.2.

Ten aanzien van het meest ver strekkende verweer van BTSW dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen, omdat niet duidelijk is tegen welke vennootschap de vordering is gericht, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Nu BTSW met betrekking tot de door haar ingediende reconventionele vordering concludeert dat hetgeen BTSW Consultancy aan [eiser] verschuldigd is verrekend kan worden met datgene wat BTSW Groep te vorderen heeft van [eiser] , en BTSW kennelijk op dat punt niet een sterke scheiding aanbrengt tussen de betreffende vennootschappen kan [eiser] niet worden tegengeworpen dat hij bij het indienen van zijn vorderingen niet diezelfde strikte scheiding in acht heeft genomen. Kennelijk bestaat hierover bij beide partijen geen duidelijkheid. Dit kan dan niet aan [eiser] worden tegengeworpen.

4.3.

Zowel de vordering van [eiser] in conventie als de vordering van BTSW in reconventie strekt (al dan niet gedeeltelijk) tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding dient aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan. Zo dient het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk te zijn, in die zin dat het hoogstwaarschijnlijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarnaast dient ook sprake te zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl tevens beoordeeld dient te worden of er sprake is van een onaanvaardbaar restitutierisico.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestaan van de door [eiser] in conventie gestelde vordering voorshands niet aannemelijk is gemaakt. De betwisting door BTSW van de facturen “Naheffing Defensie” en “provisie Master”, die totaal ruim
€ 25.000,-- bedragen, is gebaseerd op een andere interpretatie van de franchiseovereenkomst, dan de uitleg die [eiser] daaraan geeft. Voorshands is niet duidelijk wie van partijen het gelijk aan zijn/haar zijde heeft. Er is nader onderzoek nodig, waarvoor in het kader van een kort geding geen plaats is.

Ten aanzien van de overige facturen van [eiser] geldt dat, hoewel deze niet uitdrukkelijk door BTSW zijn betwist, gelet op de door BTSW ingediende reconventionele vordering, en het feit dat partijen het er blijkbaar over eens zijn dat facturen over en weer verrekend mogen worden, evenmin aan de voorwaarden voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is voldaan.

Ten aanzien van de vordering in reconventie overweegt de voorzieningenrechter dat BTSW onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. De enkele stelling van BTSW dat [eiser] in een slechte financiële situatie verkeert, maakt de vordering van BTSW niet spoedeisend. De vordering zal reeds om die reden worden afgewezen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie en in reconventie beide zullen worden afgewezen. Nu beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en in reconventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2009.