Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2008:BM5927

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
Awb 08/98
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Muskusratbestrijding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 08/98 MK

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Stichting De Faunabescherming,

zetelend te Amstelveen,

eiseres,

gemachtigde[Naam] (secretaris),

tegen

het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2003 heeft verweerder een aanwijzingsbesluit genomen, als bedoeld in artikel 67 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), ter beperking van de stand van de muskusrat, de nijlgans, de gedomesticeerde grauwe gans, de rosse stekelstaart, de verwilderde duif, de verwilderde kat en de verwilderde nerts.

Het hiertegen door eiseres ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 22 juli 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep op 31 maart 2005 gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 22 juli 2003 vernietigd.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van eiseres, waarbij deze ongegrond zijn verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 15 april 2008 behandeld ter zitting. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. J.J. Versteeg en R. Steijn, bijgestaan door [Naam], hoofd van de afdeling beverrat- en muskusratbestrijding van het waterschap Zeeuwse Eilanden.

II. Overwegingen

1. In het aanwijzingsbesluit van 7 januari 2003 heeft verweerder bepaald dat:

- houders van een geldige jachtakte de muskusrat, de nijlgans, de gedomesticeerde grauwe gans, de rosse stekelstaart, de verwilderde duif, de verwilderde kat en de verwilderde nerts mogen beperken met het geweer of met honden, niet zijnde lange honden, op de gronden waar zij gerechtigd zijn gebruik te maken van het geweer of die honden in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

- jachthouders en grondgebruikers de verwilderde nerts, de verwilderde kat en de verwilderde duif mogen beperken met een kastval ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of ter voorkoming van schade aan flora en fauna;

- houders van een geldige valkeniersakte de muskusrat, de nijlgans, de gedomesticeerde grauwe gans, de rosse stekelstaart, de verwilderde duif, de verwilderde kat en de verwilderde nerts mogen beperken met gefokte jachtvogels, te weten slechtvalken en haviken op gronden waar zij gerechtigd zijn te jagen of op andere gronden met toestemming van de grondgebruiker ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of ter voorkoming van schade aan flora en fauna;

- de muskusrattenbestrijders in dienst van het waterschap Zeeuwse Eilanden en het waterschap Zeeuws Vlaanderen de muskusrat mogen beperken met gebruikmaking van vangkooien, waaronder fuiken en klemmen. Zij zijn hiertoe gerechtigd op het gehele provinciale grondgebied, waarbij zij toegang hebben tot alle gronden.

2. In het besluit op bezwaar van 22 juli 2003 heeft verweerder gesteld dat de muskusrat moet worden bestreden in verband met de openbare veiligheid en de schade aan landbouwgewassen. De gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans en de verwilderde duif moeten worden bestreden in verband met landbouwschade. De gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans, de rosse stekelstaart, de verwilderde kat en de verwilderde nerts moeten worden bestreden vanwege de negatieve effecten van deze soorten op de fauna.

3. In haar uitspraak van 31 maart 2005 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder voormelde belangen in het besluit op bezwaar van 22 juli 2003 onvoldoende heeft onderbouwd en dit besluit vernietigd.

4.1 In het thans bestreden besluit stelt verweerder zich niet langer op het standpunt dat de muskusrat en de verwilderde duif dienen te worden bestreden in verband met landbouwschade. Voor wat betreft de verwilderde duif heeft verweerder diens aanwijzing ook herroepen in het primaire besluit.

