Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2009:3801

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
28-02-2017
Zaaknummer
CIV_68056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vordering in het geding van franchisenemer op franchisegever. Het bestaan van de vordering staat voldoende vast om deze in het geding toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

68056 / KG ZA 09-10124 juni 2009

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 68056 / KG ZA 09-101

Vonnis van 23 juni 2009

in de zaak van

[eiser 1]

wonende te 's-Hertogenbosch,

eiser,

advocaat: mr. A.W. Boer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BTSW CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Burgh-Haamstede,

gedaagde,

advocaat: mr. S. Visser.

Partijen zullen hierna [eiser 2] en BTSW genoemd worden.

1 De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 5 juni 2009 met producties;

  • -

    de bij faxbrief van 15 juni 2009 van de zijde van BTSW gevoegde producties;

- de mondelinge behandeling op 16 juni 2009;

- de pleitnota van BTSW.

2 De feiten.

2.1.

BTSW en [eiser 2] hebben op 31 december 2005 een franchise/vestigings-overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst voorziet in artikel 10 onder meer in een regeling ter zake de vergoeding (provisie) voor verworven opdrachten.

2.2.

[eiser 2] heeft BTSW voor de trainingen aan medewerkers EPZ vier facturen gestuurd, gedateerd 16 februari 2009, 2 maart 2009, 27 maart 2009 en 2 april 2009, voor een totaalbedrag van € 22.881,24. De betalingstermijn van zes weken van alle facturen is inmiddels verstreken. Betaling door BTSW heeft nog niet plaatsgevonden.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan.

3.1.

[eiser 2] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, BTSW zal veroordelen tot betaling van opeisbare facturen tot een bedrag van € 22.881,24, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.346,80, zulks met veroordeling van BTSW in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser 2] stelt dat hij op basis van artikel 10 van de tussen partijen gesloten franchiseovereenkomst recht heeft op een vergoeding (provisie) voor door hem binnengehaalde opdrachten. Verder heeft [eiser 2] conform opgave van BTSW gefactureerd, zodat er geen reden is voor BTSW om niet tot betaling over te gaan. [eiser 2] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Hij verkeert door het geschil met BTSW in financiële nood. Hij zit in het traject van de schuldhulpverlening.

3.3.

BTSW heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van de vordering van [eiser 2] . Volgens BTSW is de franchise/vestigingsovereenkomst niet langer op de rechtsverhouding van partijen van toepassing. De activiteiten van [eiser 2] zijn sinds oktober 2007 immers ondergebracht bij BTSW Consultancy BV. Verder betwist BTSW de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.

3.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Vooropgesteld wordt dat een geldvordering voor toewijzing in kort geding in aanmerking kan komen, indien die vordering voldoende aannemelijk is. Voorts geldt dat terughoudendheid geboden is, mede met het oog op het restitutierisico, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.


3.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestaan van de vordering van [eiser 2] genoegzaam komen vast te staan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat BTSW op zichzelf niet betwist provisie verschuldigd te zijn voor de commerciële activiteiten van [eiser 2] . Daarbij kan in het midden blijven of er al dan niet een franchise/vestigingsovereenkomst tussen partijen is.

Ook de juistheid van de facturen van [eiser 2] is niet langer in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de vordering op grond van de verzonden facturen € 22.881,24 bedraagt, terwijl BTSW ook heeft erkend dat de betalingstermijn van de onderliggende facturen inmiddels is verstreken.

Weliswaar heeft BTSW ter zitting nog aangevoerd dat partijen feitelijk verdeeld zijn over de vraag wie tot de door [eiser 2] geworven klanten gerechtigd is, [eiser 2] of BTSW, maar over dit achterliggende geschil is te weinig bekend om aan de vordering van [eiser 2] tegen te werpen.

Verder heeft BTSW het door [eiser 2] gestelde spoedeisend belang bij zijn vordering niet langer betwist. Van een restitutierisico is gesteld noch gebleken.

3.6.

Aldus is voldaan aan de vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Dit betekent dat de vordering in hoofdsom zal worden toegewezen.

3.7.

Ter terechtzitting heeft [eiser 2] de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ingetrokken, zodat dit onderdeel verder buiten de beoordeling blijft.

3.8.

BTSW is, zo niet na het verstrijken van de respectievelijke betalingstermijnen, in ieder geval vanaf de dag der dagvaarding in verzuim geraakt. De wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf 5 juni 2009.

3.9.

BTSW zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 85,98

- vast recht € 620,00

- salaris advocaat € 1.054,00

Totaal € 1.759,98

4 De beslissing.

De voorzieningenrechter;

4.1.

veroordeelt BTSW Consultancy B.V. om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 22.881,24 (tweeëntwintig duizendachthonderdéénentachtig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2009 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt BTSW in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.759,98,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2009.