4.2 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de muskusrat door graverij dammen, kaden en dijken kan ondergraven, hetgeen kan leiden tot instortingsgevaar, verwijst verweerder naar het ‘Landelijk jaarverslag 2005 muskus- en beverrattenbestrijding’ van de Landelijke Coördinatiecommissie Muskusrattenbestrijding, het Alterra-rapport ‘Muskusrattenbestrijding in Nederland: een quick scan naar nut, noodzaak en alternatieven’ uit 2005, het rapport ‘Populatieontwikkeling en veiligheid, nader onderzoek naar de relatie tussen graverij van muskusratten en de veiligheid van waterkeringen’ van november 2007 en ‘Zoogdieren van West Europa’ van Rogier Lange et al uit 1994. Het bezwaar van eiseres dat de openbare veiligheid niet in gevaar is, omdat de belangrijke waterkeringen tot boven de waterlijn zijn verhard, is volgens verweerder niet juist. Zeewaterkeringen zijn op de meeste plaatsen aan de buitenzijde verhard tot boven de waterlijn; op die plaats vinden echter geen graafactiviteiten van de muskusrat plaats vanwege het zoute milieu. De binnenzijde van de waterkeringen is niet verhard en ook de binnendijks gelegen secundaire waterkeringen zijn niet verhard. Verweerder ziet geen alternatieven voor de bestrijding van muskusratten. Het verharden van slootranden en binnendijken is mogelijk, maar zeer ingrijpend en buitenproportioneel gezien de kosten. Daarnaast zou dit een achteruitgang betekenen voor vele andere diersoorten door verdwijning of teruggang van de biotoop.

4.3 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de gedomesticeerde grauwe gans en de nijlgans leiden tot landbouwschade verwijst verweerder naar het SOVON-onderzoeksrapport 2006/02, de ‘Atlas van de Nederlandse broedvogels’ (2002), ‘Broedvogels Zeeland’ (KNNV 1994) en een brief van het Faunafonds van 8 september 2006. Van de door het Faunafonds verleende tegemoetkomingen in schades vormen die van (beschermde) ganzen de grootste post. Bekend is dat ook de gedomesticeerde grauwe gans en de nijlgans landbouwschade kunnen veroorzaken. Het foerageergedrag van deze wilde soortgenoten is namelijk niet afwijkend van de soort, waarvan de schade wel door het Faunafonds wordt vergoed. De gedomesticeerde grauwe gans is verantwoordelijk voor 12% van de in de zomer door ganzen veroorzaakte schade. Bij het treffen van minder vergaande maatregelen, zoals het plaatsen van knalapparaten, vogelverschrikkers, vlaggen, zakken of lappen, treedt er al snel gewenning op. Na een kortstondig effect hervatten de te verjagen vogels al snel hun oude patroon. Het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 65 of individuele ontheffing op grond van artikel 68, waarbij nadere voorwaarden kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld het gebruik in tijd en ruimte, biedt eveneens geen bevredigende oplossing, omdat dit alleen mogelijk is voor beschermde soorten.

4.4 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de nijlgans en de gedomesticeerde grauwe gans een negatieve invloed hebben op de fauna, omdat deze soorten agressieve concurrenten kunnen zijn voor voedsel- en nestplaatsen van andere soorten, verwijst verweerder naar eerder genoemde ‘Atlas van de Nederlandse broedvogels’ (2002). Naast dat de inheemse, beschermde, populatie ganzen een onnatuurlijke concurrentie om voedsel en nestmogelijkheden ondervindt van de nijlgans en de gedomesticeerde grauwe gans, kruist laatstgenoemde soort zich regelmatig met de grauwe gans, waardoor de inheemse populatie wordt ‘vervuild’ met gedomesticeerd genetisch materiaal. Een andere bevredigende oplossing voor het gebrek aan ruimte is niet aanwezig, omdat deze niet kan worden gecreëerd.

4.5 Van de rosse stekelstaart is bekend dat zijn aanwezigheid door verdringing en bastaardering de Europese witkopeend, die alleen in Spanje voorkomt en op uitsterven stond, doet verdwijnen, aldus verweerder. Het staat vast dat deze soort op korte termijn alsnog zal uitsterven als de vestiging van de rosse stekelstaart niet wordt tegengegaan. Om de influx in Spanje te beëindigen is vanuit Spaanse natuurbeschermingskringen en in internationaal verband (International Union for the Conservation of Nature) verzocht de stand van de rosse stekelstaart te beperken. In Nederland is de populatie nog zo klein dat met een kleine bestrijdingsinspanning het gewenste resultaat kan worden behaald. Het op andere wijze tegengaan van vermenging tussen witkopeenden en rosse stekelstaarten is niet mogelijk.

4.6 Verwilderde nertsen zijn voedselconcurrenten van beschermde inheemse diersoorten (otter en bunzing). Naast concurrentie om bezetting van dezelfde biotoop, treedt bij nertsen ook het fenomeen van verhoogde predatie op. Vooral door de aanwezigheid van diverse nertsenfokkerijen in Zeeland wordt de populatie verwilderde nertsen regelmatig aangevuld met uit deze fokkerijen ontsnapte dieren. Deze situatie maakt aanwijzing voor de gehele provincie noodzakelijk. Voor het beperken van verwilderde nertsen acht verweerder geen andere methoden denkbaar dan het gebruik van vangkooi of geweer.

4.7 De verwilderde kat kan kruisen met de wilde kat (felix catus) waardoor gevaar voor verlies van soorteigen erfelijke eigenschappen bestaat. Verweerder verwijst in dit kader naar voormeld ‘Zoogdieren van West Europa’. Bovendien kunnen verwilderde katten zorgen voor onnatuurlijke predatie, waardoor bijvoorbeeld het broedsucces van grondbroedende vogels negatief kan worden beïnvloed. Door onderhavig besluit is het tevens mogelijk verwilderde katten te vangen en te resocialiseren. Het vangen van verwilderde katten met behulp van een vangkooi acht verweerder geen alternatief omdat dit op grond van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten alleen is toegestaan binnen de bebouwde kom.

4.8 Volgens verweerder is provinciedekkende bestrijding van voormelde diersoorten noodzakelijk op grond van de beleidsmatige wens om verwilderde exotische dieren uit oogpunt van faunavervalsing en concurrentie met beschermde inheemse diersoorten te beperken, in combinatie met de internationale verplichtingen en afspraken op het gebied van exotenbestrijding. Slechts dan kan het gewenste resultaat, beperking tot een absoluut minimum, worden bereikt. Het toepassen van andere maatregelen, zoals verjagen, leidt niet tot dat resultaat. Gebruikmaking van het geweer, hetgeen met de aanwijzing wordt beoogd, acht verweerder de meest effectieve wijze van bestrijding.

5. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en voert daartoe onder meer het volgende aan.

5.1 Verweerder heeft nog steeds niet onderbouwd dat muskusratten een gevaar voor de openbare veiligheid opleveren, waarvoor geen minder vergaande oplossingen zouden bestaan. Er is niet aangetoond dat bestrijding effectief is en uit de door verweerder overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat niet-bestrijding de kans op graverij vergroot. Voorts kan de door muskusratten veroorzaakte schade bij het reguliere onderhoud worden meegenomen en hersteld.

5.2 Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er door gedomesticeerde grauwe ganzen en nijlganzen belangrijke landbouwschade in de hele provincie dreigt te worden aangericht. Verweerder verwijst naar een brief van het Faunafonds, maar algemene opmerkingen die betrekking hebben op het hele land leveren volgens eiseres nog geen bewijs voor de stelling dat sprake is van dreigende schade die dan ook nog als ‘belangrijk’ kan worden gekwalificeerd in de provincie Zeeland. Ook is er niet aangetoond dat minder vergaande middelen niet tot een oplossing leiden. Verweerder heeft slechts iets opgemerkt over passieve middelen, terwijl er ook actieve middelen zijn.

5.3 Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans, de rosse stekelstaart, de verwilderde kat en de verwilderde nerts een daadwerkelijk risico vormen voor de inheemse fauna. Ook hier worden slechts algemene stellingen geponeerd zonder dat is aangetoond in hoeverre deze diersoorten in de provincie voorkomen en in hoeverre zij een reëel gevaar vormen voor welke soorten en op welke schaal.

5.4 Voor wat betreft de rosse stekelstaart stelt eiseres dat verweerder niet heeft aangegeven om hoeveel exemplaren het gaat, waar deze zich in de provincie bevinden en of deze exemplaren een reële bedreiging vormen voor de witkopeenden in Spanje. Uit de stukken blijkt dat de rosse stekelstaart vrijwel niet in Zeeland voorkomt. Alleen bij de Kreekraksluizen is een paar aangetroffen, waarbij broeden niet kon worden aangetoond. In het door verweerder ingebrachte actieplan is aangegeven dat de nadruk zou moeten worden gelegd op het voorkomen van broedgevallen. Overigens staat in dit actieplan ook dat bestrijding als zinloos wordt beschouwd, zolang er nog rosse stekelstaarten in gevangenschap worden gehouden met het risico van ontsnapping. Tevens wordt erop gewezen dat de enkele rosse stekelstaart die in de winter wordt aangetroffen afkomstig is vanuit Engeland, waar deze vogels succesvol tot broeden komen. Deze vogels zullen dus nooit in Spanje terechtkomen en vormen dan ook geen bedreiging voor de witkopeend. Aangezien er tot op heden geen broedgevallen van de rosse stekelstaart in Zeeland bekend zijn, zou verweerder geen toestemming moeten geven om deze soort te doden, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Flora- en faunawet kunnen gedeputeerde staten bepalen dat, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 9, 11, 12, 50, 51, 53, 72, vijfde lid, en 74, door door hen aan te wijzen personen of categorieën van personen de stand van bij ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten of andere diersoorten of verwilderde dieren op door gedeputeerde staten aan te wijzen gronden kan worden beperkt:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren of

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

7. De ministeriële regeling als hiervoor bedoeld is de Regeling beheer en schadebestrijding dieren. Ingevolge artikel 2 van deze regeling zijn als diersoorten als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Flora- en faunawet aangewezen (onder meer) de volgende soorten genoemd in bijlage 1: grauwe gans (Anser anser), muskusrat (Ondatra zibethicus), nijlgans (Alopochen aegyptiacus), rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis), verwilderde duif (Columba livia forma domestica), verwilderde kat (Felis catus) en verwilderde nerts (Mustela vison).

8. De rechtbank leidt uit de door verweerder overgelegde informatie, zoals de ‘Atlas van de Nederlandse broedvogels’ (2002), en zijn verklaring ter zitting af dat de gedomesticeerde grauwe gans, ook wel soepgans, dient te worden onderscheiden van de grauwe gans. Zo heeft verweerder verklaard dat het uiterlijk van de gedomesticeerde vorm anders is dan die van de wilde grauwe gans en door hem wordt kruising tussen de gedomesticeerde grauwe gans en de grauwe gans ongewenst geacht. De rechtbank stelt vast dat de gedomesticeerde grauwe gans niet expliciet is vermeld in de bijlage bij de Regeling beheer en schadebestrijding dieren. De rechtbank acht verweerder als gevolg daarvan niet bevoegd op grond van artikel 67, eerste lid, van de Ffw over te gaan tot aanwijzing van de gedomesticeerde grauwe gans. Verweerder heeft derhalve in het bestreden besluit ten onrechte de gedomesticeerde grauwe gans aangewezen. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit op dit onderdeel vanwege strijd met de wet.

9. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder wel bevoegd was tot het aanwijzen van de muskusrat, de nijlgans, de rosse stekelstaart, de verwilderde kat en de verwilderde nerts. Ten aanzien van deze diersoorten overweegt de rechtbank als volgt.

Muskusrat

10. Verweerder is blijkens het bestreden besluit overgegaan tot aanwijzing van de muskusrat uit oogpunt van openbare veiligheid.

11. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de rapporten in het dossier – onder meer het door eiseres overgelegde rapport ‘Gevolgen van graverij door muskusratten en beverratten voor de veiligheid van waterkeringen’ (oktober 2006) - dat de veiligheid van waterkeringen afneemt door graverij van muskusratten. In het rapport ‘Populatieontwikkeling en veiligheid, nader onderzoek naar de relatie tussen graverij van muskusratten en de veiligheid van waterkeringen’ (november 2007) wordt geconcludeerd dat reeds bij een enkele schade door graverij sprake is van een sterke afname van de veiligheid van de waterkering.

12. Op grond hiervan acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de openbare veiligheid in het geding is door de graverij van muskusratten in waterkeringen.

13. Volgens eiseres heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de bestrijding, de gevolgen van niet-bestrijding of naar alternatieven.

14. Alhoewel thans onduidelijk is hoe het graafgedrag van de muskusrat zich ontwikkelt na stopzetting van de bestrijding, omdat daarnaar nog geen onderzoek is verricht, wordt er in het rapport ‘Gevolgen van graverij door muskusratten en beverratten voor de veiligheid van waterkeringen’ (oktober 2006) rekening mee gehouden dat de graverij in waterkeringen omvangrijker wordt indien zich een hoge populatiedichtheid ontwikkelt en mogelijk een tekort aan voedsel en/of leefruimte ontstaat, waardoor de ernst van de bedreiging van graverij voor de veiligheid van waterkeringen kan toenemen.

15. In het door eiseres overgelegde rapport ‘Alternatieve strategieën voor de bestrijding van muskusratten, haalbaarheidsstudie en voorbereiding van veldexperimenten’ (12 november 2007) wordt aanbevolen nader onderzoek te doen naar de populatieontwikkeling en de daaraan gerelateerde schade wanneer niet wordt bestreden. Door het bureau Altenburg & Wymenga is in het rapport ‘Muskusratten zonder bestrijding?, ontwerp van een onderzoek aan de gevolgen van tijdelijk niet bestrijden’ (2007) een veldproef ontworpen waarin muskusratten tijdelijk niet actief worden bestreden.

16. Zolang de resultaten van voormeld onderzoek niet bekend zijn en de gevolgen van niet-bestrijding van de muskusratten voor de veiligheid van de waterkering niet duidelijk zijn, is de rechtbank van oordeel dat van verweerder – vanwege het grote belang van veilige waterkeringen - niet kan worden gevergd de bestrijding van de muskusrat op dit moment te (laten) staken. De rechtbank is van oordeel dat er thans – omdat deugdelijk onderzoek daarnaar ontbreekt - geen reële alternatieven zijn voor de bestrijding van de muskusrat.

De rechtbank gaat er overigens van uit dat wanneer de conclusies van voormeld onderzoek zodanig zijn dat een andere handelwijze ten aanzien van de muskusrat mogelijk is om de veiligheid van de waterkeringen te garanderen, verweerder daartoe overgaat.

17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot aanwijzing van de muskusrat als diersoort waarvan de stand beperkt dient te worden en verklaart het beroep op dit punt ongegrond.

Nijlgans

18. Blijkens het bestreden besluit is de reden voor aanwijzing van de nijlgans het voorkomen van belangrijke schade aan landbouwgewassen en schade aan de fauna. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de nijlgans belangrijke landbouwschade veroorzaakt heeft verweerder verwezen naar informatie van het Faunafonds over 2006.

19. De rechtbank kan hieruit noch uit de andere informatie in het dossier, zoals de ‘Atlas van de Nederlandse broedvogels’ (2002) en het SOVON-onderzoeksrapport 2006/02, afleiden dat de nijlgans belangrijke landbouwschade veroorzaakt, noch dat belangrijke schade moet worden gevreesd. Uit informatie van het Faunafonds blijkt juist dat getaxeerde schade veroorzaakt door de nijlgans ten opzichte van alle diersoorten die faunaschade opleveren over de jaren 2002 tot en met 2005 in Zeeland zeer gering is.

20. Volgens verweerder is het overzicht van het Faunafonds niet volledig, omdat schade door nijlganzen niet door het Faunafonds wordt vergoed en daardoor ook niet alle door deze soort veroorzaakte schade in dit overzicht is opgenomen. Wat hier ook van zij, verweerder heeft er voor gekozen zijn standpunt te onderbouwen door middel van dit stuk en heeft niet door middel van andere informatie aannemelijk gemaakt dat nijlganzen belangrijke landbouwschade aanrichten dan wel dat daarvoor moet worden gevreesd.

21. Overigens wordt de informatie van het Faunafonds ondersteund door het door eiseres overgelegde SOVON-rapport ‘Zomerganzen in het Deltagebied in 2007’, waaruit blijkt dat er in juli 2007 226 nijlganzen op een totaal aantal ganzen van 18.499 werden geteld, en het jaarverslag 2001 van de Wildschadecommissie voor de provincie Zeeland. Over de jaren 1997 tot en met 2001 heeft de Wildschadecommissie slechts één schademelding ontvangen in verband met nijlganzen met een getaxeerde waarde van fl 387,06.

22. Verweerder heeft voorts gesteld dat de nijlgans een agressieve concurrent kan zijn met andere soorten ten aanzien van voedsel- en nestplaatsen. Verweerder verwijst hierbij naar de ‘Atlas van de Nederlandse broedvogels’ (2002).

23. De rechtbank stelt vast dat in deze atlas niet expliciet vermeld staat dat de nijlgans een concurrent is voor een andere soort, noch volgt dat naar haar oordeel daaruit impliciet.

24. Tijdens de workshop ‘Nijlgans en Rosse Stekelstaarteend’ uit 1997 – waarvan het verslag door eiseres is overgelegd en welk document is aangeboden aan de directeur Natuurbeheer van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij - is geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de nijlgans een bedreiging vormt voor inheemse soorten of oecosystemen. Wel werd aanbevolen de ontwikkeling van de nijlgans nauwlettend te volgen. Deze soort is vervolgens opgenomen in het meetnet van SOVON. Zoals hiervoor reeds vermeld blijkt uit het SOVON-rapport ‘Zomerganzen in het Deltagebied in 2007’ dat slechts een zeer gering aantal van het totaal aantal ganzen in Zeeland nijlgans is. Voor zover de nijlgans al kan worden beschouwd als een concurrent voor andere soorten, acht de rechtbank het vanwege het geringe aantal niet aannemelijk dat van deze soort in dat geval een reële dreiging voor andere soorten uitgaat.

25. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ook in het thans bestreden besluit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de nijlgans belangrijke landbouwschade of schade aan de fauna veroorzaakt, noch dat zulke schade dreigt. De rechtbank acht daarmee het bestreden besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en verklaart het beroep in zoverre gegrond vanwege strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigt het bestreden besluit op dit onderdeel.

Verwilderde kat, verwilderde nerts en rosse stekelstaart

26. Verweerder heeft de verwilderde kat, de verwilderde nerts en de rosse stekelstaart aangewezen vanwege de negatieve effecten van deze soorten op de fauna.

27. In de beschrijving van de verwilderde kat uit ‘Zoogdieren van West Europa’ is vermeld dat deze soort concurrent kan zijn van de oorspronkelijke kleine roofdieren. Verder kan deze soort kruisen met de wilde kat, waardoor gevaar voor verlies van soorteigen erfelijke eigenschappen van de wilde kat bestaat. Voorts kunnen verwilderde katten volgens verweerder zorgen voor onnatuurlijke predatie.

28. De rechtbank acht met deze door verweerder overgelegde informatie onvoldoende inzichtelijk om hoeveel verwilderde katten in Zeeland het gaat, of de wilde kat wel in Zeeland voorkomt, en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van de verwilderde kat een reële dreiging uitgaat voor de fauna.

29. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden ten aanzien van de verwilderde nerts. Geconstateerd moet worden dat verweerder ook in dit geval een stelling poneert doch deze niet met voldoende feitelijke gegevens onderbouwt. Uit de gedingstukken blijkt namelijk niet dat de hiervoor genoemde soorten een actuele, reële bedreiging voor inheemse diersoorten zijn. De aanwezigheid in Zeeland van een of meer exemplaren van de genoemde soorten is onvoldoende om van een dergelijke bedreiging te kunnen spreken.

30. Overigens heeft verweerder ter zitting verklaard dat de meeste katten en nertsen met een kooi worden gevangen, zodat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd acht waarom daarmee in het aanwijzingsbesluit niet is volstaan.

31. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de verwilderde kat en verwilderde nerts onzorgvuldig is voorbereid en onzorgvuldig is gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep derhalve gegrond voor zover het de aanwijzing van de verwilderde kat en de verwilderde nerts betreft vanwege strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb en vernietigt het bestreden besluit op deze onderdelen.

32. Voor wat betreft de rosse stekelstaart leidt de rechtbank uit de ‘International Single Species Action Plan for de Conservation of the White-headed Duck’ (juni 2006) - tot stand gekomen door inspanning van onder meer de Europese Commissie en BirdLife International (een wereldwijd netwerk van nationale vogel- en natuurbeschermingsorganisaties) – af dat de grootste bedreiging voor de witkopeend, die internationaal als bedreigde diersoort is aangemerkt, op de lange termijn de rosse stekelstaart is vanwege kruising met deze soort. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat deze bedreiging – als gevolg van de grote afstanden die deze soort kan afleggen - ook wordt gevormd door in Nederland aanwezige rosse stekelstaarten.

33. Door de deelnemers van de workshop ‘Nijlgans en Rosse Stekelstaarteend’ werden de eerste broedgevallen van de rosse stekelstaart in Nederland als voorbode gezien van een succesvolle vestiging. Het gemak waarmee in het kolonisatieproces grote afstanden worden overbrugd, gaf aanleiding tot internationale waakzaamheid en samenwerking. Onder meer werd in het verslag van de workshop aanbevolen om de Rosse Stekelstaart niet succesvol te laten broeden en te voorkomen dat de soort zich in Nederland als broedvogel kan verspreiden.

34. Gelet op dit door eiseres overgelegde stuk en het door verweerder overgelegde, in internationaal verband voortgebrachte, stuk, acht de rechtbank verweerders stelling dat de rosse stekelstaart een reële bedreiging vormt voor de witkopeend voldoende onderbouwd en daarmee dat beperking van deze soort is ingegeven ter voorkoming van schade aan de fauna. Dat er een risico bestaat dat rosse stekelstaarten, die in gevangenschap worden gehouden, ontsnappen, waardoor bestrijding minder effectief is, zoals door eiseres is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

35. Voorts heeft eiseres nog aangevoerd dat de rosse stekelstaart kan worden verward met een andere (beschermde) soort, waardoor de verkeerde soort wordt afgeschoten.

De rechtbank is van oordeel dat het gevaar daarvoor tot een minimum is beperkt, nu de rosse stekelstaart alleen door houders van een jachtakte mag worden afgeschoten en die houders een examen hebben moeten afleggen.

36. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende aannemelijk dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de bestrijding van de rosse stekelstaart. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot aanwijzing van de rosse stekelstaart. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

37. Samenvattend verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover het de beperking betreft van de gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans, de verwilderde kat en de verwilderde nerts en vernietigt zij het bestreden besluit op deze onderdelen. Voor zover het de beperking betreft van de muskusrat en de rosse stekelstaart verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 39,20, zijnde de reiskosten van gemachtigde van eiseres, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

38. Tevens ziet de rechtbank in de lange duur van deze procedure sinds het oorspronkelijke besluit van 7 januari 2003 aanleiding om voor wat betreft de vernietigde onderdelen laatstgenoemd besluit te schorsen tot zes weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond voor zover het de beperking betreft van de muskusrat en de rosse stekelstaart;

verklaart het beroep gegrond voor zover het de beperking betreft van de gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans, de verwilderde kat en de verwilderde nerts;

vernietigt het bestreden besluit op deze onderdelen;

treft de voorlopige voorziening, zoals bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende schorsing van het besluit van 7 januari 2003 voor zover het de beperking betreft van de gedomesticeerde grauwe gans, de nijlgans, de verwilderde kat en de verwilderde nerts tot zes weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

bepaalt dat de provincie Zeeland aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 (tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 39,20 (negenendertig euro en twintig eurocent), te betalen door de provincie Zeeland aan eiseres.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2008

door mr. R.C.M. Reinarz als voorzitter en mr. G.J.A. van Unnik en mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel als griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: 17 juni 2008